Brits ontwikkelingsbeleid is politiek instrument

We noemen het geruststellend “ontwikkelingshulp” en hopen dan maar dat die “hulp” soelaas brengt voor de massa van de armen in de “ontwikkelingslanden”. Maar dat hopen we al tientallen jaren, en wat we zien is weinig ontwikkeling en veel toename van de armoede in de wereld.

Verhullende taal (de "newspeak"’ van toppolitici en, in hun zog, heel wat media) zorgt ervoor dat de gewetens gesust worden en dat de essentie verborgen blijft. De "hulp" is immers vooral een instrument van de buitenlandse politiek van rijke landen. Een treffend voorbeeld daarvan biedt Groot-Brittannië. In een opmerkelijke analyse in de krant The Guardian kijkt de Britse publicist George Monbiot wat er onder de fraaie woordensluier zit.

Sinds de jaren 1980 (de tijd van Margaret Thatcher en Ronald Reagan) is een beweging bezig die de wereld wil herkoloniseren zonder opnieuw formele kolonies op te richten – volgzame regimes volstaan. Westerse banken en concerns dringen opnieuw op grote schaal door in de vroegere kolonies en leggen er hun wetten op. In veel arme landen moesten staats- en privébedrijven plaats ruimen voor de "globalisering" van de grote multinationale concerns – door privatisering van overheidsbedrijven en opheffing van bescherming voor de veelal nog kwetsbare lokale industrie ("openstelling van de economie"). Veel lokale, corrupte regeringsleiders zijn door de knieën gegaan, niet alleen onder druk van de schulden die ze de internationale geldschieters moesten betalen, maar ook omdat ze zich persoonlijk konden verrijken bij de geëiste privatiseringen.

Overheidsbedrijven werden verkocht aan multinationale concerns, lokale ondernemingen gingen failliet onder de "openstelling van de economie", terwijl sociale voorzieningen werden kapotbespaard. Toegenomen afhankelijkheid, werkloosheid, armoede en bestaansonzekerheid waren het gevolg.

De Britse ontwikkelingshulp, benadrukt Monbiot in The Guardian van 6 januari, wordt gericht op landen die deze politiek willen volgen en bereid zijn "om hun activa aan big business te verkopen". De hulp, aldus de publicist, "is altijd een instrument geweest van de buitenlandse politiek. Tijdens de Koude Oorlog werd ze aangewend om de trouw te kopen van staten die anders wel eens naar de andere partij konden overlopen. Ook vandaag nog is de strekking dat landen met het grootste strategische belang voor het donorland, het meeste geld krijgen. Daarom geven de VS meer aan Israël dan aan zwart-Afrika".

Donorbelangen eerst

Maar, merkt Monbiot op, "buitenlands beleid wordt ook gedreven door handelsbelangen, vooral door de noden van exporteurs (in het donorland). Hulp gaat naar landen die de producten van onze fabrikanten kunnen kopen. Soms gaat ze helemaal niet naar landen, maar recht naar de fabrikanten. Een Amerikaanse regeringssite op het internet gaat er prat op dat ‘de belangrijkste begunstigde van het Amerikaans programma voor buitenlandse hulp altijd de VS zijn geweest, bijna 80 procent van de contracten en giften van het USAID (de regeringsorganisatie voor ontwikkelingshulp) gaat rechtstreeks naar Amerikaanse bedrijven’”.

Over wat dit kan betekenen deed een arts in een ziekenhuis van Gondar in Ethiopië zijn beklag, schrijft Monbiot. Het ziekenhuis beschikt niet over de basishandboeken voor tropische ziekten die het nodig heeft, wel heeft het 21 kopieën van het werk "Aesthetic Facial Surgery" en 24 exemplaren van "Ophtalmic Pathology" – terwijl in Ethiopië geen enkele oogarts in opleiding is en het doodarme land geen esthetische chirurgen telt. De VS, hekelt Monbiot, hebben 2 miljoen dollar uitgegeven voor medische tractaten die Amerikaanse uitgevers in eigen land niet kwijt geraakten, ze noemden die hulp en dumpten ze in Ethiopië.

India, Zambia, Ghana

In Londen zegt de Labourregering van Tony Blair dat ze dit soort praktijken "heeft opgegeven, maar alleen omdat ze indruisen tegen Europese concurrentieregels. Nu heeft de regering een veel doeltreffender middel gevonden om de rijken te helpen terwijl ze voorhoudt de armen bij te staan. Ze geeft geld uit aan projecten die openbare middelen overdragen aan grote concerns. Zo geeft ze 342 miljoen pond aan de Indiase deelstaat Andra Pradesj, vijftien keer meer dan wat ze vorig jaar veil had voor de hongersnood in Ethiopië". Waarom, vraagt Monbiot zich af, "is Andra Pradesj zo gelukkig? Omdat de deelstaatpremier zijn staat aandoet wat Pinochet Chili heeft aangedaan: alles wat niet te heet of te zwaar is (en soms ook dàt) aan big business overhandigen".

"Het grootste deel van het geld dat de Britse officiële ontwikkelingshulp (Department for International Development DFID) aan de premier geeft, wordt gebruikt om de staat en zijn voorzieningen te ‘herstructureren’ en te ‘hervormen’. Zijn programma zal 20 miljoen mensen hun land ontnemen en op grote schaal bijdragen tot armoede".

Het DFID erkent in een eigen rapport dat een van de grootste projecten die het in Andra Pradesj helpt financieren "belangrijke gebreken" vertoont, "negatieve gevolgen heeft voor de voedselveiligheid" en "niets doet om een alternatief inkomen te bieden aan de verplaatste personen".

In Zambia, sneert Monbiot "geeft het DFID amper 700.000 pond (1,01 miljoen euro) uit om de voedselvoorziening te verbeteren, maar het spendeert 56 miljoen pond (81,2 miljoen euro) aan privatisering van de kopermijnen. En in Ghana wil het DFID alleen betalen voor verbetering van de watervoorziening als het systeem gedeeltelijk wordt geprivatiseerd. "Hulp van Groot-Brittannië betekent nu dat de middelen die de armen in leven houden aan de rijken worden gegeven", besluit Monbiot.

Labour of Conservatief, alletwee neoliberaal

Vorig jaar heeft de Labourregering 7,6 miljoen pond buitenlandse hulp gegeven aan het Adam Smith Institute in Londen, een uiterst-rechtse denktank die door het DFID is ingehuurd als adviseur. "De doelstelling van het Institute is voor grote bedrijven nieuwe manieren bedenken waarmee die zich meester kunnen maken van middelen die tot het publieke domein behoren", schrijft Monbiot. Het Institute, geleid door Madsen Pirie, voormalig persoonlijk adviseur van de Conservatieven Margaret Thatcher en John Major, heeft al heel wat op zijn actief: "Het overtuigde de Conservatieve regering ervan de spoorwegen te verkopen, de bussen te dereguleren, de poll tax in te voeren, de hoogste inkomens minder te belasten, lokale overheidsdiensten uit te besteden, en een begin te maken met de gedeeltelijke privatisering van de National Health Service en het onderwijssysteem. Vanuit dezelfde mentaliteit roept het Institute nu op tot privatisering van de sociale zekerheid, de ontmanteling van de NHS en een verschuiving van openbaar naar privé-onderwijs. Het verzet zich met andere woorden tegen alle regeringsuitgaven, behalve voor het Adam Smith Institute," sneert Monbiot.

Oude liefdadigheid

In zijn analyse in The Guardian benadrukt de publicist dat de gang van zaken een heropleving betekent van de oude Britse traditie van liefdadigheid. "Tijdens de Ierse aardappel-hongersnood (in de 19de eeuw) stelde de Britse regering aan de hongerlijdenden hulp ter beschikking, maar alleen als die instemden met het afstaan van hun recht op hun land", zodat Ierland werd opengesteld voor de grootgrondbezitters. "Vandaag helpt de regering de grote concerns niet alleen land van de armen te grijpen, maar ook het water, de nutsvoorzieningen, de mijnen, de scholen, de gezondheidsdiensten en al wat die nog als winstgevend kunnen beschouwen. En U en ik betalen daarvoor".

(Uitpers, nr. 50, 5de jg., februari 2004)

The Guardian 6 januari 2004

Op het net: www.monbiot.com

Visited 6 Times, 1 Visit today

Tags :