Brazilië : corruptie is gevolg van regeringspolitiek

De Arbeiderspartij (PT) van Brazilië kent haar grootste crisis in 25 jaar. Ze brengt op brutale wijze de verandering van de partij aan het licht, een verandering die te maken heeft met haar groeiende institutionalisering. Maar die crisis is geen stimulans voor een wending in de regeringspolitiek.

Het is niet nieuw dat een partij die de gesalarieerden organiseert en vertegenwoordigt in haar leidende kringen een mutatie en een sociale en politieke verandering ondergaat. Dit is ook het geval met de Arbeiderspartij van Brazilië. Als men de feiten analyseert, blijkt dat dit proces al een aanvang nam in 1994.

Het is evenmin exceptioneel dat de leiders van een dergelijke partij, die een genetische verandering heeft ondergaan, zich – in het bijzonder als er verkiezingen in het zicht komen – blijven beroepen op hun oud programma. Een recent verschenen boek van de journalist Carlos Laranjeira, getiteld De woorden van Lula & Cie, is daar een goede illustratie van.

Aan het tijdschrift Caros Amigos (november 2000) verklaarde Lula: “De bankiers moeten bang zijn van de PT. Het is niet normaal in dit land dat de banken verdienen wat ze binnenrijven”. In oktober 2002, op het moment van de verkiezingen, zei Lula aan het Diario do Grande ABC (een dagblad in de industriële regio, waar de PT het licht zag): “We kunnen niet, we willen niet en we moeten niet de buitenlandse schuld betalen”. Maar Lula en zijn regeringsploeg hadden al in juni 2002 een schriftelijke en ondertekende verbintenis aangegaan, waarin ze verklaarden dat ze de eisen van het Internationaal Muntfonds (IMF) zouden eerbiedigen. Onder die eisen: een overschot op het budget om de interesten op de schulden te betalen.

Het corruptieschandaal, of juister de corruptieschandalen, die de regering van Lula nu treffen, hebben tot een enorme crisis zonder voorgaande geleid. Maar die crisis moet in een breder kader worden gezien.

De breuk van de bestuurskern van de PT en van de regering Lula met het historische programma van de PT is nu overduidelijk. Dat blijkt uit de vermenigvuldiging van de allianties met politieke krachten die de historische sleutelsectoren van de Braziliaanse burgerij vertegenwoordigen. Het kopen van stemmen via maandelijkse geldstortingen aan leden van diverse partijen – dit is de laatste beschuldiging van Rorberto Jefferson, oud-voorzitter van de Travaillistische Partij van Brazlië (PTB) – is maar de concretisering van het spel van de politieke allianties in de corrupte sfeer van de Braziliaanse institutionele politiek.

Die allianties verraden een politiek-economische keuze ten gunste van de grote burgerij en haar financiële sector. Dat men zich onderwerpt aan de richtlijnen van het IMF is het gevolg van de keuze die is gemaakt voor een alliantie met een fractie van de dominerende klasse. Er is dan ook een voortzetting van de vroeger zo door de PT aan de kaak gestelde politiek van de regering van Fernando Henrique Cardoso door de regering Lula.

De aanvallen van de leiders van de zgn. oppositie, de Sociaal-Democratische Partij van Brazilië (PSDB) van oud-president Cardoso en van de Partij van het Liberaal Front (PFL) – kunnen niet verhullen dat ze het fundamenteel eens zijn met de sociaal-economische opties van de regering. Wat ze ook herhaaldelijk hebben gezegd.

In de grond is er een samenloop van belangen tussen de regeringspolitiek en de burgerlijke sectoren. Vandaar ook dat er weerstand is tegen een operatie om Lula af te zetten, alhoewel de omvang van de corruptie even ernstig lijkt als die ten tijde van president Fernando Collor(1). De burgerlijke partijen zijn er zich heel goed van bewust dat een poging tot afzetting van Lula hem weer sterke steun van het volk zou kunnen opleveren omdat hij dan het doelwit van een machtsgreep van traditioneel rechts zou lijken te zijn. Ook is er momenteel geen partij die sterk genoeg is om een afzettingscampagne te leiden zoals de PT dat destijds kon tegen Collor.

De degeneratie van de PT blijkt ook uit het verzet van de hoofdverantwoordelijken van de partij, zoals schatbewaarder Delubio Soares en Silvio Pereira, tegen de vraag om ontslag te nemen. Een ontslag dat Lula zou willen gebruiken om een knelverband aan te leggen en zo het doodbloeden van de partij te vermijden. Volgens verschillende bronnen hebben genoemde twee leiders bevestigd dat ze niet bereid waren, “ter verdediging van de partij”, de prijs te betalen voor beslissingen die collectief genomen werden. Het gaat hier niet alleen om de storting van maandelijkse “vergoedingen”, maar ook om het uitdelen van miljoenen reals aan volksvertegenwoordigers van de oppositie om ze te doen overlopen naar het regeringskamp. Een praktijk die geen nieuwigheid is in Brazilië.

Niettemin deed de PT zich voor als een “ethische” partij, die ver stond van zulke praktijken. Vandaar de onthutsing van de linkse, met de katholieke kerk verbonden vleugel van de partij, die zich ook al heel kritisch had opgesteld tegenover de zeer beperkte uitvoering van de landbouwhervorming. Ook in de Eenheidscentrale van de Arbeiders (CUT) is een zeer sterke oppositie naar voren getreden, zodat het niet meer mogelijk is de vakbond te gebruiken om de verontwaardiging en de malaise in de brede volkslagen te kalmeren, die juist grote hoop hadden gesteld in de PT en in de regering Lula.

Het “meerderheidskamp” binnen de PT gaat in de tegenaanval met het argument van de “realpolitiek”. Het wijst erop dat de PT maar 91 volksvergegenwoordigers heeft op 513 en dat ze dus, met een soort cliëntelisme, haar allianties moest verbreden, zoals dat het geval was met de PTB van Jefferson. De rechtse politieke formaties gingen daar gretig op in omdat hun overleving in zeer grote mate afhangt van wat ze kunnen puren uit hun banden met het staatsapparaat. En dat doet de chantagedynamiek maar groeien als er moet worden gestemd.

Volgens een onderzoek van de Folha de Sao Paulo meent 65% van de sympathisanten van de PT dar er corruptie is in de regering en 77% denkt dat Lula medeverantwoordelijk is voor die corruptie.

In de PT, die niet alleen federale en presidentsverkiezingen te wachten staat in oktober 2006, maar ook verkiezingen in de staten, menen sommigen dat dit alles de te betalen prijs is als men wil regeren. Hieruit blijkt de verandering van de PT, die te maken heeft met de toenemende institutionalisering en met de plaats die verkozen leden verworven hebben of die anderen hopen te verwerven.

De crisis in de PT zal geen stimulans voor een ommekeer in de regeringspolitiek zijn. De linkse oppositie in de PT laat zich wel luider horen. Zij draagt de kandidatuur voor het leiderschap voor van Plinio Sampaio Arruda(2), een figuur die symbool staat voor eerlijkheid en die banden heeft met de groepen die een radicalere landbouwhervorming willen. Anderen wachten op deze interne partijverkiezingen om dan de PT te verlaten en zich aan te sluiten bij de Partij voor Socialisme en Vrijheid (P-SOL)(3), waarvan senatrice Heloisa Helena(4), in 2006 één van de kandidaten voor het presidentschap zal zijn.

Ondertussen ziet het er naar uit dat de regering nog verder het rechtse pad op zal gaan. De economist Paulo Nogueira Batista Jr. vat in de Folha de Sao Paulo (16 juni 2005), goed de redenen daarvoor samen: “Normalerwijze verzwakt een politieke crisis niet alleen een regering, maar ook haar economische politiek. Maar dat gaat nu niet gebeuren. En dit om deze eenvoudige reden: Lula heeft geen controle over de economische politiek.” Deze economist toonde zich zeer gematigd tegenover de regering Lula. Maar hij heeft zijn geduld verloren en erkent nu de feiten.

(Uitpers, nr. 68, 7de jg., oktober 2005)

Bron: Réseau d’information & de solidarité avec l’Amérique latine (RISAL)

http://risal.collectifs.net

Voetnoten

(1) Fernando Collor was president van Brazilië ven 1990 tot 1992. Hij kreeg te maken met corruptie-affaires en werd verplicht ontslag te nemen op 29 december 1992.
(2) Voor artikelen van Plinio Sampaio Arruda, zie de website van RISAL op dit adres:
www.risal.collectifs.net/auteur.php3?id_auteur=557.
(3) De Partij voor Socialisme en Vrijheid (P-SOL), werd opgericht door dissidenten van de PT en van de Socialistische Partij van de Verenigde Arbeiders (PSTU). Zie hierover: Brésil: quelle alternative politique au gouvernement Lula?, RISAL, september 2004.
(4) Lees het artikel van Béatrice Withaker, Entretien avec Heloisa Helena, RISAl, mei 2004.

Visited 10 Times, 1 Visit today

Tags :
Over