Berlusconi doet de stemtest

Er is lichte paniek in het rechtse regeringskamp van de Italiaanse premier Silvio Berlusconi. Niets minder dan de patronale organisatie Confindustria liet in volle verkiezingscampagne bij monde van haar nieuwe voorzitter weten haar buik vol te hebben van de sociale confrontaties waar die regering voortdurend op aanstuurt.

De premier zelf bleef tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen, gekoppeld aan enkele belangrijke lokale verkiezingen, een triomfantelijke grijns vertonen, in contrast met de bezorgde gezichten van zijn luitenanten en bondgenoten. Ze vreesden dat de Italiaanse kiezers van deze gelegenheid gebruik maken om hun afkeer van deze regering te uiten.

De Italiaanse Europese verkiezingen zijn, zoals in de meeste EU-landen, een opiniepeiling op ware grootte. Toch was "Europa" als thema niet helemaal afwezig. Want in de campagne om deze peiling te winnen, is de tegenstrever van Berlusconi de voorzitter van de EU-Commissie, Romano Prodi.

Prodi is om evidente redenen zelf geen kandidaat, hij is nog in Europese functie, maar het drieledig kartel ‘Uniti per l’Ulivo’ staat alom bekend als de "listone Prodi", de grote Prodi-lijst. Dat kartel bestaat uit de DS (Democraten van Links, ontstaan uit de communistische PCI, nu sociaal-democratisch), de Margherita (zelf een kartel van christen-democraten en allerlei centrumgroepen) en de kleine sociaal-democratische SDI (en als toemaatje ook nog een restant van de Republikeinse partij). Dat kartel draagt Prodi voor als kandidaat-premier voor de volgende algemene verkiezingen, ten laatste in 2006.

Berlusconi herinnerde er in de campagne wel terecht aan dat centrum-links (steeds meer centrum dan links) Prodi vijf jaar geleden naar Brussel in ballingschap stuurde. Het was vooral de toenmalige DS-leider Massimo D’Alema die toenmalig premier Prodi weg wou om zelf diens plaats in te maken. Het manoeuvre slaagde, maar enkele maanden later leed centrum-links onder leiderschap van D’Alema – die maandenlang had getracht zoete broodjes te bakken met Berlusconi – een zware nederlaag bij lokale en regionale verkiezingen, waarop D’Alema wegtrok en de plaats overliet aan Giuliano Amato. Deze laatste was in april van dit jaar kandidaat om voorzitter te worden van de ‘Europese socialisten’, maar haalde het niet. Amato was ooit, ten tijde van de corrupte Bettino Craxi, de nummer twee van de socialistische partij, maar daar wil blijkbaar niemand aan herinnerd worden.

Euro

Prodi is de Italiaanse geschiedenis ingegaan als de premier die "de euro haalde". In de rest van de EU was er aanvankelijk immers zeer weinig enthousiasme voor Italiaanse deelname gezien de slechte reputatie inzake begrotingstekorten en openbare schuld. In veel landen heerste het grootste wantrouwen dat Italiaanse deelname tot een zwakke positie van de euro zou leiden. Maar Prodi slaagde.

Van de euroforie van toen schiet niet veel meer over. Ondanks de euro ligt de inflatie in Italië volgens diverse recente onderzoeken beduidend hoger dan de officiële cijfers en dat wijten een deel van de publieke opinie en van rechtse politici aan de invoering van de euro.

Italianen zijn de jongste decennia nochtans bijna onverdeeld pro Europese eenmaking geweest. Dat gold zeker voor de politieke wereld, maar daar komt nu verandering in. Voorop de Lega Nord, zusterpartij van het Vlaams Blok, die een harde anti-Brussel campagne voerde. Brussel, de EU, is voor die uiterst-rechtse partij een bastion van vrijmetselaars en communisten dat meewerkt aan de "islamisering" van Italië. Herinneren we eraan dat Berlusconi, toen nog oppositieleider, begin 2001 de ambassadeurs van de EU verzekerde dat hij als premier de Lega niet in zijn regering zou opnemen. De Lega haalde slechts 3,9 % van de stemmen, maar toch gaf Berlusconi haar drie sleutelportefeuilles in zijn regering (waaronder Justitie dat hem zo nauw aan het hart ligt). Het feit dat een racistische partij deel uitmaakt van die regering, heeft merkwaardig weinig Europese reacties uitgelokt, zoiets is in de EU met haar "democratische waarden" gewoon geworden.

Een iets minder scherpe vijandigheid tegenover "Brussel" (EU) komt ook van Forza Italia, de partij van Berlusconi. Politici van FI stellen de euro, en dus Prodi, verantwoordelijk voor de levensduurte, tot woede van de partners van de UDC (rechtse christen-democraten) en van de Nationale Alliantie, de vroegere fascisten die hun uiterste best doen om internationaal te worden aanvaard. De regering Berlusconi verweet Brussel en Prodi dat ze om louter electorale redenen de Italiaanse regering willen vermanen omdat het begrotingstekort boven vier procent stijgt. De eventuele vermaning is evenwel uitgesteld tot na de verkiezingen. Berlusconi zelf houdt zich in verband met Europa wel meer op de vlakte, hij is tenslotte een kopstuk van de EVP (nietwaar Ivo Belet en andere CD&V’ers).

Rechts tracht van de euro de zondebok te maken voor de financiële en economische moeilijkheden waar de regering mee kampt. De euro maakt het inderdaad veel moeilijker om de oude trucs van weleer toe te passen. Tot ver in de jaren 1990 verzekerden opeenvolgende directeurs van de centrale bank, Bankitalia, en regeringen de uitvoer van Italiaanse producten met muntontwaardingen. Met de euro kan dat niet meer. Als de inflatie in Italië hoger ligt dan in andere EU-landen, worden Italiaanse producten gewoon duurder voor die landen.

