Belgische diplomaat: “Met Sharon is geen vrede mogelijk”
Uittreksels uit vertrouwelijk verslag aan de regering

"Het Palestijnse volk, dat ik gedurende vier jaar heb ervaren als vredelievend, zachtaardig en begaafd, wordt in haar streven naar autonomie en waardigheid onderdrukt op een wijze die de internationaal-rechterlijke, morele en humanitaire perken te buiten gaat. Dat de EU er in dit kader niet in slaagt om op krachtdadiger wijze eerbied af te dwingen voor de waarden waarin ze zichzelf zo graag koestert (…) is wellicht de spijtigste vaststelling van mijn ambtstermijn alhier."

Dat is een van de conclusies die een Belgische diplomaat trekt in een vertrouwelijk verslag aan de regering. De redactie van Uitpers kon een kopie bemachtigen en heeft na beraad besloten om er uit te citeren. De diplomaat steekt immers zichtbaar zijn ongenoegen niet onder stoelen of banken. Harde taal aan het adres van Israël, de VS en de EU. Ook Arafat kan op zijn portie kritiek rekenen, zij het dan vooral om diens onvermogen om de Palestijnen naar een onafhankelijke staat te leiden.

In een eerste deel geeft de diplomaat een analyse van het Oslo-gebeuren. Hij laat niet na daarbij hier en daar kritiek te uiten op zowel het Israëlische als Palestijnse kamp, zij het om geheel verschillende redenen. Het mislukken van het vredesproces wordt nagenoeg helemaal op conto geschreven van de opeenvolgende Israëlische regeringen die zich niet of nauwelijks aan gemaakte afspraken houden.

De diplomaat begint zijn relaas in 1998, wanneer een "weerbarstige Netanyahu zich op alle mogelijke manieren blijft verzetten tegen de uitvoering van het Interim-akkoord". Om uit de impasse te komen start onder bemiddeling van de Amerikaanse president Clinton een poging om het vredesproces terug op gang te trekken. Resultaat is het Wye River Memorandum, maar ook dat blijft dode letter. De Diplomaat zegt hierover: "Arafat laat zich niet door Netanyahu provoceren, die zich wil laten herverkiezen en weer de ene MEPP-belemmering (Middle East Peace Process, nvdr) op de andere stapelt. Arafat stelt de Unilateral declaration of Independence uit, voorzien op 4 mei, en gaat niet in op de pesterijen van Sharon in Jeruzalem (Orient house)". De verkiezingen worden gewonnen door Barak, maar ook dat is volgens de diplomaat van meet af aan ijdele hoop. Barak stelt "diezelfde nacht publiekelijk zijn vijf veto’s (…): geen terugtrekking tot de 1967-grenzen; geen verdeling van Jeruzalem; geen opgave van nederzettingen; geen recht op terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen; geen Palestijns leger in de West-Bank."

"Chantage"

De voorstellen die Barak vervolgens in Camp David op tafel legt noemt de diplomaat ronduit "chantage". En hij vervolgt: "Steeds luider klinken de stemmen dat de regering-Barak evenmin als haar voorgangers de rechten van de Palestijnen ernstig neemt." Over het daaropvolgend mislukken van Camp David krijgt ook ‘bemiddelaar’ Clinton een veeg uit de pan: "Barak voelt zich gesterkt door Clinton, die op ondiplomatieke wijze de schuld voor het mislukken van Camp David bij Arafat legt." Arafat moet het dan weer ontgelden omdat hij op zijn autoritaire manier amper overlegt met de achterban. "Arafat zijnerzijds gromt ontevreden over het affront dat Clinton hem zo openbaar aandoet, maar doet verder waarin hij zo ‘goed’ is: afwachten. Hij organiseert m.a.w. geen groot intern, fracties-overstijgend, mobiliserend debat over het wel en wee van Camp David, en houdt op zijn beurt vriend en vijand in het ongewisse over wat het Palestijnse volk al dan niet zou missen."

"Provocatie"

En dan komt Sharon op het toneel die met een "provocerende strijdkracht van meer dan duizend politiemensen" de Haram as Sharif (de Tempelberg in Oost-Jeruzalem) bezoekt, en daarbij de "bange Barak intimideert" en de "onzekere Arafat" duidelijk maakt "dat zelfs het heiligste der heilige voor de moslims, hoegenaamd geen verworven recht is in een vredesdeal met Israël."

Na het bezoek van Sharon breekt de tweede Intifada uit waarop in de woorden van de diplomaat ‘brutaal’ en ‘dodelijk’ wordt gereageerd: "Langs beide kanten laat de politieke klasse begaan: het Israëlische leger eigent zich de ordehandhaving op zeer drastische wijze toe, daarbij een interetnisch conflict brutaal militariserend. Generaal-premier Barak trekt bij wijze van spreken zijn uniform terug aan, en leidt zijn troepen onverschrokken tegen de rebelse Palestijnen, zo zichtbaar mogelijk hard en compromisloos, kwestie van niet onder te doen voor Sharon die aan de zijlijnen wacht. Arafat van zijn kant wacht weer af, er wellicht van uitgaand dat de uitbarsting van volkswoede tijdelijk is. Het gros van de Palestijnen is inderdaad nog niet gemobiliseerd, maar de dagelijkse doden en gewonden zorgen voor de verspreiding van een nieuw intifada-gevoel, dat Arafat hetzij niet onderkent, hetzij als onvermijdelijk beschouwt. "

"Israël’s weerzinwekkende praktijken"

De verkiezingen van 6 februari 2001 worden gewonnen door Sharon. De diplomaat heeft geen goed woord over voor Sharon, maar ook niet voor de internationale gemeenschap die volgens hem haar verantwoordelijkheid niet opneemt. "Sharon verkiest zich te concentreren op het dagelijkse geweld en intensifieert nog, tegen alle ‘common wisdom’ in, de militarisering van het conflict. Hij lanceert bovendien een demagogische campagne die niet alleen Arafat, maar ook geleidelijk aan ‘de Palestijnen’ met terrorisme associeert. Het is een vorm van cynisch incitement op het hoogste niveau, waarin de Israëlische samenleving zich meer en meer laat meeslepen, al naargelang de (zelf)moordaanslagen toenemen en meer en meer slachtoffers eisen. Ook Moratinos (de vertegenwoordiger van de Europese Unie, nvdr) concludeert in juli dat met Sharon geen enkele reële vrede mogelijk is. De internationale gemeenschap uit periodiek haar bezorgdheid, maar komt niet veel verder dan oproepen aan beide partijen om toch maar zo snel mogelijk de Mitchell-aanbevelingen te beginnen uit te voeren. In de feiten wordt de Israëlische bezetting steeds brutaler, en daarmede het objectief van vreedzame coëxistentie steeds onbereikbaarder." Sharon weet zich volgens de diplomaat gesteund door de "politieke kortzichtigheid" van de Amerikaanse president Bush. Die laat begaan want sinds 11 september vallen "Israël’s weerzinwekkende praktijken" onder de noemer van de strijd tegen het terrorisme.

"Land en volk dienden in hart en ziel getroffen te worden"

Vooral met betrekking tot de militaire invasie van eind maart dit jaar, die uitmondt in een "vernederend beleg" van Arafats hoofdkwartier in Ramallah, is de diplomaat ongemeen scherp voor Sharon: "Wanneer het leger zich op 22 april uit de Palestijnse steden begint terug te trekken, na een maand van doorgedreven militaire terreur tegen de burgerbevolking, wordt duidelijk dat Sharon’s politico-militaire apparaat niet zozeer de zogenaamde ‘terrorist infrastructure’ viseerde of uitschakelde, maar veeleer alles wat met de Palestinan Authority te maken heeft. Alle gegevensbestanden in nation-building ministeries zoals Onderwijs, Gezondheid en Burgerlijke zaken, werden vernietigd of meegenomen. Parastatale instellingen als het Centraal Bureau voor Statistiek werden binnenin kort en klein geslagen. Alle stadhuizen (municipalities) werden grondig gevandaliseerd…kortom, land, volk en natie dienden in hart en ziel te worden getroffen teneinde duidelijk te maken dat nation-building niet geoorloofd is, en zeker niet met Arafat als leider. De straf om toch die poging te hebben ondernomen (zelfs met hulp van de internationale gemeenschap) is een doorgedreven collective punishment dat de bevolking terug naar een primair bestaan duwt, zonder socio-economische of culturele interacties tussen steden, dorpen of families. Ook de anderhalf miljoen vluchtelingen in Palestina zullen het geweten hebben: de “wilful and wanton destruction” van wat zelfs hun eigen bezittingen niet zijn (culminerend in de moordpartij in Jenin) wordt aangeklaagd door Commissaris-Generaal Hansen, die zich alle dagen onbegrijpend afvraagt hoelang Israël zo nog ongestraft zal mogen doorgaan. In die ronduit tragische, desperate context is het zonneklaar dat geen enkele wederopgebouwde Palestijnse veiligheidsdienst op zich het kwaad van het terrorisme efficiënt gaat kunnen beteugelen: hoe kan binnen de Palestijnse samenleving respect voor Israël en haar veiligheid worden afgedwongen, indien datzelfde Israël diezelfde samenleving dagelijks verder ten gronde richt? Dit is fundamenteel. Enkel een de facto terugkeer naar de Wye-voorwaarden van een quid pro quo (peace and security for land and autonomy) kunnen Arafat en de PA (Palestijnse Autoriteit, nvdr) politiek en organisatorisch in staat stellen om actief in te gaan tegen de kleine harde kern die het bestaan van de joodse staat blijft ontkennen."

Dat het zo ver kon komen wijt de diplomaat voor een stuk aan het gebrekkige leiderschap van Arafat, die weigerde in te zien dat "de Israëlische bezetter het laatste woord heeft" en dat het "Interim-akkoord in feite een dictaat is van Israël, gesteund door de VS." Waarop hij stelt: "De gewelddadige uitbarsting van jarenlange opgekropte frustraties en vernederingen, vanaf 29 september 2000, had Arafat en zijn entourage duidelijk moeten doen beseffen dat de grenzen van het populaire geduld met het gesofistikeerde Oslo-proces bereikt zijn. Heeft hij gehoopt dat, naar het voorbeeld van de eerste Intifada (1987-93), deze gewelddadige opstand

Israël zou dwingen haar koloniale beleid op te geven? Heeft hij naïef op dezelfde snelle, volgehouden internationale sympathie en steun gehoopt, die toen naar Madrid heeft geleid?"

"Schandalige militaire afgrendeling"

De diplomaat heeft het duidelijk niet begrepen op Oslo, niet allen omwille van de vertragingsmanoeuvres, maar ook omdat Israël in de praktijk toont dat het op een "schandalige manier" Palestina economische wurgt. Voor de impasse van vandaag legt hij ook de schuld bij de Europese Unie: "De EU zal in economisch opzicht ook eindelijk eens wat meer moed, lef en doorzettingsvermogen moeten betonen tegenover de Israëlische overheid. Het is voldoende bekend dat de EU de Palestijnse economie tijdens de Oslo-jaren mee heeft helpen uitbouwen en op de been houden, niet mét maar ondanks Israël. De belemmeringen die Israël aan doodgewone economische verrichtingen, activiteiten en investeringen in Palestina oplegt zijn oeverloos. En dan spreken we over de vredevolle jaren (1995-2000). In mijn jaarverslag 2000-2001 schreef ik, in juli 2001, inzake de verstikkende en vernietigende militaire afsluiting van de Palestijnse gebieden, zowel van de buitenwereld als tussen de steden en dorpen: ‘Na gedurende zeven Oslo-jaren de Palestijnse economie moeizaam te hebben helpen ontwikkelen, tegen de systematische weerstand van Israël in, betaalt de donorgemeenschap nu sedert 10 maanden voor de rampzalige socio-economische gevolgen van een schandalige militaire afgrendeling van de Palestijnse gebieden, die nauwelijks iets met veiligheid te maken heeft. En die kostelijke bijstand moet dan nog, om ter plaatse te geraken, rekenen op de goodwill van de bezetter, die bovendien de rechtmatige inkomsten van de Palestijnen (douanerechten en BTW) zelf inhoudt. Het overduidelijke “recht van de sterkste” alhier wordt wel erg lankmoedig aanvaard door de EU en andere donoren. Men kan zich afvragen in welke mate dergelijke houding overeenstemt met het Belgische of Europese belang".

De diplomaat besluit: "Dit is de dagelijkse, deprimerende realiteit en werkomgeving van deze post. Wie hier leeft en werkt, weet dat geen woord ervan overdreven is, en dat de toestand er sedertdien alleen maar op verergerd is. Ik heb hier tijdens mijn ambtstermijn doelbewust geweigerd om af te glijden naar gemakkelijk cynisme of verlammend fatalisme. De banalisering van de dagelijkse, systematische en gewelddadige ontwrichting van de Palestijnse samenleving, in al haar geledingen, inclusief het doodschieten van vrouwen

en kinderen en het manu militari ontzeggen van dagelijks vrij verkeer en van elementaire voorzieningen en medische zorgen (nu al gedurende bijna twee jaar), is en blijft dan ook ontstellend en ontoelaatbaar voor al wie het als een stuk van zijn mandaat beschouwt om een bijdrage te leveren aan de eerbied voor de rechten van de mens, vrouw, kind, politieke gevangenen, volk."

(Uitpers, juli-augustus 2002)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 22 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook