Botsende beschavingen?

In 1993 publiceerde Samuel Huntington in het Amerikaanse gezaghebbende tweemaandelijkse blad over buitenlandse politiek Foreign Affairs zijn omstreden artikel ‘botsende beschavingen’, dat meteen ook een antwoord was op de al even omstreden theorie van Francis Fukuyama over het ‘einde van de geschiedenis’. Voor Huntington betekende de val van de muur inderdaad het einde van de ideologische breuklijnen, maar niet van de geschiedenis. Voortaan zou het strijdtoneel zich op cultureel vlak afspelen, met als belangrijkste pijler de religie.

Huntingtons theorie is met de oorlog op Afghanistan zeer actueel geworden. Huntington ziet een nauwe samenwerking binnen de westerse beschaving als noodzakelijk met daarin het opnieuw benadrukken van allerlei (oude) westerse beschavingskenmerken (inclusief een rol voor religie). Zo’n identiteit wordt onder meer gevormd door de definiëring van een gemeenschappelijke vijand. Dat is wat nu gebeurd. Moslimfundamentalisten konden niets beter dromen en passen al evenzeer Huntington toe. Bin Laden en Bush tappen uit hetzelfde vaatje. Maar waar eindigt dat? Al gauw gebruiken extreme en conservatieve groepen dit om de hele islam in het vijandbeeld onder te brengen. Maar het belangrijkste is wellicht dat Huntingtons these een handig alibi is om de hegemonische politiek van het Westen ten opzichte van de rest van de wereld te rechtvaardigen. Self-fulfilling prophecy als het ware.

“Amerika is de ark van veiligheid, de gezalfde beschaver, de enige bron van licht en warmte en rust in de donkere, woelige, twistzieke wereld”, schreef het Amerikaanse Congreslid William Evans Arthur in 1850. Nog steeds blijft het Amerikaans politiek establishment deze mythe verdedigen. Sinds 11 september is daar evenwel een deuk in gekomen. De Verenigde Staten, die sinds het Brits-Amerikaans conflict (1812-1814) voor de laatste keer vijandige buitenlandse troepen op hun continent moesten dulden, ervaren nu dat de omringende oceanen hen niet beschermen tegen acties van buitenlandse vijanden. Om het vertrouwen onder te bevolking te herstellen, was het dan ook nodig om tijdig het gevoel van onkwetsbaarheid en onoverwinnelijkheid te herstellen. Het antwoord: een grootschalige militaire strafexpeditie tegen Afghanistan. Tegelijk werd voor de zoveelste keer, om het plaatje te vervolledigen, beroep gedaan op zwart-wit stereotypieën van het ‘goede’ tegen het ‘kwade’. Een klassiek scenario.

Gemeenschappelijke identiteit

In zeker opzicht kwamen de aanslagen van 11 september als een geschenk uit de hemel, zo merkte de bekende Amerikaanse linguïst Noam Chomsky onlangs op. De eerste maanden van zijn presidentschap zat George Bush (o.a. zijn krappe meerderheid) in een vrij zwakke positie. Op binnenlands vlak zal hij nu veel gemakkelijker een aantal moeilijke dossiers door het parlement gesluisd krijgen; op militair vlak zal zijn Defensieminister Rumsfeld, die voor het fiscale jaar 2003 een defensiebudget van maar liefst 347 miljard dollar naar voor schoof – een klim met 7 procent t.o.v. 2002 –, wellicht zonder problemen zijn verlangens vervuld zien; dat geldt ook voor het overboord gooien van het ABM-verdrag. Bovenal heeft de hele affaire ervoor gezorgd dat er amper nog een spoor van onenigheid te bespeuren valt tussen de Europese landen en de VS. Meer nog, Duitsland en Frankrijk staan te drummen om zich te profileren in een oorlog aan de zijde van de VS en de Britten. Het standpunt van de EU tijdens de Top van Gent (19 oktober 2001) laat geen twijfels bestaan over de transatlantische eensgezindheid. De EU-lidstaten “ondersteunen de genomen maatregelen en stemmen onvoorwaardelijk in met de acties, in het kader van de wettige zelfverdediging en in overeenstemming met het Charter van de Verenigde Naties en Resolutie 1368 van de Veiligheidsraad”. “We voelen ons allemaal Amerikanen”, zo had Premier Verhofstadt kort na de aanslag al laten horen. Van de groeiende kritiek op het beleid van Bush is er sindsdien nog weinig te bespeuren. Zeggen de Amerikanen overigens niet tot vervelens toe: “Wie niet met ons is, is tegen ons?”

Het is hier dat Huntington om de hoek komt kijken. Wat is er immers beter voor de eenheid van een land en in Huntingtons filosofie, een beschaving, dan te beschikken over een gemeenschappelijke vijand: “Vijanden zijn van wezenlijk belang voor volkeren die op zoek zijn naar een identiteit en die hun etniciteit opnieuw uitvinden”. Dat is een oud beproefd recept, Huntington verkondigt niets nieuws, maar zet het voor onze conservatieve elite allemaal nog eens op een rijtje.

De internationale coalitie is vooral een stokpaardje van het Westen. Kosten noch moeite worden gespaard om de islamitische wereld achter deze coalitie te krijgen. Maar die is broos en weinig overtuigend. Pakistan werd pas over de streep getrokken na een belofte tot schuldkwijtschelding. Arafat, die na het Golfavontuur wel twee keer zal nadenken voor hij kamp kiest, hoopt eindelijk zijn Palestijnse staat te krijgen. Het fundamentalistisch wahhabitisch regime in Saoedi-Arabië kampt met zware economische problemen en met groeiend binnenlands ongenoegen, maar wil de VS, die de afgelopen tien jaar al 33,5 miljard dollar militaire steun in het land pompten, niet teveel tegen zich in het harnas jagen. Van harte is de steun dus niet. De bevolking in de meeste door moslims bevolkte landen laat duidelijk weten hun leiders daarin helemaal niet te volgen. De Pakistaanse dictator, Musharaf, heeft dan ook twee weken na de bombardementen laten verstaan dat de oorlog tegen Afghanistan tegen midden november ten laatste moeten afgelopen zijn. In de moslimwereld wordt de hele internationale coalitie inderdaad meer en meer gezien als een ‘kruistocht’, zoals Bush aanvankelijk zijn militaire campagne dacht in te kleden. Daarvan maken fundamentalistische islamitische groeperingen dan dankbaar gebruik om op hun beurt aan te sturen op ‘botsingen tussen beschavingen’.

Religie

“Landen hebben de neiging om zich aan te sluiten met een verwante cultuur en zich af te zetten tegen landen met wie ze geen culturele overeenkomsten hebben” aldus Huntington. Berlusconi en zijn coalitiepartners horen het graag zeggen, want het verwoordt perfect de politiek die ze willen uitvoeren. Religie en een soort mythisch appel aan ‘westerse’ waarden (wat die ook mogen zijn) spelen in die verbondenheid een belangrijke rol. In de Amerikaanse politiek is het alvast een normaal gegeven dat God een plaats hoort te hebben in het politieke spel en dat zie je tot op het dollarbiljet toe. Het appel aan god en vaderland is een constante in nagenoeg elke toespraak van een Amerikaanse president: “Wij zijn het meest vrije land ter wereld, het edelmoedigste land ter wereld, het machtigste land ter wereld… En zo gaan wij voort, te samen, een rijzende natie, het vroegere en toekomstige mirakel dat nog altijd de hoop van deze wereld is… God zegene ons geliefde land!” aldus vader Bush in 1992. Zoon Bush gaat nu op dezelfde toon verder: “Vrijheid en angst, gerechtigheid en gruwel, zijn altijd met mekaar in oorlog geweest en we weten dat God daar niet neutraal tegenover staat… In alles wat ons nog te wachten staat, moge God ons wijsheid schenken, en over de Verenigde Staten van Amerika waken”.

Huntingtons ideologisch discours past als gegoten op het project van de conservatieve politieke elite in het Westen. Volgens Huntington moet het Westen terug herbronnen in de richting van oude waarden om te vermijden dat het een vlugge ondergang tegemoet gaat. “In de strijd der beschavingen zullen Europa en Amerika samen moeten werken als ze niet beide ten onder willen gaan” (pag 354). “Veel belangrijker dan de economie en de bevolkingsopbouw zijn de problemen van moreel verval, culturele zelfmoord en politieke onenigheid tussen de westerse landen…. De toekomstige levenskracht van het Westen en zijn invloed op andere samenlevingen hangt in belangrijke mate af van het te lijf gaan van deze trends (Huntington noemt o.a. druggebruik, echtscheidingen, onwettige kinderen, eenoudergezinnen, de verzwakking van het arbeidsethos, een verminderde toewijding aan het onderwijs,… nvdr), die uiteraard debet zijn aan de claims van morele superioriteit door moslims en Aziaten” (pag 354-355 – Huntington heeft bij deze laatste groep vooral China op het oog).

Het geloof in het goede en superieure van de westerse beschaving en de noodzaak zich te verbinden vindt ook zijn uitdrukking in de reële politiek. Mr PESC Javier Solana (De Hoge Vertegenwoordiger van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid): “De eenheid van landen met dezelfde waarden is zeer, zeer belangrijk om de globalisering in goede banen te leiden. Europa heeft een essentiële rol bij het uitdragen van waarden, zodat iedereen daar kennis van kan nemen. Als de uitbreiding van de Europese Unie eenmaal is voltooid, ontstaat er een eenheid van landen met dezelfde waarden die qua bevolking tweemaal zo groot is als de VS. Het is zeer belangrijk dat die gelijkgestemde landen dan de grootste donateur van humanitaire hulp ter wereld zijn”.

Gemeenschappelijke dreiging

Vlak na de aanslag hebben we tal van uitspraken moeten aanhoren over de dreigingen waaraan de westerse beschaving bloot staat en dus ook de noodzaak om die te verdedigen. Bondskanselier Schröder sprak over een “oorlogsverklaring aan de beschaafde wereld”, m.a.w. er is ook een niet-beschaafde wereld. Vraag is alleen wie valt daar onder?

Ook Guy Verhofstadt maakte daags nadien in zijn toespraak voor het Europees Parlement een referentie aan de dreiging waaraan “onze democratie” bloot zou staan: “Want laat ons hierover geen twijfel bestaan, naast de Verenigde Staten en haar inwoners is het de Democratie zelf die wordt geviseerd. De Democratie en haar waarden van vrijheid, verdraagzaamheid en humanisme, die precies het tegendeel zijn van een blind en barbaars terrorisme”.

Het appel aan waarden is een modeverschijnsel in crisis- of oorlogstijden. Plots komen de vrouwenonderdrukking en mensenrechtenschendingen door de Taliban in het voetlicht, terwijl daar eerder nauwelijks iemand wakker van lag. Diezelfde problemen in Saoedi-Arabië krijgen om politieke redenen dan weer geen aandacht. Maar daar kan, afhankelijk van de geopolitieke context gauw verandering in komen zoals Saddam Hoessein, maar ook Bin Laden aan de lijve hebben mogen ondervinden. Deze laatste is plots geen ‘vrijheidstrijder’ meer – uit de tijd dat hij geld en wapens ontving vanuit de VS in zijn strijd tegen het ‘communisme’ – maar een ‘terrorist’ van het ergste soort. Bin Laden zelf is nochtans al die tijd niet erg veel veranderd. Wel is hij zich tegen zijn broodheren gaan keren.

Het is een noodzaak geworden om het verhaal van de dreigende buitenwereld te brengen om de steun van de publieke te verwerven. Dreiging creëert eenheid onder zij die zich bedreigd voelen en dan begeven we ons op een gevaarlijk pad. Want die vijand wordt niet altijd duidelijk gedefinieerd (bewust?). Uit de eerste speeches van Amerikaanse regeringsfunctionarissen en het overgrote deel van de media, kort na de aanslag van 11 september was het vrij gemakkelijk om tussen de lijnen te lezen dat de islam een groot gevaar betekent. In de afgelopen jaren is er ook weinig moeite gedaan om het onderscheid te maken tussen de islam (in al zijn strekkingen) en het fundamentalisme. Meer dan eens wordt alles op een hoopje gegooid, voldoende voor een niet onbelangrijk deel van de westerse bevolking om een gelijkheidsteken te plaatsen tussen terrorisme en islam.

Op een Berlusconi en een in het begin sterk impulsief reagerende president Bush na, is het nu ook niet zo evident om openlijk de islam in het vijandige kamp te situeren. De reden daarvoor is o.m. dat men anders de broodnodige steun van de moslimnaties zou verliezen in hun strijd tegen het Talibanregime. Maar er is in Washingtons (maar ook Europa’s) ogen duidelijk opnieuw een aanval op de westerse beschaving en haar waarden gebeurd en die aanvallers zijn vooralsnog terroristen uit het moslimkamp. Zoals gezegd: islam en terrorisme, het onderscheid wordt vaag gehouden. Om het met een voorbeeld te illustreren: de moord op Palestijnse leiders door Israëlische troepen zijn een vorm van zelfverdediging, omgekeerd zijn militaire acties van Palestijnen nagenoeg altijd terroristische acties. De ‘brief’ die de gezaghebbende columnist van de New York Times, Thomas L. Friedman namens George W. Bush schreef aan Yasser Arafat en Ariel Sharon is typerend voor die redenering. Wanneer hij zich richt tot Arafat zegt Friedman: “Als je niet meewerkt, zal het Congres mij vroeg of laat dwingen om alle hulp aan jou stop te zetten, je op de lijst van terroristen te plaatsen en je op alle mogelijke manieren je legitimiteit ontnemen. Waarom ook niet? De cultus van martelaarschap en zelfmoord die je roekeloos onder de islamitische Palestijnen hebt laten groeien, is niet alleen een bedreiging voor Israël en voor jezelf. Hij is het nu ook voor ons.” Friedman gooit hier al even roekeloos Hamas en Arafat op een hoop. En hij is lang niet de enige.

De vorming van een vijandbeeld

Het is vooral sinds de Golfoorlog dat het ‘verfoeilijke islamitische fundamentalisme’ onze mediakolommen begon te vullen en als dreiging nummer één wordt ervaren. Daarvoor was er uiteraard nog de Iraanse revolutie van 1979. Maar het is pas met de val van het ‘ijzeren gordijn’ dat die dreiging in geopolitiek opzicht een betekenis kreeg. De oude vijand, het communisme, was immers weggevallen.

Huntington geeft daarvoor de ideologische input. “De islam en China belichamen grote culturele tradities die onderling enorm verschillen en die in hun eigen ogen oneindig superieur zijn aan de cultuur van het Westen. De macht en de zelfverzekerdheid van beide beschavingen in relatie tot het Westen nemen toe en de conflicten tussen hun waarden en belangen en die van het Westen worden steeds veelvuldiger en intenser.” (pag 199) Huntington citeert vervolgens een aantal onderzoeken die de ‘bebloede grenzen van de islam’ aantonen (pag 278 e.v.). “Drie verschillende onderzoeken komen derhalve tot dezelfde conclusie: in de vroege jaren negentig waren moslims bij meer gewelddadigheden betrokken dan niet-moslims dat waren. Tweederde tot driekwart van de oorlogen werden gevoerd tussen moslims en niet-moslims. De grenzen van de islam zijn bebloed, evenals zijn binnengebieden.” Waarna Huntington het heeft over de “islamitische neiging om conflicten met geweld op te lossen… De oorlogszucht en de hang naar geweld van de islam in de tweede helft van de twintigste eeuw is een feit waar zowel moslims als niet moslims niet omheen kunnen”.

Huntington brengt het bij wijlen allemaal heel subtiel. Hij zegt evenwel amper iets over de mogelijk wortels van dat geweld. Met zijn reductionistische manier van redeneren verklaart hij veel vanuit het zogenaamde inherente karakter van de islam en dat op een selectieve manier. Weinig of niets over de gevolgen van de koloniale en neokoloniale politiek van het Westen die grotendeels op oliebelangen is geënt, of over de manier waarop de staat Israël op Palestijns grondgebied is opgericht (waar dus veel geweld is uit voortgesproten) en de structurele economische ongelijkheid tussen Noord en Zuid, waarbij een belangrijk deel van de moslimlanden tot de laatste groep behoren. De wapens waarmee dan diezelfde moslims vechten zijn nagenoeg allemaal afkomstig van de belangrijkste lidstaten van de VN-Veiligheidsraad. De VS staan in voor het overgrote deel van de leveringen. Huntington erkent dat wel allemaal, maar hij belicht het onder. In essentie gaat hij uit van een zekere superioriteit van de westerse beschaving en de noodzaak om ook in de toekomst er voor te zorgen dat politieke en economische macht in dat Westen behouden blijven. In zijn voorstel tot herschikking van de VN-Veiligheidsraad bijvoorbeeld reserveert Huntington weliswaar voor elke beschaving een permanent zitje, alleen het Westen zou recht hebben op twee zitjes.

Huntington als alibi

Huntington kent (bewust of onbewust) veel aanhangers in Washington. Of beter misschien, Huntingtons model is een goede reflectie van hoe er al langer in de wandelgangen van de conservatieve politieke en economische elite in het Westen gedacht wordt. Maar er is meer. Huntingtons manier van redeneren, die zoals gezegd misschien vooral een weergave is van een bestaand denken, eerder dan een louter nieuw model, schept ook en vooral een legitimatie voor een hele reeks meer verborgen agendapunten. In elk geval is het een aardige theorie om een aantal andere politieke doelstellingen te verwezenlijken. Destijds poogde Willy Claes, toen nog secretaris-generaal van de NAVO, na het wegvallen van het Warschaupact de legitimiteit van de NAVO te verantwoorden door op een toespraak van de jaarlijkse veiligheidsconferentie van de NAVO (München 4 en 5 februari 1995) te stellen dat het islamitische fundamentalisme de grootste bedreiging vormde voor de NAVO sinds de ineenstorting van het communisme in Oost-Europa. Een nieuwe vijand was broodnodig. De wapenindustrie zag zich voor een enorme crisis geplaatst. De defensiebudgetten zakten naar een dieptepunt. Door de islam als nieuwe dreiging voor te stellen hoopte men de voldoende steun te verwerven om aan deze neerwaartse spiraal een einde te stellen en de NAVO verder als noodzakelijk voor te schotelen.

In de VS worden de aanslagen van 11 september nu gebruikt om de populariteit van president Bush (met succes) behoorlijk op te krikken: nationaal en internationaal. Bush was immers een betwiste winnaar van de laatste presidentsverkiezingen. Ondertussen tonen peilingen dat de Amerikaanse bevolking als een man/vrouw achter zijn ‘strijd tegen het terrorisme’ staat. Het is een algemene regel dat in een land zonder buitenlandse tegenstander, binnenlandse problemen de agenda bepalen en de nationale eenheid onder druk zetten. Opnieuw blijkt dat het patriottisme des te hoger oplaait naarmate de tegenstander verschrikkelijker is en de bedreiging acuter lijkt. We herkennen dat mechanisme van de heksenjacht op het communisme onder McCarthy in de jaren ’50, van ‘Hitler’-Saddam Hoessein tijdens de Golfoorlog en nu weer opnieuw in de persoon van duivel Bin Laden.

Goed een jaar geleden schreef een redacteur van Le Monde Diplomatique, Alain Gresh, een interessant stuk onder de titel Guerres Saintes (Heilige oorlog). Gresh brengt zijn verhaal naar aanleiding van de bombardementen van 20 augustus 1998 op ‘trainingskampen van Afghaanse terroristen’ en een farmaceutische fabriek in Soedan onder het bewind van president Clinton. Die waren een gevolg van aanslagen op Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania waarna men al gauw de conclusie trok dat Bin Laden en co daar verantwoordelijk voor waren. De gelijkenissen met vandaag zijn overigens frappant. Ook toen werd onder meer beroep gedaan op het recht om zich te verdedigen (Clinton was nog voldoende VN-minded door dat te doen onder artikel 51 van het VN-Handvest, Bush beriep zich op artikel 5 van de NAVO). Gresh stelt dezelfde vragen zoals we die nu ook kunnen stellen: een militaire agressie? Gaat het over verdediging?

De hele affaire speelde zich af op het ogenblik dat Clinton volop verwikkeld was in het Lewinsky-schandaal. Voor tal van critici was de felle militaire uithaal een poging om de aandacht van binnen- naar buitenland af te leiden. In zijn ‘state of the Union’ (19 januari 1999) zei president Clinton toen: “Terwijl we zullen werken aan de vrede, moeten wij eveneens rekening houden met de uitdagingen voor de veiligheid van de natie, namelijk de stijgende dreiging die uitgaat van terroristische groepen en de naties buiten de wet. We zullen onze veiligheid verdedigen, elke keer ze bedreigd is, zoals we de terreurnetwerken van Osama Bin Laden hebben geraakt”.

Alain Gresh trok daarbij trouwens een besluit dat evengoed na 11 september zou kunnen geschreven zijn: “Of ze het willen of niet, de Verenigde Staten sluiten zich op in een ‘oorlog tegen beschavingen’ en dragen bij tot het vergroten van de breuk tussen de islamitische en de westerse wereld.” Verder: “Osama Bin Laden is dus publieke vijand nummer één geworden van de VS. Kan de oude ‘vrijheidsstrijder’ zich een betere rol dromen? Duizenden jonge moslims zullen er een reden in zien om de ‘Heilige oorlog’ te vervoegen terwijl anderen verplicht zijn om te zwijgen omdat ze schrik hebben beschuldigd te worden van medeplichtigheid met een macht die de onrechtvaardige orde verder helpt door te duwen.”

De democratie verdedigen met ondemocratische middelen

Het doet er daarbij niet toe of er bewijzen zijn geleverd of niet. In een zwart-witdenken hoort rationaliteit en recht niet echt thuis. De VS-bombardementen op Khartoem en Afghanistan van 1998 gebeurden buiten de VN, gedeeltelijk omdat de bewijzen er niet waren over wie verantwoordelijk was voor de aanslagen op de ambassades. Alain Gresh nogmaals: “Verschillende officiële Amerikaanse woordvoerders hebben uitgelegd, dat de aanvallen van augustus 1998 een verandering markeerden in de strategie van Washington, die zich voortaan niet meer willen bezighouden met een zoektocht naar een internationale consensus of met het verkrijgen van een goedkeuring van de Verenigde Naties. ‘Het is een afschrikkingoperatie’ zo onderlijnde een van hen, die niet kan gegrondvest zijn op ‘juridische spitsvondigheden’.” “Het Internationaal recht is zoveel minder bruikbaar omdat de bewijzen van de betrokkenheid van Osama Bin Laden bij de criminele aanvallen tegen de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania nog verzameld moeten worden.” De VS zouden kort daarop weigeren in te gaan op de vraag om een enquête-commissie van de VN te sturen naar Khartoem om te onderzoeken wat er al dan niet waar was van het verhaal dat de farmaceutische fabriek ook kon gebruikt worden voor de productie van chemische wapens.

Ook vandaag ontbreken nog altijd de nodige bewijzen van betrokkenheid van Bin Laden. Van meet af aan was duidelijk dat het Bin Laden moest zijn en de regimes die zijn terroristisch netwerk de hand boven het hoofd houden, in de eerste plaats Afghanistan. De vijand zou en moest een gezicht krijgen, anders krijg je dat niet verkocht aan de publieke opinie.

Politiek van pure macht

Het is duidelijk dat de aanslagen een goede gelegenheid vormen om de unilaterale machtspolitiek van de afgelopen jaren te versterken. Dat is ook de paradox in het discours van de leiders van de ‘westerse beschaving’ met alle zijn waarden. ‘We’ beroepen ons op de democratie. Dat gaat onder andere over de scheiding der machten en het principe dat de beschuldigde het recht heeft zich te verdedigen, etc… m.a.w. principes die maken dat we over een rechtstaat, een ‘beschaving’ kunnen spreken. Niet alleen laten de bewijzen, en het rechterlijke oordeel van schuld en onschuld, op zich wachten, ook de methode van “vergelding”, wat vrij vertaald als wraak kan omschreven worden is nu niet meteen een antwoord die we van ‘democratisch’ ingestelde naties mogen verwachten.

Maar ook op Binnenlands vlak moeten democratische verworvenheden (even?) aan de kant worden gezet omwille van de bescherming van onze democratie.

Tony Bunyan van Statewatch, een organisatie die waakhond speelt van onze democratie, uitte alvast zijn ongerustheid dat onder het mom van terrorismebestrijding een hele batterij beslissingen in de lade liggen die een ernstige aantasting kunnen betekenen van burger- en politieke rechten. Het onlangs door de Commissie voorgestelde ‘Beslissingsraamwerk voor de strijd tegen het terrorisme’, bijvoorbeeld waarin sprake is van de aanpak van ‘stedelijk geweld’ komt gevaarlijk dicht in de buurt van het inperken van het straatprotest (Genua en Götheborg indachtig) tegen de heersende macht. Groot-Brittannië en de VS hebben ook al maatregelen ondernomen om dataverkeer op het internet gemakkelijker te onderscheppen. In de VS vragen (en krijgen wellicht) de veiligheidsdiensten meer middelen en wordt nu nagenoeg carte blanche gegeven in het fysiek uitschakelen van zogenaamde terroristen, zonder dat daar nog een rechtbank bij aan te pas komt. Ook in de EU hopen de veiligheidsdiensten garen te spinnen bij de gebeurtenissen. In het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden is een wet gestemd die het afluisteren van telefoons en huiszoekingen gemakkelijker moet maken. Immigranten (!) kunnen voortaan een langere periode in de cel worden gehouden als ze verdacht worden van terrorisme. De Amerikaanse burgerrechtenbeweging protesteert heftig tegen deze maatregelen: “Het Congres heeft de wet aangenomen en getekend in een recordtijd met slechts een publieke hoorzitting en nauwelijks een debat” “Deze nieuwe en niet gecontroleerde macht, aldus Gregory T. Nojeim, afgevaardigd directeur van ACLU (American Civil Liberties Union) in Washington, kan gebruikt worden tegen Amerikaanse burgers die niet aan juridische vervolging blootstaan, immigranten die zich hier legaal binnen onze grenzen bevinden en ook tegen hen wiens ‘First Amendment’-activiteiten (over vrijheid van meningsuiting, nvdr) door de Justitieminister gezien worden als een bedreiging van de nationale veiligheid”

En zo heeft de regering Bush een batterij maatregelen klaarliggen om de ‘gemeenschappelijke vijand’ te bestrijden, waaronder een veel liberalere wapenwet (lees: de wet opzij zetten) zodat Bush zelf kan beslissen wie wanneer wapens krijgt. De winnaars van dat soort democratie zijn duidelijk: Raython en Lockheed Martin, twee reuzen uit de Amerikaanse wapenindustrie, zagen hun aandelen kort na de terroristische aanslagen pijlsnel de hoogte ingaan met tien procent op een week tijd.

De legitieme oorlog

“Alleen de staten van de ‘eerste wereld’ kunnen, tot op een zekere hoogte, zich de luxe veroorloven om hun nationale belangen op een lijn te plaatsen met de normatieve criteria zoals die gedefinieerd worden op het niveau van de kosmopolitische vereisten van de Verenigde Naties”, zo vat Jürgen Habermas de ‘nieuwe interventie-ideologie’ en legitimatie van het Westen voor het voeren van oorlogen samen. Spreken over ‘schurkenstaten’ of ‘terrorisme’ aan de ene kant en het voortdurend benadrukken van de superieure legitimiteit van onze democratie aan de andere kant maken dat het Westen zich zonder problemen in de plaats kan stellen van de Verenigde Naties. Of het nu het Nieuw Strategisch Concept is van de NAVO of de installatie van een Snelle Reactiemacht in de EU, telkens wordt gezegd dat deze ten dienste staan van de ‘principes en doelen’ van het VN-Handvest. Genoeg om niet te moeten spreken van een ‘mandaat’ van de VN. Men is erin geslaagd om westerse belangen, en universele waarden op één lijn te plaatsen, wat dan voldoende autoriteit schept om een orde te scheppen conform aan deze waarden, gaande van het opleggen van economische voorwaarden, over het gebruik van macht en het opleggen van sancties. Of het nu de indeling is die Huntington maakt, of de categorisering van staten als ‘Schurkenstaten’ enz. doet uiteindelijk weinig ter zake. Het indelen van de wereld in beschavings- of geopolitieke cirkels gebeurt in de eerste plaats voor interne politieke belangen en daarvoor wordt volgens de directeur van de Europese Studies aan de ULB, Eric Remacle een “universeel Messianisme’ bovengehaald: Door zich in te schrijven in een historische filosofie waar de democratie en mensenrechten niet langer meer het product zijn van een strijd tussen zwakken en sterken binnen maatschappijen, maar waar een idee wordt verkondigd die stelt dat staten a a-priori het goede incarneren, knoopt het Westen in de grond opnieuw aan met een universeel messianisme… Het Westen schijnt zich tegenwoordig in te schrijven in een concept waar het niet langer illegitiem is om voortaan rechter en partij te gelijk te zijn.”

(Uitpers, november 2001)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 61 Times, 2 Visits today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook