Bouffer du bougnoul (Parijs, 17 oktober 1961)

Soms brengt een incident onderhuidse, maar fundamentele maatschappelijke processen aan het licht: de reacties daarop fungeren dan als barometer van sociale fenomenen waarvan men het bestaan amper vermoedde.

Dat was het geval in de lente en herfst van 2002, toen de politieke klasse, de massapers en extreem-rechtse krachten in de politie- en inlichtingendiensten de handen in mekaar sloegen om de opkomst van de Arabisch-Europese Liga van Abou Jahjah (gesymboliseerd in een pro-Palestijnse betoging en burgerpatrouilles) met een demoniserings- en criminaliseringscampagne te stoppen.

Deze hysterie legde een fundamentele tendens bloot: de Vlaamse ideologische onderstroom (en, bij uitbreiding, die van België en Europa) is doordesemd van xenofobie, etnocentrisme en monoculturalisme, en moslims hebben als moslims in onze samenleving geen plaats.(1)

Zo’n revelerend moment, maar dan honderdvoudig uitvergroot, deed zich ook voor in de Franse hoofdstad, toen op 17 oktober 1961 de politie een slachting organiseerde onder vreedzame Algerijnse betogers. Die dag waren duizenden Algerijnse migranten vanuit de bidonvilles naar het stadscentrum afgezakt om er te demonstreren voor de onafhankelijkheid van Algerije, toen nog een Franse kolonie, en tegen het uitgaansverbod dat de politieprefect van Parijs had opgelegd aan de 150.000 moslims die in de Parijse regio leefden. Die avond in de straten van Parijs, en de dagen nadien in de detentiekampen, werden enkele honderden Algerijnen vermoord. Vandaag staan we nog steeds perplex over de ongemeen harde repressie van de politie en de brutale ‘dekking’ ervan door de politieke wereld. Maar even verbazingwekkend is het feit dat tot vandaag, 43 jaar na de feiten, Frankrijk er maar niet in slaagt met deze zaak in het reine te komen. Enkele kanttekeningen bij een trieste verjaardag.

De context

Medio 1961, enkele maanden voor het bloedbad, was het voor alle waarnemers duidelijk dat Algerije op korte termijn het koloniale juk zou afwerpen. Al zeven jaar gooide Parijs honderdduizenden Franse soldaten in de strijd om de Algerijnse bevrijdingsbeweging FLN te verslaan, maar de opmars van de nationalisten leek onstuitbaar. Op 21 mei 1961 had de Franse regering onderhandelingen met het FLN geopend, en over de afloop bestond geen twijfel: de onafhankelijkheid van Algerije lag in het verschiet. Nochtans zou uitgerekend in die periode het geweld in de metropool zelf ongeziene afmetingen aannemen – ten gevolge van zware fouten van het FLN zelf, maar ook en vooral van de wil van Parijs om het zegevierende FLN en zijn machtsbasis in Frankrijk zelf voor immer kort te knippen, en van extreem-rechtse krachten in politie en leger die tijdens de aanslepende anti-koloniale oorlog van de elite de ruimte hadden gekregen om Algerijnse nationalisten met alle middelen straffeloos te bestrijden.

Een sleutelfiguur van het Parijse drama was zo’n extreem-rechtse politiechef die tijdens de Algerijns-Franse oorlog naar een sleutelpost was gekatapulteerd. Maurice Papon (°1910), de politieprefect van Parijs, was onder het Vichy-regime, tijdens de nazi-bezetting van Frankrijk, verantwoordelijk voor de repressie en deportatie van joden in de Gironde. Na de oorlog zette hij zijn carrière als topambtenaar verder: prefect van Corsica en van 1956 tot 1958 prefect van Constantine, in bezet Algerije. In 1958 was hij benoemd tot de nummer 1 van de Parijse politie. Die promotie was geen toeval: bekend en berucht voor de ijzeren hand waarmee hij Oost-Algerije terroriseerde, inclusief martelingen en standrechtelijke executies, was zijn aanstelling het logische gevolg van de eis van de politie van de metropool om een ‘efficiënte’ chef aan te stellen. Het Algerijnse FLN had immers een grote greep op de Algerijnse gastarbeiders in Parijs, en sinds het uitbreken van de onafhankelijkheidsoorlog (1954) was de politisering van haar achterban in de metropool sterk toegenomen. Papon moest de opmars van het FLN in Frankrijk stoppen, en dat probeerde hij ook. In 1958 beantwoordde hij een campagne van aanslagen van het FLN op Franse bodem met willekeurige massa-arrestaties van Franse Algerijnen. Verder richtte hij de Aanvullende Politiemacht op, samengesteld uit 220 Algerijnse collaborateurs (‘harki’s’) die zich te buiten gingen aan terreuroperaties in de Algerijnse wijken van Parijs, tot en met martelingen en verdwijningen van (vermeende) FLN-militanten (geen enkele klacht leidde tot een veroordeling). Papon richtte ook het Identificatiecentrum van Vincennes op, waar verdachte Noord-Afrikanen op simpel administratief bevel werden opgesloten. Nog steeds in 1958 vaardigde hij zelfs de avondklok uit voor Noord-Afrikanen, maar een massaal opgevolgde boycotactie van FLN-Frankrijk brak het initatief dat uiteindelijk in de vergetelheid geraakte.(2)

Eind augustus 1961, toen de onderhandelingen met het FLN stillagen omdat de Franse president Charles de Gaulle de soevereiniteit van Algerije over de Sahara betwistte, besloot Parijs de druk op te voeren. Op voorstel van premier Michel Debré, een advocaat van l’Algérie française, stuurde de president zijn minister van Justitie Edmond Michelet, een voorstander van onderhandelingen met het FLN, de laan uit. De haviken hadden het signaal goed begrepen, temeer omdat de fascistische OAS (Organisation de l’armée secrète) van koloniale diehards in die periode al zes weken ongestraft zijn aanslagenritme opvoerde en de politionele huiszoekingen, aanhoudingen en gewelddaden tegen Franse Algerijnen toenamen. Het FLN, dat zich in die periode van aanslagen in de metropool had onthouden, besloot daarop om een nieuwe terreurcampagne tegen de politie te beginnen. Tussen eind augustus en begin oktober 1961 werden 11 politiemannen gedood en 17 gewond. Het geweld van het FLN werd prompt beantwoord. Politievakbonden eisten een nieuw uitgaansverbod voor Noord-Afrikanen en de uitvoering van de doodstraf. Politiemannen namen binnen en buiten de diensturen het recht in eigen handen. Massa-arrestaties en verdwijningen namen toe. Medio september meldde politiechef Papon in een nota dat gewapende FLN-militanten ‘die een misdaad plegen ter plekke moeten worden afgemaakt door de ordediensten.’ En om er geen twijfel te laten over bestaan dat het licht op groen was gezet voor preventieve moorden, liet hij in politiemilieus het gerucht circuleren dat agenten die als eerste schieten ‘worden gedekt’. Op 2 oktober sprak Papon aan het graf van een vermoorde agent zijn manschappen toe: ‘Voor elke slag die we krijgen, zullen we er tien uitdelen.’

Op 7 oktober vaardigde Papon een nachtelijk uitgaansverbod uit voor moslims (‘pour les Français musulmans algériens’). Geen enkele Franse organisatie of partij van betekenis protesteerde tegen deze racistische maatregel. Het FLN veranderde daarop van strategie: in een omzendbrief van 10 oktober werd het einde van de campagne van aanslagen in Frankrijk afgekondigd. De aanpak van militaire confrontatie werd ingeruild voor een politieke benadering, gericht op het winnen van de steun van de Franse publieke opinie. Het FLN besloot om het uitgaansverbod met een vreedzame massabijeenkomst te boycotten en uit te hollen, in de lijn van wat tegen het uitgaansverbod van 1958 met succes was uitgeprobeerd, en geïnspireerd door de massabetogingen in Algiers van december 1960 die hadden geholpen om in de kolonie zelf de politieke krachtsverhoudingen ten voordele van de nationalisten te doen kantelen. FLN-Frankrijk riep op in Parijs met de gehele familie te betogen, en vooral om op geen enkele provocatie of gewelddaad te reageren: het moest een ‘waardige en vreedzame’ betoging worden. Militanten van het FLN fouilleerden de betogers, om er zeker van te zijn dat niemand iets bij zich had dat als een wapen kon worden gebruikt.

De vreedzame bedoelingen van de betogers waren echter van geen tel voor de overheid. Constantin Melchik, rechterhand van premier Michel Debré en verantwoordelijk voor politie- en inlichtingenzaken, beschouwde de manifestatie als ‘een oorlogsdaad’ die als dusdanig moest worden beantwoord. Debré zelf schreef later in zijn memoires dat zijn beleid erop was gericht ‘het apparaat’ van het FLN in Frankrijk te vernietigen. De dogs of war waren losgelaten, en de hoogste autoriteiten waren niet van plan het momentum voorbij te laten gaan om de krachtsverhoudingen duurzaam in hun voordeel te wijzigen en de aspiraties van Franse moslims om een zelfstandige politieke rol in Frankrijk te spelen in de kiem te smoren. Politiechef Michel Papon had geen verdere aansporingen nodig.

De Algerijnenmoord

Parijs, 17 oktober. Toen de betogers die avond samentroepten, regende het hevig. Ze waren met 20 tot 25.000, en ze stapten op, veelal in stilte, soms de slogan ‘Vive l’Algérie’ skanderend, en zonder borden of spandoeken. Maurice Papon stuurde 8.400 agenten en oproerpolitie de straat op om de manifestatie de kop in te slaan. De repressie was verschrikkelijk. Charges werden afgewisseld met salvo’s mitrailleurvuur. Politiewagens reden in op manifestanten, waarvan een onbekend aantal werd verpletterd. In de ganse stad werd jacht gemaakt op betogers en op iedereen met een donkere huid. Onder de agenten deden valse berichten de ronde: betogers zouden agenten hebben neergeschoten. Papon en zijn officieren waren in het commandocentrum op de hoogte van die radioberichten, maar ze lieten betijen (en zo de gemoederen verhitten). Naarmate de uren verstreken, werd het optreden van de agenten en de CRS alsmaar moorddadiger. Het was, zoals sommige agenten stelden, een ideale avond voor een potje bouffer du bougnoul of casser du raton. Bewusteloos geslagen Algerijnen, sommigen met schotwonden, werden in de Seine gegooid. Ook ter plekke geëxecuteerde betogers werden in de stroom gesmeten. Een journalist (Jacques Derogy) telde 12 lijken op de stoep van de boulevard Bonne-Nouvelle. Betogers en eenieder met een donkere huid waarop men de hand kon leggen, werden met opgeëiste autobussen overgebracht naar politiecommissariaten en twee grote stadia.

Volgens de politie zelf werden die avond 9.260 Algerijnen (en andere Noord-Afrikanen) opgepakt. Honderden ‘agitatoren’ werden binnen de 48 uur op een vliegtuig gezet en uitgewezen naar Algerije (waar de zachte genade van de koloniale autoriteiten en de OAS hen opwachtte). De achterblijvers waren er niet beter aan toe. In de stadia werd gemarteld, en getuigen zagen lijken liggen. (Een seminarist zag 9 opeengestapelde lijken in een achterkamertje van het Palais des Sports.) In een mededeling meldde de politie achteraf dat er die avond welgeteld twee doden waren gevallen, tijdens ongeregeldheden waarbij politie en betogers schoten zouden hebben uitgewisseld (hoewel geen enkele agent een kogelwonde had opgelopen) De autoriteiten hulden zich in stilzwijgen, op een lakoniek bilan van Maurice Papon na: ‘De politie van Parijs heeft gewoon gedaan wat ze moest doen.’ Volgens hem waren de doden slachtoffers van het FLN zelf. Pogingen om een parlementair onderzoek op te starten, werden door de regering afgeblokt. Pas dertig jaar later kon een onafhankelijk onderzoeker de waarheid bij benadering achterhalen, op basis van overlijdensregisters van de Parijse kerkhoven en interviews met betrokkenen: de ordediensten vermoordden die avond en de dagen nadien tussen 200 en 250 Noord-Afrikanen.(3)

Amnesie

Retrospectief bekeken choqueren de razernij en de bestialiteit van de politiediensten, maar verbazen doen ze niet echt. Ze gedijden in een cultuur van autoritarisme en straffeloosheid voor misdaden tegenover Algerijnse nationalisten, waren zwaar geïnfiltreerd door extreem-rechts, in de ban van angst, frustratie en woede wegens de aanslagen van het FLN, en werden openlijk gesteund door hun politieke en hiërarchische chefs. Wat echter meer verbaast, is het onvermogen van Frankrijk om de misdaad te verwerken.

De overheid deed verwoede pogingen om de herinnering aan haar misdaad uit te wissen. Een tijdschrift dat een boekje opendeed over de massamoord werd geconfisqueerd. Enkele duizenden studenten organiseerden een protestbijeenkomst, maar de politie verbood nieuwe manifestaties. Jacques Panijel, die de dramatische gebeurtenissen op straat zelf zag, maakte een film over de zaak, maar zijn prent werd in beslag genomen. Zijn Octobre à Paris zou pas in mei 1968 voor het eerst in een Parijse zaal worden vertoond. Een ploeg van de Belgische RTBF draaide begin 1962 een reportage over het drama (‘Les Algériens à Paris’, voor het magazine ‘9 Millions’) en slaagde erin de beelden Frankrijk uit te smokkelen, maar de chef van de omroep, Robert Wangermée, besloot haar niet uit te zenden. Toch verklaren repressie en censuur niet alles van de amnesie die al snel haar intrede zou doen. Tienduizenden waren als slachtoffer, dader of getuige een betrokken partij, en dankzij de initiële berichten erover in de pers ontbrak het niet aan feitenkennis. De Franse media speelden niet echt open kaart en grondige onderzoekingen bleven uit, maar toch verschenen in de massapers in de dagen en weken na de slachting toch voldoende ontluisterende getuigenissen en ook enkele foto’s die een benaderend beeld opleverden van wat er was gebeurd. Dat was het geval in Libération, L’Humanité, France-Soir, L’Express, Le Monde, Paris-Match. Toch zou onder invloed van krachtige sociale factoren de vergetelheid de overhand halen: het geheugen van een samenleving is geen technisch, maar een hoogst politiek, ideologisch fenomeen.

De slachtoffers lieten hun stem niet horen. Decennialang zweeg de Algerijnse gemeenschap in Frankrijk over de moordpartij. Geterroriseerd door de gebeurtenissen en op zichzelf teruggegooid, zonder stevige politieke organisaties en geïsoleerd van de autochtone progressieve wereld, namen huiver en schaamte de plaats in van reflexie en veruitwendiging. Het taboe werd binnen de gemeenschap pas opgeheven in de jaren tachtig en negentig, door de kinderen van de slachtoffers.

Krachtig protest van de Franse samenleving bleef uit. De avond zelf had de Parijse bevolking eerder apathisch gereageerd op het politiegeweld waar het getuige van was. Nadien tekenden de progressieve partijen en de vakbonden wel formeel protest aan, maar daar bleef het bij. We raken hier aan een belangrijke reden voor het geheugenverlies. 17 oktober 1961 was méér dan een racistische politie-actie om migranten een lesje te leren en hen tot passiviteit te terroriseren. De massamoord was een indirecte, door politiehanden voltrokken collectieve ontlading van de gehele Franse samenleving – verbrokkeld, ontredderd en geëxciteerd na jaren van bloedige en uitzichtloze koloniale oorlog. De slachtpartij was ook de veruitwendiging van de xenofobe, imperialistische onderstroom in de Franse samenleving die botste op het hardnekkige verzet van het FLN dat zijn acties tot in de metropool had uitgebreid. 17 oktober 1961 verdween in de vergeetput waarin de gehele Guerre d’Algérie en alle misdaden ervan terechtkwamen: martelingen, moorden, detentiekampen (in die kampen in Algerije zelf kwamen 2 miljoen Algerijnen terecht)… De verscheurdheid tussen voor- en tegenstanders van de oorlog, passieve en actieve medeplichtigen, de frustraties en het lijden van Fransen die een prijs betaalden: de reconstructie van de eenheid van de Franse natie vereiste dat de oorzaken van de verdeeldheid in vergetelheid geraakten.

Bovendien zou een andere tragische gebeurtenis helpen om de herinnering aan 17 oktober 1961 uit te wissen. Op 8 februari 1962 werd een betoging van linkse partijen en vakbonden tegen de OAS met harde hand onderdrukt: de politie doodde 9 mensen, allen autochtone Fransen. 500.000 mensen namen deel aan de begrafenis van de slachtoffers. Vanaf dan zou deze misdaad in het collectieve geheugen van de Fransen gegrift blijven als het hoogtepunt van het moorddadige en zinloze achterhoedegevecht van koloniale en extreem-rechtse krachten tegen de onafwendbare onafhankelijkheid van Algerije. De toen erg machtige Franse communistische partij (PCF) speelde daarin een grote rol. De PCF nam een halfslachtige houding aan tegenover het kolonialisme: de partij stelde jarenlang dat de bevrijding van Algerije er pas kon komen als een democratisch regime in Parijs aan de macht was gekomen… De partij was niet vrij van Frans chauvinisme, en zou nadien de slachting van 1962 (op autochtone Fransen) en niet die van 1961 (op Algerijnen) in zijn propaganda naar voor schuiven als hét symbool van de antikolonialistische strijd in Frankrijk en het staatsgeweld ertegen. De Algerijnse slachtoffers van 1961 verdwenen zo helemaal uit beeld.

Flashbacks

De afgelopen decennia kwamen de gebeurtenissen af en toe eens ter sprake in de publieke opinie – niet als beredeneerde momenten van bezinning en herinnering, maar als flashbacks: ongecontroleerd, toevallig, oppervlakkig, perifeer.

Op 7 oktober 1980 betoogden 200.000 mensen tegen een antisemitische aanslag op een Parijse synagoge waarbij 4 mensen waren gedood. De afkeer over de misdaad was algemeen, en de betoging verenigde links en rechts, de overheid incluis. Op dat ogenblik was Giscard d’Estaing de Franse president en Maurice Papon… minister van Begroting. Roger Frey, die in 1961 als minister van Binnenlandse Zaken een parlementair onderzoek over de Algerijnenmoord had tegengehouden, was lid van de negenkoppige Staatsraad. Enkele journalisten van Libération verzetten zich tegen een selectief antiracisme, en herinnerden (in de krant van 17 oktober 1980) in enkele artikels aan een andere moordpartij; aan die van 1961. Op 17 oktober 1981 wijdde het journaal van Antenne 2 een reportage aan de gebeurtenissen van 1961. Maar daar bleef het bij. Een kort moment van openheid, nuttig en mogelijk zo kort nadat François Mitterrand en La Gauche aan de macht was gekomen, maar beperkt in tijd en diepgang? In elk geval was het veelbetekenend dat in dezelfde periode de kersverse president Mitterrand de generaals van de OAS in hun militaire graden reïntegreerde: een open boek over de Algerijnse oorlog zou er van officiële zijde zeker niet komen.

Jean-Luc Einaudi, een moedig onderzoeker, slaagde er toch min of meer in de ware toedracht over de moord te reconstrueren. Hij publiceerde in 1991 zijn boek La Bataille de Paris: een diepgaande studie, hoewel essentiële documenten zijn verdwenen en de toegang tot overheidsarchieven gesloten blijven. Het academische establishment van historici, traditiegetrouw zijn huik naar de wind hangend, bleef en blijft van het onderwerp af. Op één uitzondering na: Jean-Paul Brunet publiceerde in 1999 het boek met de veelbetekenende titel Police contre FLN. Het boek is er schijnbaar op gericht de elite enigszins uit de wind te zetten: de auteur houdt geen rekening met het feit dat veel archieven zijn vernietigd en Algerijnse getuigenissen komen niet aan bod. Hoewel Lionel Jospin (PS), die in 1997 premier werd, zich aanvankelijk had uitgesproken voor het doorbreken van de officiële stilte over de misdaden van de Franse kolonisator in Algerije (door hem bestempeld als ‘tragische gebeurtenissen’), liep hij in 2000 opnieuw in het gareel: niet de overheid moet schuld bekennen maar historici moeten zich bezighouden met wat volgens hem ‘een zoektocht naar waarheid’ moet zijn (tezelfdertijd hield hij als premier wél de archiefdeuren gesloten…).

Tot vandaag miskent de Franse overheid de Algerijnenmoord. Ze weigert om haar schuld voor de misdaad te erkennen en ruimte te creëren voor de verwerking en herdenking ervan. Aan 17 oktober 1961 is geen monument of een herdenkingsplaats gewijd, en evenmin heeft ze een plaats in de schoolboeken verworven. De gemeenteraad van Parijs heeft in 2001 wel een herdenkingsplaat op de pont Saint-Michel aangebracht (als compensatie voor de draai van Jospin?), maar uit de tekst blijkt niet dat het om een misdaad (tegen de menselijkheid) gaat, en evenmin worden de schuldigen vernoemd: ‘A la mémoire des nombreux Algériens tués lors de la sanglante répression de la manifestation pacifique du 17 octobre 1961’. Komt daar alsnog verandering in? Het valt te vrezen, want de war on terror en het daarbijhorende ideologische oorlogstromgeroffel (de botsing der beschavingen en culturen) hebben de islamofobe tendensen in de westerse publieke opinie nog aangewakkerd.

(Uitpers, nr. 57, 6de jg., oktober 2004)

Voetnoten:

(1) Zie hierover mijn boek Wie is bang voor moslims? Aantekeningen over Abou Jahjah, etnocentrisme en islamofobie, Uitgeverij Van Halewyck, Leuven, oktober 2004.

(2) De massamoord van 1961 zou de carrière van Maurice Papon niet schaden. Hij bleef politieprefect van Parijs tot in 1967. Nadien begon hij een politieke carrière: hij werd volksvertegenwoordiger van 1968 tot 1983, en schopte het zelfs tot minister, van 1978 tot 1981. Papon werd in 1998 tot 10 jaar cel veroordeeld voor misdaden tegen de menselijkheid, voor zijn rol in de jodenvervolging onder het Vichy-regime (hij stuurde 1560 joden naar Auschwitz). In september 2002 kwam hij vrij.

(3) Jean-Luc Einaudi, La Bataille de Paris. 17 octobre 1961, Editions du Seuil, 1991, met foto’s van Elie Kagan. Zie over de moordpartij ook Paul Thibaud, ‘Retour sur une tragédie’, in L’Express, 11/10/2001; de website http://17octobre1961.free.fr; Y. Gastaut, L’immigration et l’opinion publique en France sous la Ve République, pp. 17-36; en A. Tristan, ‘Sanglante manifestation algérienne à Paris’, in Librio, La guerre d’Algérie 1954-1962, pp. 81-85.

Visited 10 Times, 1 Visit today

Tags :