Komt daar nog bij dat de oude protectionistische maatregelen binnen de EU niet meer kunnen. De Italiaanse kapitalistische klasse is na de eenmaking van 1860-1870 groot geworden door dat protectionisme; een van de eerste maatregelen van het eengemaakte Italië was de oprichting van een krijgsvloot met als voornaamste bedoeling de eigen staalindustrie op niveau te brengen. Het openmaken van de grenzen werkte in het begin van de jaren 1990 de crisis van het politieke bestel in de hand.

Er is ook een crisis van het "made in Italy", klagen de ondernemers. Daarbij verwijzen ze naar de crisis bij Fiat waar nieuwe modellen qua design zelfs in Italië niet aanslaan. De nieuwe directie van de Confindustria wijt dat mede aan de zeer lage investeringen van de overheid in research en dergelijke, maar dat verwijt geldt evenzeer voor de ondernemers zelf. Een van die grote ondernemers, de familie Tanzi van Parmalat, maakte eind vorig jaar wereldnieuws met de verdwijning van mogelijks 15 miljard euro. Daarbij bleek dat sommige Italiaanse kapitalisten bijzonder vindingrijk zijn bij het gebruik van fiscale paradijzen in de EU (Luxemburg, Nederland en de Nederlandse Antillen).

De regering is dat trouwens ook. Ze gaat er prat op dat er toch tewerkstelling is bijgekomen, terwijl het bijna uitsluitend gaat om het wit maken van zwartwerk.

Ontevreden patronaat

De toonaangevende kapitalisten zijn niet zo gelukkig met de gang van zaken. De grote patronale organisatie Confindustria verkoos eind mei een nieuwe baas, Luca Cordero di Montezemolo. Deze patron van Ferrari volgt Antonio D’Amato op die meer de kleinere ondernemingen vertegenwoordigde en meer op de lijn van de rechtse regering zat. Maar de patrons van het kaliber Montezemolo zijn erg ontevreden over het regeringsbeleid.

In de eerste plaats over de sociale politiek. De jongste maanden neemt het aantal sociale conflicten zienderogen toe, er waren op korte tijd vier massaal opgevolgde nationale stakingen, terwijl er in de twintig jaar daarvoor nauwelijks nationale stakingen waren.

Montezemolo sprak zich na zijn verkiezing uit voor sociaal overleg en stak daar de hand uit naar de vakbonden wier vertegenwoordigers op het congres van Confindustria op de eerste rij zaten. Er moet weer een klimaat van vertrouwen komen, aldus de baas van de ondernemers die niet mals was voor de regering en vooral niet voor de Lega Nord. Voor veel leidende kapitalisten is Berlusconi een hinderpaal, een man die vooral aan zijn eigen belangen denkt. En die naar de buitenwereld een karikaturaal beeld van leidend Italië geeft en in het land zelf alleen maar conflicten uitlokt waar de grote ondernemers weinig bij gebaat zijn.

Ulivo-Polo

Vooral die kritiek van het patronaat is voor Berlusconi hard aangekomen in het midden van een moeilijke campagne. Binnen de rechtse coalitie werd de lat voor de Europese verkiezingen op 45 procent van de stemmen gelegd, met minstens 22 procent van Forza Italia om zijn leidende rol binnen rechts te kunnen handhaven. De Lega Nord tracht echter met haar anti-Europese campagne zoveel mogelijk rechtse kiezers naar zich te trekken, terwijl UCD en Nationale Alliantie hopen dat ze via stemmenwinst hun positie binnen de regering kunnen versterken tegenover de as Berlusconi-Bossi (de zieke leider van de Lega).

Voor rechts kwam het er in de eerste plaats op aan niet te ver achter de oppositie te komen. Die oppositie bestaat vooral uit de listone Prodi (Uniti per l’Ulivo) met daarnaast aparte lijsten van de Verdi (groenen), de communisten van de PdcI (Cossuta, partijtje dat deel uitmaakte van centrum-linkse regering) en Rifondazione Comunista. Met daar bovenop ook nog de lijst Di Pietro-Occhetto – Antonio Di Pietro is de vroegere held van de corruptiebestrijding Schone Handen, Acchile Occhetto is de gewezen leider van de PCI.

Rifondazione Comunista is de jongste maanden weer veel dichter gaan aanleunen bij de partijen van centrum-links. De partij is nu zelfs bereid zelf deel te nemen aan een centrum-linkse regering, ook al zitten daar nogal wat rechtse stromingen bij. De leiding van de Margherita heeft zich de jongste maanden bij voorbeeld zeer inschikkelijk getoond voor de pensioenhervorming van de regering en tegenstander van de eis om de Italiaanse troepen zo snel mogelijk uit Irak terug te trekken. De linkervleugel van Rifondazione is allesbehalve opgezet met die zwenking naar centrum-links. (Het is een evolutie waar we in het volgende nummer van Uitpers uitgebreider op terugkomen).

Bologna

Het gaat in de verkiezingen van 12-13 juni niet alleen om de zetels voor het EU-parlement. Erg zijn ook enkele belangrijke lokale verkiezingen, waarbij alle aandacht uitgaat naar Bologna. Die stad was een halve eeuw het uithangbord van links, van de PCI, die daar alle verkiezingen onbedreigd won. Tot interne verdeeldheid er in 2000 toe leidde dat een rechtse burgemeester, Giorgio Guazzaloca, werd gekozen. Deze keer is gewezen vakbondsleider Sergio Cofferati (CGIL) de kandidaat van centrum-links en links om deze symboolstad te heroveren.

(Uitpers, nr. 54, 5de jg., juni 2004)

Visited 9 Times, 2 Visits today

Tags :