Belgen in China tussen 1870 en 1930

Dit mooi en stevig boek geeft met vele foto’s en andere documenten een goed beeld van de Belgische aanwezigheid in China, vooral tussen 1870 en 1930, toen de Belgische industrie bij de top-5 van de wereld hoorde (p. 70). De auteurs gaan gelukkig ook verder terug in de tijd en stoppen niet in 1870: ze geven een schema van de keizerlijke dynastieën van 2205 v.C. tot 1911 n.C., ze vertellen over de oude zijderoute, de aanwezigheid van Nestoriaanse christenen in China tussen 631 en 750, de reis van de Vlaming Willem van Rubroek (nu Rubrouck in Frans-Vlaanderen) tussen 1253 en 1255 naar de Mongolen, die ook over China heersten. Zijn reisverslag (‘Itinerarium’) is ook vertaald in het Nederlands en geldt als een betrouwbare bron voor historische volkenkunde, aardrijkskunde, taalkunde etc. Zijn beschrijving van de Mongoolse hoofdstad Karakorum was de eerste in de Europese literatuur (p. 23). Hij was ook de eerste die de Kaspische Zee een binnenmeer noemde en het bestaan van Korea signaleerde. Na Rubroek volgde o.a. de veel minder betrouwbare Marco Polo (1271-1288), die wel wereldberoemd werd, maar die de Grote Muur en het voetjes binden niet opmerkte.

Toen de Portugezen in 1555 Macau ontdekten, volgden ca. 500 Jezuïeten, van wie Matteo Ricci, Ferdinand Verbiest en Philippe Couplet voor ons de bekendsten zijn. Slechts 200 van de 500 overleefden de gevaarlijke reis (p. 30). Op die p. 30 staat een lijstje met dertig jezuïeten uit onze gewesten. Verbiest was de veelzijdigste: astronoom, onderhandelaar, bouwer van kanonnen etc. Couplet vertaalde Confucius en bracht een Chinese bekeerling mee naar Europa. Ze werden overal bekeken en ook ontvangen door Lodewijk XIV en James II. Dorville was de eerste Europeaan die Tibet bereikte (1661).

Helaas weigerde de paus een Chinese versie van het christendom te aanvaarden. Dit leidde tot de geleidelijke verbanning van de Jezuïeten uit China (1722-1735) (p. 33). Hun graven liggen op het Zhalan-kerkhof in Beijing. De inhoud is weggenomen door de Boksers (1900). Ook de Culturele Revolutie heeft daar toegeslagen.

In de 18de eeuw kende China veel bewonderaars in Europa: men bestudeerde het confucianisme en haalde Chinese sierkunst in huis. De handel verliep via de Engelse Indische Compagnie, de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de Oostendse Oost-Indische Compagnie. Thee en zijde waren de belangrijkste Chinese exportproducten.

In de 19de eeuw voerden de Britten hun Opiumoorlogen (1839-1842 en 1858-1860) en veroverden Europese landen havensteden in China. Samen met de ‘ongelijke verdragen’ zorgden ze voor de benaming ‘Eeuw van de vernedering’ (1839-1949), waar de Chinezen nu nog vaak naar verwijzen. Victor Hugo ergerde zich in 1861 aan de Engelsen en Fransen, die het Zomerpaleis, gebouwd door Jezuïeten in de 17de eeuw, geplunderd en in brand gestoken hadden (p. 43).

Vanaf 1865 tot 1950 trokken Theofiel Verbist en 679 Scheutisten naar China, meer bepaald naar het arme Binnen-Mongolië. Verbist stierf er al in 1868 aan tyfus.

De Boksersopstand (1899-1901) was de bekendste reactie van de Chinezen op de aanwezigheid van Europeanen. Circa 500 missionarissen werden vermoord, hoewel zij zich bezig hielden met de gewone bevolking, met kanalen graven, irrigatie, geneeskunde en taalkunde. Paul Splingaerd (1848-1906) was gedurende 43 jaar een bekende lekenhelper van de Scheutisten in China. Zijn graf in Beijing werd verwoest tijdens de Culturele Revolutie (p. 57).

