Bij de dood van Song May-ling

Song May-ling is op 105-jarigeleeftijd in de VS overleden. May-ling was decennia lang de lieveling van het Amerikaans publiek, jarenlang dé vrouw van het jaar die als echtgenote van Chiang Kai-shek op de barricade stond in de strijd tegen het communisme. Dat was het beeld dat de bevriende Amerikaanse media, in de eerste plaats die van haar vriend Henry Luce, van haar ophingen.

In feite was Song vaandeldraagster van een onverbiddelijke kapitalistische familie waaraan de Chinezen de ergste herinneringen bewaren. Ze werd zelfs op Taiwan zo gehaat dat ze in ballingschap trok naar haar geliefkoosde States.

Het loont de moeite even stil te staan bij de carrière van Song May-ling. Want we leren er veel uit over het cynisme van de Amerikaanse diplomatie, de rol van sommige Amerikaanse media en de verwevenheid tussen gewoon kapitalisme en onderwereld.

May-ling was een van de dochters van Charlie Song die in 1878 naar de oostkust van de VS was getrokken, een gebied waar de Chinese triades (genootschappen met maffiakarakter) nog weinig waren ingeplant. De jonge Song werd opgevangen door de Methodistische kerk die hem in contact bracht met rijke industriëlen die ervan droomden gans Azië tot het christendom te bekeren. Een van hen, Julian Carr, zorgde ervoor dat Song in de zaken kon gaan – deegwaren en tabak – en dat hij later, na zijn terugkeer in Shanghai, een monopolie kreeg voor uitgave en verspreiding van de Bijbel in China. Het werd de basis van een gigantisch fortuin.

De familie Song werd snel een van de invloedrijkste van het "nieuwe China", dat na de val van het keizerrijk ontstond. Een van Charlie’s dochters, Ching-ling, huwde met Sun Yat-sen, de stichter van de republiek. Een andere, Ai-ling, trouwde met de rijke bankier H.H. Kung die fortuin had gemaakt met woeker. Zoon T.V. Song werd onder Chiangs regime premier en minister van Buitenlandse Zaken. En May-ling trouwde in 1927 met de opkomende generaal Chiang Kai-shek.

Christenen en maffia

Chiang had enkele jaren eerder de Noordelijke krijgsheren verslagen en had in Shanghai een massaal bloedbad aangericht onder de communisten, met minstens 5.000 doden in enkele dagen tijd. Met haar huwelijk bracht May-ling meteen de grootste gangsterbende van Shanghai, de Groene Bende waartoe Chiang behoorde, in het Song-imperium. De Groene Bende maakte vooral geld met drughandel en afpersing. Onder Chiang, die na de dood van Sun Yat-sen in 1925 aan het hoofd ervan kwam, werd de nationalistische Kwomintang vooral een criminele onderneming. Tot aan de Tweede Wereldoorlog was Chiang gehoorzaamheid verschuldigd aan Tu Yueh-sheng, leider van de bende.

Chiangs vrouw May-ling (in feite ging het om bigamie, Chiang was al eerder getrouwd) stuwde haar man, die zich ook tot de Methodistische kerk bekeerde, naar grotere hoogten. Zij bracht daarbij haar familiale en Amerikaanse connecties aan, zij verzorgde persoonlijk de contacten in Washington. De Methodisten kregen hun deel van de koek, ze mochten deelnemen aan wat officieel de wederopbouw van het platteland werd genoemd.

Amerikanen die in China zagen hoe corrupt en crimineel de kliek rond Chiang wel was, vonden geen gehoor in de VS zelf. Generaal Stilwell beschreef Chiang als een feodale, onwetende en achterdochtige feodaal. Maar de Songs en Chiangs waren goede christenen en rijke kapitalisten, dat was ruimschoots voldoende. Generaals, diplomaten en journalisten die toch kritiek durfden uiten, zagen hun carrière gebroken, ook al gaf president Harry Truman Chiang Kai-shek zelf de bijnaam ‘Cash-My-Check’.

Mediavrienden

May-ling kon volop rekenen op Harry Luce, zoon van Methodistische missionarissen in China. Hij stelde zijn tijdschriften Life, Time en Fortune volledig ten dienste van de kruistocht die de Amerikanen en de Songs en Chiangs tegen het communisme voerden. Hij hing een zodanig heldhaftig beeld op van mevrouw Chiang dat miljoenen Amerikanen haar dertig jaar lang verkozen tot vrouw van het jaar. Hij vond ook een gewillig oor bij president Roosevelt die dacht dat hij China goed kende, want zijn familie had er een fortuin opgebouwd met opiumhandel. Later raakte Roosevelt er wel van overtuigd dat hij Chiang beter had laten ombrengen in plaats van hem te steunen.

Broer T.V. Song zat ook het grootste deel van de tijd in de VS, men zei dat hij schrik had van Chiangs gangstervrienden. Hij speelde er poker met regeringsleden en overlaadde enkele invloedrijke journalisten onder wie Joseph Alsop met geschenken. Die broer was tevens een meester-oplichter. Zo kreeg hij grote sommen voor de aankoop van Amerikaanse tanks. Later zei hij dat het schip met de tanks was gezonken. Maar zowel schip als tanks waren schimmen, het geld in zijn zakken was wel echt. Alleen zuster Ching-ling, weduwe van Sun Yat-sen, behield schone handen, zij had het grootste misprijzen voor haar familie.

Zelfs Chiang vond na de oorlog dat zijn vrouw en haar familie het al te bont maakten, of liever dat zij een al te groot deel van de buit (uit de VS) voor zich hielden. Hij stelde zijn zoon (May-lings stiefzoon) Chiang Ching-kuo (CCK) aan om zogenaamd Shanghai van corruptie te zuiveren, waarbij die met plezier bankierszoon David Kung, een favoriet van zijn stiefmoeder, oppakte wegens diefstal op grote schaal van hulpgoederen.

In 1947 ontdekte president Truman trouwens dat de grootscheepse mediacampagne in de VS ten gunste van Chiang betaald was met fondsen uit de VS voor hulp aan ‘nationalistisch China’. Terwijl talrijke media de zaak van de Kwomintang bepleitten, sloegen de troepen van diezelfde Kwomintang op Taiwan een protestbeweging bijzonder bloedig neer. Een ganse generatie van leerkrachten, artsen, journalisten, studenten, arbeiders – meer dan 50.000 mensen in totaal – werd uitgemoord. Maar toch bleef Washington uit anticommunisme die gangsterbende steunen. May-ling bleef ‘de christelijke hoop van China’.

Het vermoeden is groot dat Washington er na de nederlaag van de Kwomintang in 1949 aan dacht Chiang en de Songs te laten vallen. Maar het uitbreken van de Koreaanse oorlog schudde de kaarten weer door elkaar, terwijl May-ling er veel Amerikanen met succes van overtuigde dat de Kwomintang vanuit Taiwan het vasteland zou heroveren. Voor de CIA werd Taiwan de veertig daaropvolgende jaren centrum nummer één in Azië.

Intussen kreeg May-ling tegenwind van Chiangs zoon CCK tegen wie ze dan weer diens zoon, "Alex", haar geliefkoosde stiefkleinzoon, trachtte uit te spelen. Die werd vooral berucht door zijn banden met criminele milities die ook wel opposanten aanpakten, bij voorbeeld door in 1979 de twee dochtertjes en de moeder van een opposant te vermoorden. Alex schoot vooral goed op met de ‘Bamboe Bende’ die hij liet delen in de opbrengsten van de opiumsmokkel naar de VS. De Kwomintang was al langer betrokken bij opiumproductie en smokkel, onder meer in de beruchte Gouden Driehoek (Birma, Laos, Thailand) waar een legertje van de Kwomintang in die branche actief was. In 1977 ontdekten de Amerikaanse diensten dat de Taiwanezen de diplomatieke valiezen gebruikten om massaal drugs naar de VS te smokkelen. Taiwanese bankiers gaven in die tijd toe dat het "Taiwanese mirakel" grotendeels te danken was aan illegale fortuinen.

May-ling moest het wel vanop afstand volgen. Want na de dood van Chiang in 1975 werd diens zoon CCK de baas en die duldde zijn stiefmoeder niet in de buurt, ze moest naar de VS. Zijn diabetes en alcoholisme vormden wel een zware handicap, zodat zoon Alex zijn gang kon gaan, met vanop afstand raad en steun van May-ling.

Toen in het begin van de jaren 1980 journalist Henry Liu in de VS een biografie over CC K publiceerde en andere publicaties aankondigde, vonden de Chiangs en Songs het welletjes, Alex zorgde ervoor dat Liu definitief het zwijgen werd opgelegd: de Bamboe Bende voerde de moord uit en mocht in ruil de heroïnehandel met de VS overnemen. De Amerikanen waren echter boos over die moord op hun grondgebied, Alex werd als handelsattaché naar Singapore gestuurd. Na de dood van CCK in 1988 trachtte May-ling tevergeefs Alex en zichzelf naar voor te schuiven. Maar zelfs de Kwomintang had er genoeg van, May-ling bleef ongewenst. Er zullen bijzonder weinig Chinezen (Taiwanezen incluis) zijn die rouwen om haar dood.

(Uitpers, nr. 47, 5de jg., november 2003)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 28 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook