Bedenkingen bij een racistische lente: stil marcheren, van het ene drama naar het andere?

De stille mars in Antwerpen was een indrukwekkende manifestatie van solidariteit met slachtoffers van racistisch geweld en hun nabestaanden. De mars was een oproep tot actie tegen het racisme. Voor het eerst sinds 1994 kwamen enkele tienduizenden op straat om het ‘racisme’ aan de kaak te stellen.

De grote beroering onder de autochtone meerderheid heeft zeker te maken met het feit dat ‘de Vlaming’ zich gemakkelijk kan identificeren met de achttienjarige Joe Van Holsbeeck en de tweejarige Luna Drowart, twee ‘blanke’ slachtoffers die respectievelijk op 12 april en op 11 mei vermoord werden omdat ze iets deden wat iedereen doet – de trein nemen of op straat lopen. Er is evenwel meer aan de hand dan dat.

De massamanifestatie van 26 mei toont aan dat brede lagen van de publieke opinie sinds kort gevoelig zijn geworden voor het racisme waaronder etnische minderheden eigenlijk al decennia lang gebukt gaan. Er was immers een dubbele schok: het plotse besef, nadat was gebleken dat de moordenaar van Joe Van Holsbeeck geen Marokkaanse Belg maar een Pool was, dat op het publieke forum de moord was aangegrepen om gedurende twaalf dagen etnische minderheden af te schilderen als een kweekvijver voor criminelen. En vervolgens een reeks opvallende racistische misdaden, waaronder de slachtpartij van 11 mei in Antwerpen.

Het gevaar is evenwel reëel dat dit momentum wegsmelt als sneeuw voor de zon. Het ‘witte’ karakter van de marsen in Brussel en Antwerpen, zonder voorstellen en eisen, geeft de politieke klasse vrij spel om naar eigen inzichten ‘het signaal’ van de demonstranten te interpreteren. De Antwerpse burgemeester Patrick Janssens had na de moordende raid van Hans Van Temsche via de voorpagina van De Morgen laten weten dat het verdriet ‘van iedereen’ is. Een analyse over de voorgeschiedenis, de sociale en politieke context en de gevolgen van de misdaad wees hij in die uren en dagen uitdrukkelijk van de hand. Dit apolitiek standpunt domineerde de eerste initiatieven van de organisatoren van de mars van 26 mei. De mars moest ‘wit’ zijn, met slechts één slogan: ‘Het verdriet is van A’. Dat de moorden geen ‘zin-loos’ geweld zijn, maar met racisme te maken hebben, was blijkbaar niet van belang. De families van de vermoorde allochtonen zijn er in extremis wel in geslaagd om aan de manifestatie nog een tweede slogan te verbinden die wél het racisme met de vinger wijst: ‘Stop racisme, diversiteit is realiteit’. Maar dat volstond niet. De politieke vaagheid van de mars liet zelfs Filip Dewinter toe om de leden en militanten van het Vlaams Belang op te roepen mee te manifesteren! Het is bijgevolg aangewezen om na de mars niet alles blauwblauw te laten, en een koele analyse voorop te stellen. Nu overgaan tot de orde en de waan van de dag geeft alleen uitzicht op nieuwe drama’s.

Het zou ook onverantwoord zijn om het debat aan de politiek en de media over te laten, want die instellingen zijn mee verantwoordelijk voor het klimaat waarin xenofobe straatterreur uit de jaren dertig niet veraf meer lijkt. Enkele beschouwingen.

1. Racistische oogverblinding – De moord op Joe Van Holsbeeck was het startschot voor parket, politie en media en enkele Marokkaans-Belgische politici om gedurende twaalf dagen etnische minderheden af te schilderen als een kweekvijver voor criminelen. Het is een duivels mechanisme: als een autochtoon over de schreef gaat, dan is dat individu schuldig; als een Marokkaanse of Turkse Belg hetzelfde doet, wordt zijn ‘cultuur’ met de vinger gewezen en moeten de ‘vertegenwoordigers’ van de allochtone gemeenschap hun goede trouw bewijzen… In dit geval kwam de demonisering op gang omdat de moordenaar donker haar en donkere ogen had. Dat volstond om in hem ‘een Marokkaanse Belg’ te zien – wat niet meer is dan racistische oogverblinding en geen deficiëntie van onze hersenen, zoals sommigen stelden.

2. Verantwoordelijke nummer 1: het VB – Het VB is de eerste verantwoordelijke voor het klimaat waarin racistisch geweld gedijt. VB-voorzitter Frank Vanhecke publiceerde op 21 april een standpunt over de moord op Joe Van Holsbeeck. Het was voor zijn labielste soldaten een oproep tot actie: ‘Het zijn wij niet of een eerlijk gerechtelijk onderzoek die de migranten of een deel ervan “stigmatiseren”. Dat doen die boefjes wel, “die denken dat ze alles mogen en dat de straat van hen is”. Het moet nu maar eens gedaan zijn. (…) Laat de macho’s, struikrovers, revolverhelden en messentrekkers nu maar eens voelen dat het menens is. Geen excuses of fluwelen handschoenen meer voor het crapuul. Hoog tijd voor een keiharde aanpak.’

3. De etnische kaart – Marokkaans-Belgische backbenchers als Fouad Ahidar (parlementslid Spirit) en Tarik Fraihi (studiedienst Sp.a), daarbij aangevuurd door Brice De Ruyver (rechterhand van premier Verhofstadt), trokken voluit de etnische kaart. Als ze hun zin hadden gekregen, was de nasleep van de moord uitgedraaid op een boeteprocessie – op een publieke schuldbelijdenis van de etnische minderheden van dit land. Dat zou de weg hebben vrijgemaakt voor een verhitte discussie waarin uiterst rechts het hoge woord zou hebben gevoerd en de minderheden bij voorbaat in een egelstelling zouden zijn gedrongen. Politici als Vande Lanotte en Tobback weigerden evenwel die etnische kaart te trekken. Vande Lanotte raakte de juiste snaar: ‘Het zou al te gemakkelijk zijn om de moord te koppelen aan het integratiedebat. Vandalisme en kleine criminaliteit hebben te maken met sociale achterstelling. Maar dit niet. Je bewijst het integratiedebat geen dienst als je het koppelt aan deze moord. Vandaar ook dat ik vind dat er niet al te veel intellectueel debat nodig is. Toen Dutroux zijn moorden pleegde, debatteerden we toch ook niet over de integratie van de Walen in België. Tegen een hoge vorm van geweld als dit past enkel repressie. Integratie daarentegen gaat over kansen bieden aan mensen.’ (De Morgen, 24 april) De éminence grise van de partij, Louis Tobback, was in dezelfde editie van de krant niet minder pertinent. Hij stelde terecht dat dit ‘absurd gratuit geweld’ geen uitzondering is in Europa, en verwees daarbij fijntjes naar gelijkaardige moorden in Spanje, Groot-Brittannië en Nederland‘, alle gepleegd door autochtonen, om te besluiten: ‘Dat de moordenaar van Joe van vreemde origine is, heeft er absoluut niets mee te maken. Het had evengoed een autochtoon kunnen zijn. De moord is geen probleem van de multiculturele samenleving, ze is een probleem van de samenleving tout court. Noem het waarden, noem het wat je wilt, maar je kunt er niet omheen dat er vandaag een groot gebrek aan samenhang heerst. De maatschappij wordt almaar individualistischer, er zijn almaar minder remmen. “Mijn vrijheid, ik doe wat ik wil”, die mentaliteit. Vroeg of laat loopt dat helemaal fout af. (…) De stille mars was, bewust of onbewust, een roep naar meer samenhang.’

Het zijn zeldzaam wijze woorden van een voorzitter en een ex-voorzitter van een partij die over haar beleid ten aanzien van de moslims geen rooskleurig palmares kan voorleggen. Wat verklaart dit (kortstondige) moment van wijsheid? De Sp.a staat sowieso huiverig tegenover elk debat over integratie en multiculturaliteit: dat is een constante. Er is evenwel een tweede reden waarom de Sp.a-top de boot afhield. De politieke klasse van dit land, het geweld na de moord op Theo Van Gogh (2004) indachtig, was niet belust op een scenario waarin ‘de allochtonen’ in de verdediging zouden worden gedrukt en wraakacties van allochtone en autochtone extremisten over en weer tot de mogelijkheden behoren. De brandstichtingen in moskeeën en kerken in 2004 in Nederland en ook de rellen in de Franse voorsteden eind 2005 deden haar beseffen dat ze met vuur speelt als de islamofobe passies te hoog oplaaien. Dat besef heeft veel politici ertoe gebracht het testosteron uit hun verklaringen te halen.

4. De rol van de elite – De traditionele elite in de politiek, de media en het bedrijfsleven blijft de hoofdverantwoordelijke voor de xenofobe samenleving waarin we leven. Minister van Binnenlandse Zaken, Patrick Dewael, heeft zijn offensief tegen de hoofddoek (voorlopig?) opgeborgen, maar hij cultiveert een xenofoob profiel met harde verklaringen aan het adres van asielzoekers, die een gemakkelijkere prooi zijn dan de moslimgemeenschappen. Het islamofobe bloed kruipt waar het niet gaan kan: VLD-voorzitter Bart Somers blijft werkloze allochtone jongeren stigmatiseren als werkschuw (naar aanleiding van een openstaande betrekking bij de stad Mechelen), legt het jeugdhuis Rzoezie aan banden omdat het politieracisme had aangeklaagd en wil alle allochtone zelforganisaties op droog zaad zetten. De politieke klasse weigert ook het racisme van werkgevers te breken en aanwervingsquota ten bate van etnische minderheden in te voeren. Enkele dagen voor de moord op Joe Van Holsbeeck riep volksvertegenwoordigster Annemie Turtelboom (VLD) dat veel moslimvrouwen werkloos zijn omdat hun mannen hen verbieden te werken. Haar remedie: neem hun werkloosheidsuitkeringen af. Ze had foute cijfers in de hand, en ze zong het liedje dat de Antwerpse socialistische schepen Robert Voorhamme en VLD’er Patrick Dewael al eerder zongen: onder het mom van emancipatie van moslimvrouwen een islamofobe agenda promoten.

En dan is er VLD-boegbeeld Jean-Marie Dedecker. Deze liberale populist doet hetzelfde als de neofascist Filip Dewinter: parasiteren op de gevoelens van angst, radeloosheid en frustratie van de volkse lagen van onze samenleving om ze om te buigen naar gespierde, rechtse ‘oplossingen’. Na de moord op Joe Van Holsbeeck rook Dedecker bloed. De moord was niet meer of niet minder dan ‘het gevolg van een steeds driester wordende spiraal van geweld dat gedoogd wordt door de cultus van de multiculturele slachtoffercultuur.’ Zijn oplossingen? Meer repressie en meer racisme. Let erop hoe hij de denkbeeldige oorzaken van ‘de multiculturele problemen’ verbindt aan volkse frustraties: ‘Als men evenveel mankracht zou inzetten voor het bestrijden van de overlast als voor het uitschrijven van parkeerboetes, dan zou het rechtvaardigheidsgevoel van de burger al significant stijgen.’ Allochtonen zijn werkloos en graaien in ‘onze’ sociale zekerheidskas, of ze werken en dan ze pakken ‘ons’ werk af: ‘Zelfs werkloosheid wordt er als alibi gebruikt om crimineel gedrag te vergoelijken. De waarheid is echter prozaïscher en minder poëtisch dan de culturele slachtofferrol. Om bijvoorbeeld een job te vinden als postman in het sorteercentrum Brussel X ben je bij voorkeur allochtoon en passeer je verplicht langs het cliëntelisme van de Parti Socialiste. Van de 35 aangeworven werknemers in het laatste kwartaal van 2005 waren er ruim tachtig procent van allochtone afkomst en amper twee Vlamingen (dat zijn dus de echte gediscrimineerden in de Brusselse PS-Staat).’ Dit proza stond onder de titel ‘Het failliet van een crimineel gedoogbeleid’ in De Standaard van 19 april te lezen. Hoeft het te verwonderen dat de Speciale Rapporteur van de Verenigde Naties over racisme, xenofobie en intolerantie het klimaat in de dagen na de moord op Joe Van Holsbeeck verbindt met de slachting in Antwerpen? Hoeft het te verwonderen dat Filip Dewinter met graagte en instemmend uit de vrije tribunes en verklaringen van Dedecker citeert?