Behalve de honderden Scheutisten, trokken tussen 1872 en 1940 ook 102 Franciscanen naar China. De Franse Lazaristen waren er ook actief met o.a. de zeer bedrijvige en China-gezinde Gentenaar Vincent Lebbe, die de paus overtuigde om zes Chinese priesters tot bisschop te wijden. Nog andere Belgische congregaties waren actief in China, o.a. de Zusters van de Jacht. De congregaties hadden het moeilijk tijdens de Japanse bezetting en in 1949 werden alle missieposten ontbonden door de communisten, die o.a. ca. 250 Scheutisten ombrachten.

Hoofdstuk 2 gaat over de economische relaties tussen 1864 en 1920. In 1864 reisde kroonprins Leopold, de latere koning, naar China, maar hij moest terugkeren omdat Leopold I ziek werd. In 1865 tekende diplomaat Auguste ’t Kint de Roodenbeke in Beijing een handelsakkoord dat standhield tot 1928. In 1898, tijdens Leopold II, werd het contract getekend voor de aanleg van de spoorweg van Beijing naar Hankou, nu het fameuze Wuhan. Leopold deed niet minder dan vijf pogingen om in China een concessie te krijgen, maar hij werd telkens gedwarsboomd door kortzichtige Belgische regeringen. Uiteindelijk kreeg België van de acht geallieerden een mini-concessie in Tientsin/Tianjin van 1902 tot 1929/31 (p. 72-76). Ook in Lanzhou waren ze zeer actief met o.a. een weeffabriek en de bouw van een stalen brug over de Gele Rivier. Het valt op hoe veeltalig die Belgen waren, met Paul Splingaerd als topper: hij sprak Nederlands, Frans, Chinees, Latijn, Russisch, Japans, Tibetaans en Mongools (p. 80)!

Na WO I waren er geen nieuwe economische initiatieven meer van België in China. In 1926/29 gaf koning Albert I de concessie van Tientsin aan de Chinese Republiek van Tsjang Kai-Sjek. België was het eerste land dat zijn concessie teruggaf (p. 87). Lu Zhengxiang, vertegenwoordiger van China in Versailles, minister van buitenlandse zaken en eerste minister van China, werd na de dood van zijn vrouw monnik in de abdij van Sint-Andries (bij Brugge) en in 1946 zelfs abt van de Sint-Pietersabdij in Gent. Hergé, schrijver van ‘Tintin et le Lotus Bleu’/’Kuifje en de Blauwe Lotus’ (1936), was met hem bevriend en haalde zijn inspiratie bij hem. Detail: een niet-gebruikte ontwerp-kaftpagina daarvan werd in januari 2021 verkocht voor 3,175 miljoen euro!

Tussen 1949 en 1971 waren de relaties tussen België en China zeer beperkt. In 1950 werd de directeur van de Société Générale in Shanghai, Jef Van Roosbroeck, gearresteerd. Pas in 1972 werd hij vrijgelaten. Hij had meer geluk dan de vele missionarissen, die vermoord werden of stierven in de laogai/werkkampen. In 1961 bracht koningin Elisabeth een bezoek aan Mao, zeer tegen de zin van koning Boudewijn en van de regering (p. 95). In 1958 had ze ook al een betwist bezoek gebracht aan Chroesjtsjov.

In de jaren ’70-’80 trokken de eerste Belgische bedrijven naar de Chinese Volksrepubliek: Alcatel Bell, Janssen Pharmaceutica, Stella Artois (nu AB InBev). Bekaert en (1600) andere volgden later.

Hoofdstuk 3 vertelt over de aanleg van de spoorlijn Beijing-Hankou (nu Wuhan) en de Belgische dokters Philippe en Adolphe Spruyt, die erbij betrokken waren.De overeenkomst werd in 1898 getekend door de keizer en de Belgische consul Emile Francqui. Zes jaar eerder had Cockerill in die buurt al een staalfabriek geopend voor de productie ter plaatse van de rails. De afstand was 1.270 km en men moest door een moeilijk gebied, met een brug van 3 km over de Gele Rivier en twee tunnels, met tegenstand van de Fransen en van de Boksers en een acuut tekort aan geschoold personeel. Jean Jadot leidde de werken (1898-1906). Daarna werd hij gouverneur van de Société Générale en was hij actief in Congo, waar de stad Jadotville (nu Likasi) naar hem genoemd werd. De gebroeders Spruyt zorgden voor de medische diensten op de spoorlijn en mochten ook de Chinese aristocratie verzorgen. Ze lieten een collectie brieven en foto’s achter, o.a. over ‘Le Cercle Belge’ (de 27 Belgen in Hankou), over de gewoontes van de Chinezen (eten, kleding, ziektes) en over de … ‘luiheid van de Chinese arbeiders’. Hankou was een belangrijke stad met concessies van Engeland, Frankrijk, Rusland, Duitsland en Japan.

Hoofdstuk 4 gaat over de concessies in Tientsin (Tianjin) en de aanleg van tramsporen daar. Ingenieur François Nuyens noteerde van 1905 tot 1908 alles in zijn dagboek, dat de auteurs, samen met andere primaire bronnen, konden benutten voor dit hoofdstuk. Er staan ook stadsplannen bij (p. 148-149), met de locaties van de acht concessies. De Belgische concessie was met slechts 44 ha de kleinste. In 1906 werd het tramnetwerk geopend. In 1937 namen de Japanners het in beslag en in 1943 stuurden ze de Belgische leiding en hun families naar concentratiekampen. Na WO II nationaliseerde China de tramlijnen, zonder compensatie aan de Belgen.

Nuyens is een goed observator en beschrijft de Chinese gewoontes, o.a. heel het jaar door werken behalve met het Chinees Nieuwjaar (dat 16 dagen duurt). Hij vertelt ook over de koelbloedige executies van misdadigers.

Hoofdstuk 5 gaat over de reisroutes naar China: over zee via het Suezkanaal (33 à 41 dagen) of via de Trans-Siberische spoorweg (14 dagen). Die spoorweg werd gerund door het Belgische Wagon-Lits van Georges Nagelmackers. Ook hier gebruiken de auteurs de reisnotities van Nuyens. Er is ook een kort hoofdstukje over de post in China met de vermelding dat het ca. 48 dagen duurde eer een brief van Tientsin in België geraakte.

Hoofdstuk 6 gaat verder in op Nuyens’ leven in Tientsin en de indrukken die hij er op deed. In de Europese concessies was het zeer netjes, in de Chinese straten des te vuiler: honden en varkens aten er de afval op. De meeste Europeanen waren gestresseerd, omdat “de Chinezen hen permanent probeerden te bedriegen”. In 1906 werd Nuyens uitgenodigd bij onderkoning Yuan Che Kai, die in 1912 president werd. Hij heeft ook foto’s gemaakt van de uitvoering van de doodstraffen door onthoofding of wurging, die bijgewoond werden door massa’s volk. Hij geeft ook een overzicht van de vervoersmiddelen en beschrijft het pijnlijke voetjes inbinden bij meisjes vanaf 5 à 6 jaar. Daardoor werden vele voetjes maar 10 cm lang en waren ze blauw van kleur. Hij noemt het “een barbaarse gewoonte”. De beschrijving van de nieuwjaarsviering en van andere rituelen is vrolijker.

In hoofdstuk 7 krijgen we een selectie uit de vele foto’s van Nuyens en de gebroeders Spruyt. Ze tonen het dagelijks leven in China rond 1900 alsook een aantal monumenten. Als Nuyens en Spruyt nu zouden terugkeren, zouden ze ‘hun’ steden vast niet meer herkennen.

Het laatste hoofdstuk gaat over 50 jaar diplomatieke en economische relaties tussen China en België (1971-2020), met een getuigenis van jonge Belgen in Shanghai.

Beoordeling

De auteurs hebben een boek geschreven dat zeer aangenaam leest. Het bevat mooie prenten, geografische kaarten, tekeningen, originele documenten, kopieën van brieven en van dagboekfragmenten, kadertjes met biografieën of met uitleg over bepaalde onderwerpen, plattegronden van steden en het is voorzien van een zeer stevige kaft. De tekst is over het algemeen zeer toegankelijk, maar een Engels woordenboek is soms nuttig.

Enkele opmerkingen. Een kaart met de vele plaatsnamen ontbreekt. Idem voor een register met de ontelbare eigennamen. De eerste vestiging van Janssen Pharmaceutica in Hanzhong (1978) ontbreekt. Op p. 31 staat dat Michael Shen Fuzong de eerste Chinees was die Europa bezocht (1681), maar op dezelfde bladzijde lees ik dat Cheng Manuo Weixin in 1653 de eerste was. Men spreekt over de Sino-Japanese War en de Russo-Japanese War (p. 49), hoewel Japan telkens de aanvaller was. Emile Ernest de Cartier de Marchienne wordt hier ‘adjudant’ genoemd (p. 77). Hij was zaakgelastigde op de Belgische ambassade (1898-1902), onderhandelde de herstelbetalingen na de Boksersopstand, liet een nieuwe ambassade bouwen en was ambassadeur van 1910 tot 1917.

De uitspraak ‘Quand la Chine s’éveillera, le monde tremblera’ (p. 86) wordt graag toegeschreven aan Napoleon, maar het is niet zeker dat hij die wijze woorden ooit uitgesproken heeft.

Nuyens arriveerde in Tientsin op 5/1/1906 en op 1/8/1905 (p. 166). De juiste datum is 1/8/1905. Op p. 161 maken ze een fout in de transscriptie van de Latijnse zin: ‘in ecclesiam’ moet zijn: in ecclesia. De naam Janssen schrijven ze een paar keer met een derde ‘s’ (p. 94-95) , van Nagelmackers maken ze één keer ‘Nagelmaeker’ en één keer ‘Nagelmaekers’ (p. 171). Pairi Daiza spellen ze ook één keer als ‘Pairi Daisa’ (297). Andere drukfoutjes: beaten eaten away (p. 47): die ‘eaten’ moet weg; Le Patriote illustre mist een accent op de é (p. 51); he speak (p. 80) mist een ‘s’, ‘offer’ op p. 92 moet officer zijn. En kingkom (p. 299) veranderen we best in kingdom.

Nuyens situeert de berg Sinaï in Arabia (p. 177); dat moet Egypte zijn. Op p. 175 wordt het standbeeld getoond van Ferdinand de Lesseps in Port Said. Helaas is dat in 1956 door Nasser van zijn voetstuk gehaald en vervangen door de Egyptische vlag, alsof de Egyptenaren het Suezkanaal bedacht (en gegraven) hebben. In de bibliografie (p. 299) staat wel de Engelse editie van Willem van Rubroek, maar niet de Nederlandstalige, die in 1984 in Tielt uitgegeven is.

Tot slot: ik mis een lijst met alle Belgische bedrijven die nu actief zijn in China (ca. 1.600) en alle Chinese die in Luik, Antwerpen, Gent, Zeebrugge etc. aanwezig zijn. Een boeiend boek, zowel voor leken als voor deskundigen!

© Jef Abbeel                www.jefabbeel.be                januari 2021

(Visited 78 times, 1 visits today)
Deel dit artikel