Biografie met twee stemmen

Ignacio Ramonet, Fidel Castro, Biografía a dos voces, Debate, Random House, Barcelona, 2006, 655 blz.(met DVD Yo, Fidel Castro), ISBN 0-307-37653-2, prijs: 22 euro

“Fidel luisterde naar mijn voorstel met een lichte glimlach op het gezicht. Hij bekeek me met doordringende en ondeugende ogen en vroeg ironisch: “Wilt u werkelijk met me praten? Hebt u dan niets beters te doen?’ Ik antwoordde natuurlijk ‘nee’. Tientallen journalisten van over heel de wereld, waaronder de meest bekende, hopen met hem te spreken. Welk interview kan voor een beroepsjournalist belangrijker zijn dan een gesprek met één van de belangrijkste historische figuren van de tweede helft van de twintigste eeuw?”(p.13)

Dat vroeg Ignacio Ramonet zich af toen hij in februari 2002 Fidel Castro om een interview verzocht. Tussen 2003 en einde 2005 sprak de Frans-Spaanse directeur van Le Monde Diplomatique meer dan honderd uren met een gezonde Castro over zijn bijna tachtigjarig politieke leven. De stichter van Attac en woordvoerder van de andersglobalisten had geen betere timing kunnen wensen.

Dat beide ‘monumenten’ heel veel respect hebben voor elkaar blijkt uit de slotwoorden waarmee hun conversatie eindigt. Ramonet: “Ik vrees dat ik misbruik gemaakt heb van uw tijd. Castro: “Nee, we hebben samen dagelijks zeventien à achttien uur gewerkt en dat betekent dat u in een goede conditie bent, want ik denk dat u meer gewerkt hebt dan ik. Ramonet: “Het was interessant om naar u te luisteren. Castro: “Ik ook. Ik ben geïnteresseerd in al de thema’s die werden aangesneden en ik zal de deuren van ons land openhouden voor om het even welke vraag.” De CD “Yo Fidel Castro en de foto’s van de twee heren – op eentje ervan legt Castro zijn arm op de schouders van Ramonet – maken duidelijk dat het niet om een fake interview gaat.

Het resultaat van dit monumentale werk heet Biografía a dos voces en is voorlopig alleen beschikbaar in het Spaans. Deze titel geeft zeer goed aan waarover het gaat: een duet over het politieke leven – er wordt niet op het privé-leven van Castro ingegaan – van iemand die zelf geen memoires heeft geschreven, maar met dit interviewboek ineens een politiek testament van formaat aflevert.

Een politiek geschiedenisboek

Castro is altijd spaarzaam geweest met interviews. In de loop van de voorbije vijftig jaar werden slechts drie uitvoerige interviews afgenomen resp. door Gianni Miná, Frei Betto en Tomás Borge. Het boek is geen polemiek, geen kruisverhoor à la Oriana Fallaci geworden, maar een boeiend gesprek tussen een nieuwsgierige en belangstellende topjournalist die met zijn honderden, vaak kritische vragen Castro uitnodigde om op een genuanceerde manier op zijn politiek leven terug te blikken. Uit Fidels meestal zeer uitvoerige antwoorden blijkt dat de revolutionair en intellectueel in hem zich duidelijk aangesproken voelen. Hoewel op sommige momenten duidelijk blijkt dat beide heren niet volledig op dezelfde golflengte zitten – Ramonet is o.m. tegen de terdoodveroordelingen van april 2003 – werpt hij zich niet op als criticus van Castro en het Cubaanse regime. Het is de grote verdienste van de vragensteller dat hij de figuur van Castro en van Cuba uit de fundamentalistische wit-zwart sfeer heeft weten te houden. Ramonet benadert Castro niet als een absolute voor- of tegenstander. Hij wil geen these bewijzen; hij moest alleen aanwezig zijn als klankbord, vragensteller en notulist om Castro zijn memoires te laten uitspreken. Op sommige ogenblikken – onder meer in de passages rond de doodstraf – blijkt dat Ramonet het niet eens is met Castro maar hij begint daar rond geen polemiek te voeren.

De historicus Pedro Alvarez Tabío is bij de gesprekken aanwezig als geheugensteun, maar ook zonder zijn hulp weet Castro diep en nauwkeurig te graven in de eigen herinneringen. Zijn jeugdjaren in Birán op de finca van zijn ( rijk geworden) vader, zijn Gallego-achtergrond, de Spaanse burgeroorlog, zijn Jezuïetenopleiding in Santiago de Cuba – hij bewonderde de militair georganiseerde religieuze orde van Ignatius van Loyola -, zijn rechtenstudies in Havana, zijn bezoek in 1948 aan Bogotá tijdens de woelige dagen van de Bogotazo en de moord op Jorge Eliécer Gaitán, de mislukte aanval op de Moncada-kazerne, zijn gevangenschap, zijn ballingschap in Mexico en zijn kennismaking met Che Guevara, de landing van de Granma op Cuba, de guerrillastrijd. Over al deze episodes spreekt Castro met grote eerlijkheid – hij verdoezelt niet dat zijn familie meer sympathie had voor Franco dan voor de republikeinen – en met grote nauwkeurigheid (hij gebruikte tijdens de aanval op de Moncada-kazerne een Belgisch jachtgeweer, kaliber 12: het beste wat er toen volgens hem bestond!).

Het interview is opgedeeld in 26 hoofdstukken waarin na de antecedenten van de revolutie – Castro praat daarin uitvoerig over de invloed van José Martí op zijn denken – op een chronologische manier wordt ingegaan op de ontwikkeling van de persoon en de belangrijkste gebeurtenissen uit de laatste vijftig jaar Cubaanse geschiedenis, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. ‘De jeugd van een leider’,’Het smeden van een rebel’, ‘In de politiek stappen’,’De aanval op de Moncada kazerne’, ‘La historia me absolverá’, ‘Che Guevara’, ‘In de Sierra Maestra’, ‘Lessen van een guerrilla’, ‘Revolutie: eerst stappen, eerste problemen’, ‘De samenzweringen beginnen’, ‘Playa Girón’, ‘De crisis van oktober 1962’, ‘De dood van Che Guevara’, ‘Cuba en Afrika’, ‘De migratiecrisis met de VS’, ‘Het uiteenvallen van de USSR’, ‘De Ochoa case en de doodstraf’, ‘Cuba en de neoliberale globalisering’, ‘Het bezoek van president James Carter’, ‘De aanhouding van dissidenten in april 2003’, ‘De gijzeling van april 2003’, ‘Cuba en Spanje’, ‘Latijns-Amerika’, ‘Cuba vandaag’, ‘Wat na Fidel?’ Dat zijn de titels van de thema ’s die uitvoerig in dit marathoninterview worden aangesneden. Het interviewgedeelte wordt dan nog aangevuld met een lijvig voetnotenapparaat en een zeer minutieuze beschrijving – bijna van dag op dag – van de belangrijkste gebeurtenissen uit het leven van Fidel en de Cubaanse revolutie, waardoor het geheel de allures krijgt van een geschiedschrijving van een revolutionair proces van binnen uit bekeken.

“Dit boek draag ik op aan de nieuwe generatie van jongeren die niet de gelegenheid heeft gehad om kennis te maken met het denken van de Cubaanse leider dat door de media vaak verdraaid werd,” zei Ramonet bij de voorstelling van zijn nieuw werk in Spanje.” Ik heb geprobeerd er meer een geschiedenisboek dan wel een biografie of een kranteninterview van te maken. Dit is een politiek boek.”

Het is onmogelijk om in een bespreking uitvoerig op al de aspecten die door Ramonet worden aangesneden in te gaan. Daarvoor is het boek er. Voorlopig zijn er nog maar alleen in het Spaans maar er zijn vertalingen in de maak voor publicatie in Duitsland, Frankrijk, Italië, Engeland, Japan, de VS, Canada, Argentinië, Brazilië, Colombia, Venezuela en andere landen van Latijns-Amerika. Een Nederlandstalige vertaling laat nog op zich wachten, maar zou zeer wenselijk zijn.

Concrete utopie

Volgens Ramonets beschrijving staat er in een hoek van Fidel Castro’s kantoor een beeldje van ijzerdraad. Het is een Don Quichote op de rug van zijn Rocinante. De schaduw van de man van La Mancha is in heel het lange interview op de achtergrond aanwezig. Castro noemt zichzelf, zoals ook Che Guevara trouwens, ‘een utopisch communist’ (p. 161) en op een vraag van Ramonet of hij een onverbeterlijke dromer blijft, antwoordt Fidel: “Dromers bestaan niet, zegt een dromer die het voorrecht heeft gehad om realiteiten te zien waarvan hij dacht dat ze niet mogelijk waren ze te dromen”. (p. 362)

Dat kan en mag iemand zeggen die met een handvol medestrijders van nul is moeten vertrekken – het belangrijkste wapen van de guerrilleros in de Sierra Maestra was een voluntaristisch strijdersinstinct – om het tot de tanden gewapende leger van Batista te kunnen verslaan. De figuur van Don Quichote is voor hem niet iemand die aan elkaar hangt van wensdromen. “Het is iemand die handelt met nobele bedoelingen en gedreven wordt door idealen van rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid.” (p. 20) Castro is iemand die de concrete utopie, in de zin zoals Ernst Bloch dat begrip in Das Prinzip Hoffnung formuleert, voortdurend voor ogen houdt.

Dat voluntaristische karakter komt zeer goed tot uiting in een passage waarin Castro, naar aanleiding van de figuur van Che Guevara zegt, dat zijn voorbeeld geen waarde heeft als men niet gelooft dat er in de massa miljoenen en miljoenen zoals El Che zijn. “De mensen die zich op een bijzondere manier onderscheiden zouden niets voorstellen, indien miljoenen mensen embryonair niet hetzelfde zouden zijn als El Che.”

Ethica

Naast die concrete utopie benadrukt Castro in heel zijn verhaal ook voortdurend de ethische component van zijn optreden. Als guerrilleros met een ethisch kompas streden hij en zijn manschappen tegen het regime van Batista, niet tegen de individuele soldaten die in hun handen vielen. Willekeurig fusilleren en folteringen behoorden immers niet tot het revolutionair Cubaanse instrumentarium. Castro keert zich in felle bewoordingen tegen George Bush, Tony Blair en señor Aznar (Kennedy en vooral de ethische Jimmy Carter, maar ook Felipe González krijgen van hem een veel betere pers) maar niet tegen het Amerikaanse, Engelse of Spaanse volk. Castro overleefde honderden moordaanslagen, maar zou het niet in zijn hoofd gehaald hebben om Bush te laten opruimen. Volgens hem heeft de CIA echter niet geaarzeld om het Cubaanse volk te treffen door in de jaren zeventig het varkenspestvirus en later ook een dodelijke vorm van dengue over het eiland te verspreiden (zie p. 231).

Als er dan toch sprake is van de doodstraf, zoals in de Ochoa case waarop uitvoerig wordt ingegaan, verdedigt Castro die maatregel door uitvoerig de context te beschrijven waarin die beslissing genomen werd. De versie van Castro komt hierop neer: om aan deviezen te geraken hadden een aantal leiders van de revolutie – waaronder generaal Arnaldo Ochoa, een veteraan van de Sierra Maestra – een systeem bedacht om Cubaanse goederen aan de man te brengen. Volgens hem is die groep in contact gekomen met de Colombiaanse drugsmaffia en voor eigen rekening gaan optreden als tussenpersoon voor Pablo Escobar. Dat was niet alleen verraad aan de revolutie, maar gaf ook aan de VS argumenten in handen om Cuba te beschuldigen van internationale drugshandel. Vandaar de executie van Ochoa en enkele van zijn kompanen.

Het moet gezegd dat Ramonet het Castro bij momenten niet gemakkelijk maakt, want hij aarzelt niet om hete hangijzers op tafel te leggen: de houding tegenover homoseksuelen, de discriminatie van de zwarte bevolking, de repressie tegen intellectuelen, het geval Valladares en van Raúl Rivero. Alleen de affaire van de dichter Herbert Padilla die in het begin van de jaren zeventig werd gevangen gezet en wat toen heel wat ophef veroorzaakte in linkse kringen, stelt Ramonet niet aan de orde. Wél wordt er uitvoerig ingegaan op de dissidente dichter Rivero, die echter op weinig empathie en sympathie van Castro kan rekenen. Hij heeft hem zelfs niet gelezen en, ietwat kort door de bocht en verwijzend naar García Lorca, stelt hij dat er geen poëzie zonder ethica kan zijn (p. 412)

“Mijn salaris is, op basis van 25 pesos per dollar, dertig dollar per maand,” antwoordt Castro op de vraag van Ramonet naar zijn inkomen. “Ik zal de eer hebben om te sterven zonder één Amerikaanse dollar. Miljoenen werden mij aangeboden om mijn memoires of boeken te schrijven, maar ik ben daar nooit op ingegaan.”(p.551) Waarschijnlijk zal de berooide Man van La Mancha fel geknikt hebben bij deze uitspraak.

Chávez en Fidel

Wie op zoek is naar ultieme bekentenissen of historische primeurs zal in dit boek misschien te weinig naar zijn gading vinden, hoewel er ook op dat vlak bepaalde passages aanwezig zijn waar mijn potlood hevig te keer ging. Over de mislukte militaire staatsgreep van april 2002 tegen Chávez zijn we intussen behoorlijk goed ingelicht via de onvolprezen Ierse documentaire “Chávez”, maar ook Castro voegt daaraan in dit interview enkele belangrijke elementen toe. Even voor zijn aanhouding door de militairen had Chávez nog overlegd met Castro die hem had aangeraden niet te handelen zoals Salvador Allende. “Allende was een man alleen. Jij hebt een groot deel van het leger achter je! Niet aftreden,” zegt hij aan Chávez (p. 474) Uit deze passage blijkt ook het dat het weinig gescheeld heeft of Hugo Chávez was op het eiland Orchila gefusilleerd, maar dat bevel werd geweigerd door Chávez-gezinde militairen. (zie p. 475) Belangrijk voor zijn terugkeer was ook dat Chávez in zijn isolement even de kans heeft gekregen om via een GSM van een sympathiserende bewaker naar zijn dochter María Gabriela te bellen om te melden dat hij niet was afgetreden. Maria Gabriela heeft dat bericht dadelijk naar Castro doorgespeeld en zo kwam het via het Cubaanse televisieprogramma Mesa Redonda in heel de wereld terecht.

Hoopvol einde

Over zijn opvolging is Castro heel duidelijk: “Als er mij morgen iets overkomt dan vergadert de Nationale Assemblee en dan wordt zonder enige twijfel mijn broer Raúl tot mijn opvolger aangeduid.” (p.563) Castro minimaliseert echter zeer nadrukkelijk zijn eigen rol en die van zijn broer in heel die opvolgingsoperatie. Voor hem gaat die machtsovername niet over personen, maar over een heel hele generatie die het revolutionaire proces zal voort zetten. Hij is ronduit optimistisch over wat er komen gaat: “Onze revolutie bloedt niet dood. Wij leven nu in de beste periode van onze geschiedenis (…) Nooit heb ik hoopvoller gezichten om me heen gezien, Ramonet,” besluit hij. (p. 565) Op het einde van dit marathoninterview drukt Castro nogmaals zijn onvoorwaardelijk vertrouwen uit in de grote capaciteiten van het menselijk wezen met al zijn beperkingen en fouten. Dat is en blijft zijn credo, ook aan het einde van zijn leven.

“Wanneer er geen antwoorden meer gegeven worden dan komen er ook geen vragen meer,” schreef Bertolt Brecht. Het is de grote verdienste van Ignacio Ramonet om vragen te blijven stellen en de grote verdienste van Fidel Castro en de Cubaanse revolutie om antwoorden te blijven geven op de vraag hoe de mensheid en het menselijk samenleven kan worden verbeterd.

Een betere timing en een betere interviewer om het politieke testament van Castro op te tekenen zijn moeilijk denkbaar. Fidel beëindigt zijn publieke leven met deze laatste indrukwekkende intellectuele krachtsinspanning. Dit openhartig marathoninterview ligt in het verlengde van zijn lange historische redevoeringen waarvoor hij in onze herinneringen zal blijven leven. De openhartigheid van iemand die weet dat hij aan het einde is gekomen van een rijk gevulde leven geeft er een extra waardevolle historische dimensie aan. Biografía a dos voces is een prachtig intellectueel duet van twee linkse intellectuelen van formaat, die meer dan honderd uur met elkaar praten met op de achtergrond de voortdurende aanwezigheid van de eeuwige man van La Mancha.

(Uitpers, nr. 80, 8ste jg., november 2006)

Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).