Het VB zijn de muskieten, maar de traditionele politici en persgeneraals bevloeien het moeras. Om de muskietenplaag uit te roeien, moeten we het moeras droogleggen. Het racisme is in onze structuren en mentaliteit zelf ingebakken. Politici en bedrijfsleiders gedogen racisme en uitsluiting van etnische minderheden, of organiseren dat zelf (denk maar aan de povere diversiteit in bedrijven en administratie). Jarenlang rolden de partijen vechtend over straat over de invoering van het migrantenstemrecht: het was een krachtig signaal dat de Bange Blanke Man ervan overtuigd heeft dat het afblokken van politieke rechten voor een kleine groep allochtonen belangrijk is. Toen het nationale parlement dan toch een ontmand stemrecht goedkeurde, werd het door de huidige christen-democratische, Vlaamse minister-president, Yves Leterme, gekapitteld als ‘medeplichtig aan het opdringen van het migrantenstemrecht waar in Vlaanderen absoluut geen meerderheid voor is’. Wie kan zich dan nog verbazen over de opeenvolgende zwarte zondagen, over het succes van de partij die op de meest duidelijke, eenvoudige en rechtlijnige manier datgene verwoordt wat in de samenleving dominant is?

5. De respectabele politici – De verantwoordelijkheid van ‘respectabele’ politici wordt duidelijk als we hun reacties op de slachtpartij van 11 mei in Antwerpen overschouwen. Burgemeester Patrick Janssens (Sp.a) verklaarde dat we tegen zo’n ‘compleet losgeslagen’ man ‘machteloos’ staan. Sp.a-voorzitter Johan Vande Lanotte besloot: ‘Geen algemene conclusies trekken uit individueel extreem geweld’. Yamilla Idrissi sprong de partijtop bij: ‘Waarom moeten tragedies instant verklaard worden? Waarom moeten afschuwelijke gebeurtenissen gesmoord worden in analyses? Waarom kunnen we het verdriet niet laten zijn en luisteren naar onze emoties? Is het omdat we bang zijn van de stilte, omdat die ons te sterk confronteert met onze donkere kant?’ De link met racisme is voor de Sp.a ‘politieke recuperatie’. CD&V zit op dezelfde lijn. Voor Sp.a en CD&V gaat het om ‘geïsoleerde’ incidenten: de angst voor wraak, de obsessie om allochtonen ‘kalm’ te houden en hun koudwatervrees voor een echt debat over de structurele problemen doen hen het bestaan van de zon en de racistische connectie ontkennen. De liberalen zien het een beetje anders. Volgens Verhofstadt en Somers toont de dubbele moord wél het gevaar van ‘extreem-rechts’ aan. De VLD legt de schuld bij het VB, zonder evenwel het structurele racisme te vermelden. Somers wil het VB wel een (electorale) prijs laten betalen, maar hij zwijgt over de eigen islamofobe gangmakers zoals een Dedecker. En hij profiteert van de dramatische gebeurtenissen om zijn liberale agenda te promoten: volgens hem ligt ‘het groepsdenken’ – lees: het doelgroepenbeleid – mee aan de basis van het racisme. De reactie van de elite – naargelang de positie op de politieke markt het VB verbaal aanvallen of met rust laten, maar in ieder geval eensgezind het maatschappelijke racisme wegmoffelen – demonstreert haar bekrompen, egoïstische, partij-dige visie op de samenlevingsproblemen.

6. Politieke ruimte – De terugslag van de islamofobe verdwazing die na de moord op Joe Van Holsbeeck de publieke opinie in de ban hield, na de ‘ontdekking’ dat de daders geen Marokkanen waren, en de schokkende misdaden in mei, creëren politieke ruimte. Hoewel stille marsen en manifestaties tegen ‘zinloos geweld’ en ‘haat’ de gemoederen kunnen bedaren, leiden ze niet tot echte vooruitgang. Het publiek geuite rouwbeklag hoort thuis in het rouwproces van de omgeving van de slachtoffers. Het is geen alternatief voor een duidelijke politieke strategie, want het maatschappelijke effect van moraliserende boodschappen (‘het verdriet is van iedereen’, ‘iedereen moet in de spiegel kijken’, ‘laat ons elkaar opnieuw leren zien als mens, zonder ons af te vragen of het om een moslim, een zigeuner of een illegaal gaat’) is zeer beperkt. Ze geven politici vrij spel voor cosmetische veranderingen: een wijziging van de wapenwet, verbale of juridische aanvallen op het VB. Aan het echte probleem wordt niet geraakt – aan het structurele racisme, dat de etnische minderheden in hun achterstelling opsluit en de blanke meerderheid bevestigt in zijn monoculturele, xenofobe wereldbeschouwing. Meer zelfs: de aanvallen van politici en commentatoren op het VB versterken de publieke opinie in haar overtuiging dat ‘de machthebbers’ van de gepleegde misdaden profiteren om met het VB af te rekenen. Ook Yves Desmet erkent dat in De Morgen: ‘Onwaarschijnlijk, de opstoot van hatemail in de elektronische brievenbussen op de redactie dezer dagen. Anoniem natuurlijk, van niet te traceren adressen, waarin met blinde woede de “kliek” op de korrel wordt genomen die de racistische moordpartij in Antwerpen durft “uitbuiten” in een “campagne” tegen de enige partij die alleen het goede met ons voorheeft. Of we dan niet weten dat de moordenaar “pesterijen van allochtonen” heeft meegemaakt? Of we ook zo zouden reageren als een “vreemde” schutter een aantal “blanken” had neergelegd? Of we niet beseffen dat het juist de fout van het niet ingrijpen van de “klassieke partijen” is die een labiele jongeman zover heeft gebracht dat hij door het lint ging? Wie denkt dat de gebeurtenissen van de afgelopen week een soort van Saulus-Pauluseffect zullen sorteren op de Vlaams Belangaanhang, zal teleurgesteld uitkomen.’

Yves Desmet heeft gelijk. Uit een enquête die in het VTM-nieuws van 15 mei is vermeld maar waaraan verder weinig ruchtbaarheid is gegeven, blijkt dat amper één op de vier van de ondervraagde Vlamingen (24,1%) vindt dat het Vlaams Belang moreel verantwoordelijk is voor de moorden in Antwerpen. 45,7 procent vindt dat het VB geen morele verantwoordelijk draagt; 30,2 procent twijfelt. Even eraan herinneren dat deze enquête van VTM bij 700 Vlamingen is afgenomen vooraleer het VB-dossier naar de Raad van State is doorgestuurd. Behoudens een zeer marginale fractie die even uit evenwicht is gebracht, lijkt de VB-aanhang én zijn brede potentiële aanhang – la Flandre profonde – door de moorden niet aan het denken is gezet. Daar overheerst blijkbaar de indruk dat de politieke verklaringen, de perscommentaren en de doorverwijzing neerkomen op politieke recuperatie om het VB te demoniseren.

7. Geen alternatief – De elite heeft geen alternatief. Yves Desmet, die vaststelt dat de VB-aanhang onberoerd blijft, schrijft: ‘Wie eenmaal doordrenkt is van angst en haat heeft meer nodig dan een schietpartij om tot andere inzichten te komen. (…) Maar laten we niet opnieuw de fout maken die we nu al jaren maken, en de kans geven aan deze partij om zich voor de zoveelste keer tot slachtoffer van een “campagne” uit te roepen. Daar leeft ze namelijk van, van de identificatie met het slachtoffergevoel, van de woede en de frustratie en de haat. (…) Laat dat de essentie zijn. De wetenschap dat slachtofferschap geen monopolie is van de aanhangers van die ene partij. En de wetenschap dat op slachtofferschap ook rust, sereniteit en oproepen tot liefde en verbondenheid kunnen volgen. Tot samenleven, niet tot uitsluiten. Tot hoop, niet tot haat.’ (in De Morgen, 19/5/2006)

Misschien is enige zelfkritiek van de kant van Yves Desmet, Peter Vandermeersch, Luc Vanderkelen en andere persgeneraals een goed begin. In De Morgen van 6 mei prees Desmet het redelijk indrukwekkende interview met Nabela Benaïssa (in de editie van dezelfde dag) aan zijn lezers aan. En wel in volgende bewoordingen: ‘Wilt u mij een plezier doen? Geef deze krant, nadat u hem uitgelezen hebt, door aan een vriend of een kennis van wie u vermoedt dat hij of zij wel eens voor die ene partij zou kunnen stemmen. Vraag hem of haar eens het interview met Nabela Benaïssa te lezen.’ ‘We moeten ophouden met de politiek te diaboliseren’, zo luidde de titel van het interview met Nabela Benaïssa. En zij deed – volkomen terecht – zeer verontwaardigd over wat er na de moord op Joe Van Holsbeeck zoal in ‘de kwaliteitspers’ was verschenen: ‘Wat mij echt heeft geschokt is dat men aan de imams ging vragen om a.u.b. de gelovigen in de moskee op te roepen om mee te werken met de opsporing van de daders. De premisse was duidelijk: les tueurs sont parmi vous. Drie premissen in één: de daders zijn Arabieren, Arabieren zijn moslims, de imams zijn de woordvoerders van die gemeenschap. Wat men er ons dus fijntjes inwreef, was dat de allochtone gemeenschap eigenlijk niet zwaar tilde aan die moord, dat de allochtonen het onder elkaar wilden houden, dat ze zich samen in hun gemeenschap en hun geloof opsluiten.’ De kritiek van Benaïssa gold ook voor De Morgen. Maar dat was de hoofdredacteur ontgaan. Een vergetelheid? Of is het gewoon hypocrisie en zelfgenoegzaamheid?

8. Er is meer nodig – We vrezen dat er meer nodig is dan een oproep tot ‘rust, sereniteit en oproepen tot liefde en verbondenheid’. Een groep academici deed een poging en publiceerde in De Standaard en De Morgen een petitie onder de titel ‘Racisme is onze collectieve verantwoordelijkheid’. De ondertekenaars benadrukken het belang van structurele maatregelen: ‘Racisme en discriminatie zijn niét het werk van enkele kwade of misleide individuen of zelfs van één enkele partij: ze zijn een vast onderdeel geworden van ons bestel, van onze dagelijkse leefwereld, onze manier van handelen en soms zelfs van ons taalgebruik. Die realiteit moet dringend worden doorbroken, op verschillende fronten.’ Ze pleiten voor concrete maatregelen die achterstelling en discriminatie aanpakken. Een voorbeeld: ‘Ondanks alle goede intenties om het probleem te verhelpen blijft discriminatie bij aanwerving een wijdverspreide realiteit. Praktijktesten, contractclausules en aanwervingsquota, te beginnen bij de overheid, zijn middelen om de systematische uitsluiting van etnische minderheden op de arbeidsmarkt te bestrijden. Ook discriminaties op bijvoorbeeld de woonmarkt en in het onderwijs moeten performanter aangepakt worden. Scholen die moedwillig met allerlei trucjes hun deuren gesloten houden voor kinderen op basis van hun afkomst moeten harder aangepakt worden. Niet willen ingrijpen is toestemmen of op zijn minst schuldig verzuim. In alle gevallen moet de overheid het onberispelijke voorbeeld geven, in het personeelsbeleid (afdwingbare cijfers) en in de strijd tegen discriminatie bij ambtenaren en politiediensten. Dat is vandaag niet het geval.’ Deze petitie, die ondertussen al door duizenden mensen is ondertekend, lokte in de media en bij politici amper reacties uit. (De tekst van deze petitie is te vinden in de rubriek Discussie, nvdr).

9. De zaak Bouazza – Nochtans ligt daar de sleutel tot echte verandering. Neem bijvoorbeeld het racisme van de overheidsdiensten. Het onderzoek naar de verdwijning van Mohammed Bouazza – de jongeman die volgens getuigen door enkele racisten is achtervolgd en veel later dood in de Schelde is teruggevonden – is een schrijnend voorbeeld van de behandeling die allochtonen vanwege de overheid krijgen. (Deze affaire is na de moordende tocht van Hans Van Temsche en in de aanloop naar de stille mars volledig ondergesneeuwd). Enkele relevante feiten, bijeengesprokkeld op basis van de schaarse persartikels en gesprekken met Mohammeds moeder en enkele vrienden van het slachtoffer.

– Gedurende een volle week is ‘de onrustwekkende verdwijning’ van Mohammed (in de nacht van 30 april op 1 mei) zonder gevolg gebleven. Pas nadat de familie zelf uit wanhoop affiches begon te verspreiden en enkele kranten zich met de zaak bemoeiden, is het onderzoek overgemaakt aan de federale politie (die na een grote zoekactie het lichaam van Mohammed snel heeft gevonden).
– Woedende jongeren beklaagden zich bij enkele journalisten over de laksheid van politie en parket. Er werd schade aangericht aan een politiekantoor. Daarover ondervraagd, verklaarde Dominique Reyniers, de woordvoerster van het parket, tegen journalisten dat de familie pas op 5 mei aangifte van de verdwijning heeft gedaan (Gazet van Antwerpen van 12 mei). Dat is een leugen: de moeder bezit het document dat attesteert dat op 3 mei aangifte is gedaan (zoals het hoort, gebeurde dat 48 uur na de verdwijning). Het parket heeft journalisten ook ingefluisterd dat Mohammed banden had met het drugsmilieu, en die bewering is zo ook in De Standaard van 15 mei verschenen. Afgezien van het feit dat voor die bewering geen enkel bewijs wordt voorgelegd (Mohammed had geen strafblad) en dat ze het onderzoek (en het geheim ervan) alleen maar kan schaden, ziet het ernaar uit dat de verklaringen van het parket maar één doel hebben: de passiviteit van het parket toedekken met stemmingmakerij (de familie dient pas laattijdig een klacht in, dus zo onrustwekkend was de verdwijning niet; bovendien kon het allemaal gewoon te maken hebben met problemen in het drugsmilieu …).
– Gedurende anderhalve week stond het Kiel op ontploffen: de woede van de honderden jongeren die elke avond aan de woning van de Bouazza’s samenkwamen, was groot – zo groot dat de lokale imam opperde om de herdenkingsdienst voor Mohammed in een moskee in Brussel te houden en niet op het Kiel zelf, iets wat de familie van de hand heeft gewezen. De familie Bouazza slaagde erin de gemoederen te bedaren met de belofte een mars voor Mohammed naar het Justitiepaleis te organiseren – een voorstel dat na de moorden van 11 mei werd omgezet in een stille mars voor alle slachtoffers op 26 mei.

10. Structurele oplossingen – De zaak Bouazza demonstreert nogmaals de noodzaak om de structurele problemen aan te pakken: ondertewerkstelling, een monocultureel onderwijs, de creatie van een onderklasse die wordt weggestopt in achtergestelde wijken en scholen, racisme van politie, gerecht en andere overheidsdiensten. Het valt te betwijfelen of de politieke klasse er eindelijk werk zal van maken. De enige politicus die na de stille mars een beetje in die richting meedacht, was de burgemeester van Antwerpen. In De Morgen (27 mei) pleitte Patrick Janssens voor een overheid waarvan het werknemersbestand ‘een spiegel van de samenleving’ is. Het is niet de eerste keer dat politici straffe verklaringen afleggen als de gemoederen verhit geraken – denk maar aan de allochtone politici die na de moord op Mohammed Achrak (2002) ook even de mond vol hadden van de noodzaak om de discriminatie van allochtonen op de arbeidsmarkt weg te werken. Patrick Janssens zwakte zijn verklaring overigens al onmiddellijk af door afstand te nemen van ‘een klimaat waarin na elk incident gevraagd wordt wat we daar nu eigenlijk aan gaan doen (…) We mogen als politici ook niet de indruk wekken dat we met twee, drie ad-hocmaatregelen de problemen kunnen oplossen.’ De burgemeester verwees nog naar het (vrijblijvende) diversiteitsplan van zijn coalitie, maar gaf, zwaar eufemistisch, toe dat ‘de verbetering’ van de toestand ‘minder groot dan gehoopt’ is. Het enige concrete dat uit zijn mond kwam, was het voornemen om de aanwervingsprocedures van de stad kritisch door te lichten: ‘De volgende jaren zullen we daar echt werk van moeten maken.’ De journalisten hadden in het interview nog melding kunnen maken van de teleurstellende cijfers over de allochtone tewerkstelling bij de stad, van de herhaalde verklaringen van schepen Marc Van Peel dat er van quota (of, zo je wil, van een inhaaloperatie) voor etnisch-culturele minderheden geen sprake kan zijn en van het stilzwijgen van Janssens over de plichten van de ondernemers (die het leeuwendeel van de aanwervingen doen). Maar dat gebeurde niet. Trouwens: ook bij alle andere politici die tijdens en na de stille mars aan het woord kwamen, was er niemand te vinden die voor aanwervingsquota pleitte. Zelfs niet in woorden!

Het VB als haatpartij aan de kaak stellen moet, maar er is dus ook en vooral nood aan het blootleggen van de rol van de politieke wereld en de media voor het heersende xenofobe klimaat, en aan acties om hen te dwingen om hun verantwoordelijkheid op te nemen. Er is nood aan een campagne die het VB ontmaskert, maar tezelfdertijd de traditionele partijen voor hun verantwoordelijkheden stelt. Diepgaande verandering vereist aanwervingsquota voor etnische minderheden en massale investeringen in achtergestelde wijken, sociale huisvesting en het onderwijs. En de pers is aan een mentale omwenteling toe – denk maar aan haar nefaste berichtgeving in de dagen na de moord op Joe Van Holsbeeck. Wij pleiten voor de oprichting van een door de pers erkend orgaan dat monoculturalisme, xenofobie en racisme in de berichtgeving opspoort. Ten slotte moeten we verhinderen dat deze misdaden binnen enkele weken vergeten zijn. Een monument dat ons blijvend herinnert aan deze gruweldaden is op zijn plaats. Een monument in Antwerpen, waar etnische minderheden, in de beste traditie van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd, uitschreeuwen: ‘Hier ons bloed, wanneer ons recht?’

Uitpers, nr. 76, 7de jg., juni 2006

Visited 5 Times, 1 Visit today

Tags :