Brits kolonialisme speelt Irak nog altijd parten

De Amerikanen hebben al mooie plannen opgesteld om Irak, als eenheidsstaat in zijn huidige vorm, te besturen. Het zou hen geen kwaad doen als ze het Britse koloniale verleden zouden bestuderen. Dat ligt aan de bron van een reeks problemen die Irak nog altijd teisteren en waarmee de Amerikanen onvermijdelijk zullen te kampen krijgen.(1)

Vooreerst dit: Irak is een nieuwe staat, opgericht door de Britten in 1920. Voorheen heeft er nooit een staat Irak bestaan. De benaming is een Arabische geografische benaming voor de zuidelijke helft van wat nu Irak is. Hij betekent waarschijnlijk "veel bomen", een verwijzing naar de miljoenen dadelpalmen in het zuiden van het land. Het noordelijke deel kreeg de naam "Al-Jazira" van de Arabische geografen. Wat "eiland" betekent, omdat dit gebied tussen twee stromen, Tigris en Eufraat ligt.

Irak is een nieuwe creatie, een kunstmatige schepping, samengesteld uit de drie Ottomaanse provincies van het Ottomaanse rijk dat ze in de 16de eeuw veroverde: Mossoel, Bagdad en Basra. Koeweit maakte deel uit van die laatste provincie, maar kon zich via een akkoord met de Britten in 1899 losmaken van het Ottomaanse gezag. Ook dat is een probleem dat nog nawerkt. In 1961 verzette Irak zich tegen de onafhankelijkheid van Koeweit van de Britten. Bagdad erkende die onafhankelijkheid in 1963, maar bezette het emiraat in augustus 1991, om er door een internationale coalitie onder Amerikaanse leiding te worden uit verdreven. De sancties, die vandaag nog altijd hun zware bloedtol eisen, en de eis tot ontwapening zijn een gevolg van die bezetting.

De Britten waren geïnteresseerd in de Golf omwille van de (handels)route naar India. En omwille van de olie in Zuid-Iran – de ontdekking en ontginning van die van Koeweit en Irak zou pas later volgen. Het is om die Iraanse olie, waarvan de Britse Navy meer en meer afhankelijk werd, dat de Britten in 1914, na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, besloten (een deel van) de provincie Basra te bezetten.

Vanuit Basra rukten legereenheden, omdat het zo gemakkelijk ging, verder op in de richting van Bagdad. Daar liep het goed fout: de Britten werden bij Ctesiphon, in de buurt van de Iraakse hoofdstad, verslagen door het Ottomaans leger. Ze moesten zich terugtrekken naar de stad Kut al-Amara en zich daar na vijf maanden belegering overgeven aan de Turken omdat hulpexpedities er niet in slaagden de Ottomaanse belegeraars te verjagen.

Pas in maart 1917 wisten de Britten met veel moeite Bagdad in te nemen. In 1918 bereikten ze Kirkoek, maar het grootste deel van de provincie Mossoel, met inbegrip van de stad Mossoel, bezetten ze pas ná het wapenbestand van Moudros van 30 oktober 1918 met het Ottomaanse rijk. Alhoewel Turkije in 1925 uiteindelijk dit verlies erkende, is dit feit nog altijd de basis voor de Turkse aanspraken op Noord-Irak. Zowel de Britse bezetting als de Turkse aanspraken hebben uiteraard heel veel te maken met de olie, waarvan de aanwezigheid de Britten destijds niet onbekend was. Om de Koerden in de provincie Mossoel gunstig te stemmen beloofden de Britten hen culturele rechten en autonomie – die belofte vormt nog altijd de basis voor het dispuut over de Koerdische rechten in Irak.

Een heterocliete staat

De Britten besloten de drie provincies tot een nieuwe staat te bundelen. In 1920 kregen ze er het mandaat van de Volkerenbond over – kolonialisme was toen al een vies woord. Maar ze hadden drie sterk verschillende provincies samengebracht. De provincie Mossoel is voor het grootste deel Koerdisch, maar telt ook vele Arabieren en daarnaast nog Turkmenen, die door de Ottomanen werden aangevoerd om een buffer te vormen tussen Koerden en Arabieren. Die Turkstalige Turkmenen zijn een tweede grond voor Turkije om aanspraak te maken op Noord-Irak. De provincie Bagdad is grotendeels Arabisch en soennitisch. De provincie Basra is ook Arabisch maar de inwoners hangen de sjiitische islam aan.

Al die groepen zagen de toekomst anders in. De Arabische soennieten, en ook een aantal sjiieten, waren Arabische nationalisten die de onmiddellijke onafhankelijkheid van de nieuwe staat opeisten. In mei 1920 vielen ze met een legertje vanuit Syrië Irak binnen, maar de Britten hadden er weinig moeite mee om dat uit te schakelen, vooral omdat een geplande opstand in Mossoel niet plaats vond. Koerden en sjiieten vonden dat het Ottomaanse gezag niet door Brits gezag kon worden vervangen en kwamen op voor onafhankelijkheid van hun gebieden. In mei 1919 riep sjeik Mahmoed Barzinji, een Koerdische leider in het gebied van Soeleimania, de Koerdische onafhankelijkheid uit. Wat hem in de gevangenis deed belanden. Na zijn vrijlating nam hij in 1922 opnieuw de wapens op omdat hij de door de Britten beloofde autonomie onvoldoende vond. Hij riep zichzelf ook uit tot koning om zijn minachting te tonen voor de hasjemiet Feisal uit Mekka die inmiddels door de Britten in Bagdad op de troon was gezet. In 1920 was er een belangrijke sjiitische opstand in het zuiden, naast enkele soennitische revoltes.

De Britten gebruikten hun luchtmacht om opstandige dorpen, sjiitische en Koerdische, van de kaart te vegen en ook onschuldige burgers om het leven te brengen, wat Winston Churchill in verlegenheid bracht.(2) Maar de luchtmacht gooide niet alleen bommen. Ze gebruikte ook gifgas tegen de sjiieten en wellicht ook tegen de Koerden, maar dat is niet bewezen. Churchill, die tijdens de Eerste Wereldoorlog campagne had gevoerd tegen de Duitse "barbaren" omdat die strijdgassen inzetten aan de IJzer, had daar geen probleem mee. Volgens hem was het gebruik tegen "barbaarse stammen" gerechtvaardigd.

Indirect bestuur

Inmiddels had de strekking het gehaald die indirect bestuur in Irak voorstond op de aanhangers van direct Brits bestuur. Dat laatste zou immers te duur zijn voor de Britse schatkist. Er diende dus een lokaal bestuur uit de grond gestampt, dat niet alleen Irak zou beheren, maar dat vooral loyaal zou zijn aan de Britten. Op een Britse conferentie in Kairo in maart 1921 wordt besloten Feisal, de zoon van sherif Hoessein van Mekka, koning van Irak te maken . Daarmee werd de sherif-familie beloond voor de opstand tegen de Ottomanen op instigatie van Londen.

De ambtenaren worden gerekruteerd onder de voormalige Ottomaanse ambtenaren. Deze zijn bijna allemaal Arabische soennieten omdat sjiieten onder de soennitische Ottomanen uitgesloten waren van staatsambten én omdat de sjiieten altijd een staatsvijandige houding hebben aangenomen (tot ayatollah Khomeini in Iran dat veranderde en besloot dat een islamitische staat door de clerus moet worden geleid en gecontroleerd). De Koerden kwamen door hun mindere ontwikkeling niet in aanmerking. Daarmee werd het bestuur van Irak geconcentreerd in soennitisch-Arabische handen, zoals het de dag van vandaag nog steeds het geval is.

Om die ruggengraat te ondersteunen werd er bewust een elite gecreëerd die haar status dankte aan de Britten en hen dus onvoorwaardelijk trouw zou zijn. Stamchefs kregen plots van de Britten de tribale gronden, die eigendom van de hele stam waren, als privé-bezit in handen gestopt. Tot grote woede van hun "onderdanen". Na de revolutie van 1958, waarbij de monarchie werd omvergeworpen, verloren vele van die chefs hun grootgrondbezit. Maar er zijn nog steeds disputen en vetes over het eigendomsrecht. Het gezag van de stamleiders werd nog verder versterkt door hen onder meer ook tot rechter over geschillen in hun gemeenschap te benoemen. In ruil moesten ze wel "vuile" karweien opknappen zoals het innen van belastingen voor de Britten én vooral zorgen dat hun "onderdanen" zich koest hielden.

Van invoering van democratie en van minderheidsrechten was geen sprake. Het systeem was uiterst autoritair. Dat bleef ook zo toen Irak in 1932 officieel onafhankelijk werd om tegemoet te komen aan de druk van de nationalisten. In werkelijkheid bleef Groot-Brittannië aan de touwtjes trekken en als de Irakezen niet wilden luisteren kwam het militair tussenbeide. Zij hadden hun zetbaas ter plaatse: Noeri Saïd, een officier uit het Ottomaanse leger van half Koerdische afkomst die van 1932 tot 1958 de Iraakse politiek domineerde en alles deed wat de Britten hem vroegen. Geen wonder dat hij bij de revolutie in 1958, toen hij in vrouwenkleren vermomd probeerde te vluchten, in de straten van Bagdad door een woedende menigte letterlijk in duizend stukken werd gescheurd.

Saddam Hoessein, erfgenaam van de Britten

De revolutie van 1958 zorgde ervoor dat de Britten hun gezag kwijt geraakten, maar het door hen opgelegde bestuurssysteem bleef intact. In plaats van een koning kwam er een soennitische president en zijn elite, die het telkens weer opnieuw aan de stok kregen met de onderdrukte Koerden en sjiieten. "Saddam Hoessein is de directe erfgenaam van deze regeringsstructuren", schreef Charles Tripp(3). Men kan er aan toevoegen: niet alleen van de structuren, maar ook van de door de Britten ingevoerde methoden: onderdrukking van elke oppositie en verzet – tot en met gifgas toe. Als de Britse premier Tony Blair de omverwerping van Saddam Hoessein bepleit op "morele gronden" is dit tegelijkertijd een striemende veroordeling van de Britse staatslieden van destijds. Een Brits excuus aan de Irakezen voor de "fouten" van het verleden zou meer dan gepast zijn, maar Blair geeft de voorkeur aan medewerking aan genocide op de Iraakse bevolking.

(Ook de Turken hebben gifgas gebruikt in hun oorlog tegen de Koerden. In 1999 werd één van de aanvallen uiterst goed gedocumenteerd, maar alle leiders van de NAVO-lidstaten hebben de lippen stijf op elkaar gehouden. Wellicht denken ze, in de lijn van Churchill, dat het gebruik van gifgas tegen "terroristen" – wat de Koerden in Turkije voor hen zijn – gerechtvaardigd is).

Irak is in meer groepen verdeeld dat hierboven beschreven. En de diverse groepen zijn altijd onderling sterk verdeeld geweest. Een mooi voorbeeld is de verdeeldheid van de Koerden tussen aanhangers van Massoed Barzani en van Jalal Talabani, die er niet in slaagden hun persoonlijke ruzies te overstijgen om van het sedert 1991 feitelijk autonome Koerdistan een democratie te maken, die als voorbeeld zou kunnen dienen voor heel Irak.

Verdeeldheid is nog altijd troef onder de oppositie. Vandaar dat de Amerikanen denken dat het beter is dat zij het bestuur voorlopig moeten overnemen om op termijn hun vriend, Ahmed Chalabi van het Iraaks Nationaal Congres, als een nieuwe Noeri Saïd in Bagdad te laten regeren over een unitair Irak, met medewerking van het grootste deel van het huidige Arabisch-soennitische staatsapparaat. Niet alleen Saddam Hoessein, ook de Amerikanen zijn erfgenamen van de Britten.

Het is een recept voor een herhaling van de geschiedenis. De Amerikanen zullen zich al snel gedwongen zien geweld te gebruiken tegen opposanten die niet van plan zijn het juk van Saddam Hoessein te laten vervangen door een Amerikaans juk. De Koerden en de sjiitische milities staan al klaar, naast Turkmeense, christelijke en die van de fundamentalistische Ansar al-Islam (Volgelingen van de Islam). En nu dreigt er niet alleen gevaar van de Irakezen alleen, maar ook van de buren. Turkije, formeel een Amerikaanse bondgenoot, staat klaar om Irak een paar honderd km diep binnen te dringen. Wat op verzet van Iran zal stuiten. Kortom, het dreigen "boeiende" tijden te worden als de Amerikanen ten oorlog trekken en gaan proberen Irak naar hun hand te zetten.

(Uitpers, nr. 39, 4de jg., maart 2003)

Noten

(1) Zie hierover ook Charles Tripp, Leçons d’une histoire coloniale oubliée, in : Le Monde Diplomatique, januari 2003, blz. 14-15.

(2) Zie : Mésopotamie, 1920. Churchill étaot choqué, in Le Monde Diplomatique, januari 2003, blz. 15.

(3) Zie noot 1.

Deel dit artikel

Visited 141 Times, 1 Visit today

Tags :
Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook