Bossuyt legt vinger op Iraakse wonde

Op 18 augustus 2000 keurde de Subcommissie voor de Bevordering en de Bescherming van de Mensenrechten in Genève een resolutie goed, waarin ondubbelzinnig de opheffing van de tien jaar oude sancties tegen Irak werd gevraagd omdat zij “een onschuldige bevolking veroordelen tot honger, ziekte, onwetendheid en zelfs de dood”. Aan de basis van die resolutie ligt een discussienota over sancties van Marc Bossuyt, waarin wordt gesteld dat de verantwoordelijken voor de sancties tegen Irak zouden kunnen worden vervolgd voor oorlogsmisdaden en voor genocide.

Tien jaar na de bezetting van Koeweit voelen steeds minder internationale ambtenaren, diplomaten, politici en gewone burgers zich nog goed in hun vel over de desastreuze gevolgen van de sancties die nog altijd van kracht zijn tegen Irak. Secretaris-generaal Kofi Annan heeft in diplomatieke bewoordingen al meer dan eens zijn ongerustheid laten blijken. Twee humanitaire coördinators van de Verenigde Naties in Bagdad, Denis Halliday en Hans von Sponeck, namen ontslag uit gewetensnood en behoren tot de felste critici van de sancties. Zelfs 70 Amerikaanse Congresleden hebben zich ertegen uitgesproken.

Het is voor het eerst echter dat een mensenrechtenorganisme, of ten minste een onderdeel ervan, zich zo ondubbelzinnig en scherp uitlaat over de situatie in Irak. En het gaat dan nog over een onderdeel van een internationale organisatie, met name de Verenigde Naties, die zich om politieke en diplomatieke redenen dikwijls op de vlakte houden of moeten houden. De Subcommissie is wel een speciaal geval, maar ze kan vele politici die nu nog enkel binnenskamers hun bezorgdheid voor de massale schending van de mensenrechten in Irak durven uiten, ertoe aanzetten naar buiten te treden. Wellicht zal haar resolutie ook aanleiding zijn voor een debat ten gronde in de Commissie voor Mensenrechten van de VN, waarvan ze een onderdeel is, op haar volgende vergadering in maart-april 2001. Hoe dan ook, Marc Bossuyt heeft op een niet mis te verstane manier de vinger in de wonde gelegd.

De Subcommissie bestaat sedert 1947, doet aan studiewerk over de mensenrechten en doet aanbevelingen. Ze is niet samengesteld uit regeringsambtenaren, maar uit 26 onafhankelijke experts die in persoonlijke naam, niet die van hun regering werken. De geografische verdeling is als volgt vastgelegd: zeven uit Afrika, vijf uit Azië, vijf uit Latijns-Amerika, drie uit Oost-Europa en zes uit West-europa en andere staten.

Irak is slechts een onderdeel van Bossuyt’s discussienota1, maar wel het meest opvallende. Omdat de pers er vrijwel geen aandacht heeft aan gewijd, vatten we hier, summier, de inhoud van de aan Irak gewijde bladzijden samen. De sancties zijn de meest omvattende en totale die ooit werden uitgevaardigd. Goed om weten is ook dat van de opbrengst van het “olie-voor-voedsel”-systeem slechts de helft kan worden gebruikt voor de aankoop van humanitaire goederen, “het grootste deel van de rest gaat naar herbestelbetalingen en administratieve kosten”.

De gevolgen voor de Iraakse bevolking zijn “een humanitaire ramp die te vergelijken valt met de ergste catastrofes van de voorbije tientallen jaren.” Wat het aantal slachtoffers betreft, spreekt men van 500.000 tot 1,5 miljoen doden. “Het moet echter worden onderstreept dat een groot deel van de controverse over de cijfers bedoeld is om het feit te verdoezelen dat elk overlijden dat veroorzaakt wordt door het sanctie-regime wijst op zware schendingen van het humanitair recht en onaanvaardbaar is.”

“De gezondheidscrisis in Irak”, aldus de nota, “is verweven met de algemene sociale en economische crisis ten gevolge van de sancties. Zelfs als er geen doden meer zouden vallen als gevolg van humanitaire vrijstellingen, dan nog zouden er massale, systematische schendingen, te wijten aan de sancties, zijn van andere rechten van de Iraakse burgers. De economische, sociale en culturele rechten van het Iraakse volk zijn weggeveegd, evenals hun rechten op ontwikkeling en opvoeding.”

Uiterst interessant zijn de paragrafen 71-73 over de sancties tegen Irak en het internationaal recht. De auteur toetst de definitie van genocide aan wat er in Irak gebeurt. En wat er gebeurt, gebeurt bewust, onderstreept hij. “Het sanctie-regime tegen Irak heeft als duidelijk doel de Iraakse bevolking weloverwogen zodanige levensvoorwaarden op te leggen (gebrek aan voldoende voedsel, medicijnen, enz.) die erop berekend zijn haar geheel of gedeeltelijk fysiek te vernietigen”. Wat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine, overigens toegaf toen ze op 12 mei 1996 in een inmiddels berucht geworden tv-interview zei dat het de dood van 500.000 kinderen voor haar aanvaardbaar is.

Ook stelt Bossuyt dat de sancties onderworpen zijn aan het oorlogsrecht en dus moeten voldoen aan de strikte voorwaarden die vastgelegd zijn in het internationaal humanitair recht ter bescherming van burgers in een gewapend conflict. En “de aanstokers, en schendingen van die wetten kunnen worden vervolgd als oorlogsmisdaden”.

“Speciale” rapporteur

De nota van Bossuyt staat in fel contrast met de rapporten die de Nederlandse oud-minister van Buitenlandse Zaken, Max van der Stoel, tot vorig jaar maakte.2 Zijn laatste rapport dateert van oktober vorig jaar, kort voor hij in november ontslag nam als Speciaal Rapporteur voor de mensenrechten in Irak. Van der Stoel beschouwt zichzelf, blijkens zijn werk, in de eerste plaats als iemand die campagne moet voeren tegen het regime van president Saddam Hoessein. Gedetailleerd probeert hij uit te vissen hoeveel mensen waar verdwenen en geëxecuteerd zijn enz. Hij stelt wel vast dat de humanitaire situatie slecht is, maar doet geen enkele moeite het aantal slachtoffers daarvan te ramen. Meer nog, als er in Irak wat schort aan de toepassing van het Internationaal Verdrag over Economische, Sociale en Culturele Rechten, dan is dit de fout van Irak! Geen woord van kritiek op de sancties. Nochtans is deze man op een blauwe maandag ooit door de Nederlandse regering voorgedragen als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Vrede. In december 1999 werd Van der Stoel opgevolgd door de Cyprioot Andreas Mavrommatis. Deze legde in maart geen rapport voor in Genève omdat hij daar nog geen tijd voor had gevonden, maar beloofde in september een interim-rapport voor te leggen aan de Algemene Vergadering van de VN. Het is dus uitkijken.

De nota-Bossuyt betekent eigenlijk een blaam voor Van der Stoel. Niet alleen voor hem, maar ook voor “mensenrechtenorganisaties” die evenals hem geen schending van de mensenrechten door de sancties zien.3 Ook de Speciale Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, Mary Robinson, mag zich geviseerd zien: zij heeft openlijk, en voor zover ons bekend, nooit enige kritiek gehad op de gevolgen van de sancties op de mensenrechten van de Irakezen, zoals het recht op leven.

Die samenzwering van de stilte doorbreken, was aanleiding voor een felle uitval van de Amerikaanse ambassadeur bij de VN in Genève, George Moose, tegen het rapport van Bossuyt in de Subcommissie. Hij zei dat de bewering dat de sancties illegaal zijn “niet correct, vooringenomen en opruiend” is. Hij voegde er aan toe dat: “De Verenigde Staten hard hebben gewerkt om te verzekeren dat het welzijn van het Iraakse volk beschermd wordt, dit in sterk contrast tot het ontstellende gedrag van het Iraakse regime, dat zichzelf totaal gevoelloos heeft getoond voor het lijden van zijn eigen volk.”4 De ambassadeur legde niet uit hoe de VS dat doen, noch hoe het komt dat de Irakezen lijden terwijl de VS hun uiterste best doen om het welzijn van de Irakezen te verzekeren.

Hoezeer de Amerikanen, en hun Britse vrienden, bezorgd zijn om het welzijn van de Irakezen blijkt uit de bijna dagelijkse bombardementen sinds december 1998. Waarvan vele op burgerdoelwitten. Zo zijn onder meer graan- en rijstsilo’s bestookt, werd de enige nog werkende waterzuiveringsinstallatie in de provincie Basra vernield, worden de graanvelden sedert juni door vliegtuigen weer in brand gestoken (in 1995 waren Amerikanen en Britten daarmee gestopt toen ze betrapt werden door een Canadese filmploeg), lijken kudden schapen met hun bijbehorende herders, meestal kinderen, geliefkoosde doelwitten voor de piloten en werden in totaal al 300 burgers gedood en 800 gewond.5

Ontwapening

Aan de ellende lijkt vooralsnog geen einde te zullen komen. Het officiële Amerikaanse, in iets mindere mate Britse, standpunt is dat de sancties tegen Irak nooit zullen worden opgeheven. Tenzij als Saddam Hoessein zou verdwijnen, tenzij allerlei resoluties die niets met de sancties te maken hebben zouden worden nageleefd enz. Bagdad heeft dan ook geen enkele reden om samen te werken met de nieuwe ontwapeningscommissie van de Verenigde Naties, UNMOVIC, die begin september met haar werk zou willen beginnen.

De commissie, die onder leiding staat van de Zweed Hans Blix, werd opgericht onder resolutie 1284 die na een jaar onderhandelen in december 1999 werd goedgekeurd. De vorige commissie, UNSCOM, was uit Bagdad vertrokken net voor Amerikanen en Britten in december 1998 grootscheepse aanvallen begonnen tegen Irak. Ze was zo gediscrediteerd door haar spionagewerk en vooringenomenheid dat ze tot een stille dood gedoemd was. Inmiddels lagen echter alle inspecties naar verboden massavernietigingswapens stil.

Onder resolutie 1248 is Irak beloofd dat de sancties zouden worden opgeschort zes maanden nadat Irak aan een reeks vage verplichtingen zou hebben voldaan (maar bij de minste klacht automatisch weer van kracht zouden worden). Ook dat is geen incentive voor Irak. In praktijk zou er weinig veranderen: de sanctiecommissie zou nog bijna alle importen moeten goedkeuren en alle oliegeld zou naar een VN-rekening blijven stromen om de royale levensstijl van de Koeweiti’s te blijven verzekeren.

De eerdere afschaffing van de limiet op de verkoop van olie heeft Irak weinig bijgebracht omdat Washington de invoer verhindert van onderdelen voor de olie-industrie. Zoals von Sponeck in juli op een conferentie in Brussel opmerkte is de situatie in Irak er de laatste tijd alleen op verbeterd dankzij de sterke stijging van de olieprijs (van 10 tot ruim 30$ per vat).

Ten slotte kan men zich ook vragen stellen rond Hans Blix. In een interview met de New York Times beweerde hij doodgemoederd dat er op humanitair vlak in Irak niets meer aan de hand is: de ergste sanctie zou volgens hem zijn dat er geen luchtverkeer met het buitenland is! Voor het overige kunnen ze zoveel geld uitgeven als ze willen voor voedsel en geneesmiddelen, zei hij.6 Enkele dagen voordien vertelde hij aan Le Monde dat er “altijd een element van onzekerheid” zal zijn wat de totale ontwapening betreft – officieel, maar voor de Amerikanen niet, de enige voorwaarde voor de opheffing van de sancties. Met andere woorden hij zal nooit met zekerheid kunnen zeggen dat Irak over geen lange-afstandsraketten en massavernietigingswapens beschikt.

(Uitpers, september 2000)

Deel dit artikel

Visited 19 Times, 3 Visits today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook