Ballingschap en de ondraaglijke straffeloosheid van een dictator

Rosario Aguilar is Chileense en leeft sinds 1979 in ons land in ballingschap. Zij is medewerkster van de tweedehandse klerenwinkel van Oxfam-Solidariteit aan de Ninoofse Steenweg in Molenbeek. De datum van 11 september 1973 blijft voor de rest van haar dagen in haar geheugen gegrift.

De putsch van generaal Pinochet – actief gesteund door de regering in Washington, de Amerikaanse geheime diensten en enkele zwaargewichten van het Amerikaanse bedrijfsleden, zoals communicatiereus ITT, gaf een gewelddadige wending aan haar leven. Een getuigenis.

“Wij voelden in die septemberdagen aan dat er iets dramatisch op komst was, " herinnert Rosario Aguilar zich. "Ik was 27 jaar. Mijn man, Luis Arias Pino en ik, waren militanten van de MIR (Beweging van Revolutionair Links). We hadden twee zonen en ik werkte als verpleegster in het Salvador-ziekenhuis in de hoofdstad Santiago. Zoals de meeste andere MIR-militanten, waren wij ervan overtuigd dat extreem-rechtse militairen een staatsgreep voorbereidden tegen de regering van Salvador Allende. Wij dachten dat ze hun slag zouden slaan op 19 september, de dag na de Chileense nationale feestdag, wanneer het traditionele militaire défilé van de strijdkrachten door de straten van Santiago trekt. Die dag zijn er duizenden soldaten in de hoofdstad aanwezig. Wij dachten dat de generaals van deze gelegenheid zouden gebruik maken om hun putsch te plegen. Echt vergist hebben we ons niet. Niettemin bleef het ook voor ons een verrassing dat generaal Augusto Pinochet op dinsdag 11 september de macht greep."

Leven in de clandestiniteit

"Voor de staatsgreep had ik al enkele maanden in de semi-clandestiniteit doorgebracht, omdat er toen al repressie en ernstige moeilijkheden te voorzien waren. Toen de generaals de macht hadden gegrepen, barstte een genadeloze repressie los in de hoofdstad en de rest van het land. Mijn man en ik werden gezocht. Onze foto’s verschenen in de kranten en werden op de televisie getoond. Begin oktober 1973 hielden de militairen een huiszoeking bij ons. Wat alleen maar bewees dat onze keuze voor een volledig clandestien leven een absolute noodzaak was. Op 4 juni 1974 verdween één van onze beste vrienden. Dezelfde dag nog werden twee andere vrienden gearresteerd en haalden de militairen onze woning voor een tweede keer overhoop. Bij deze tweede huiszoeking namen ze letterlijk alles mee. Mijn man was paswerker-werktuigkundige. De militairen laadden heel zijn atelier op vrachtwagens, al zijn machines en gereedschap. Ik had net het ziekenhuis verlaten, waar ik de nacht had gedaan. Ik ben mijn zoontje gaan oppikken en direct vertrokken, met als enige bezit de kleren die ik droeg. Vroeg in de ochtend had mijn man nog enkele documenten weggehaald thuis. Daarna is hij in allerijl op de vlucht gegaan. En zo zijn we van elkaar gescheiden. We hebben mekaar toevallig nog één keer ontmoet in september 1974. De politie maakte heel actief jacht op ons. Opnieuw verschenen onze foto’s op de TV en in de kranten. Wij hebben onze verzetsactiviteiten tegen de militaire dictatuur voortgezet vanuit de totale clandestiniteit."

Gefusilleerd en doodgemarteld

"Op 19 februari 1975, om vier uur in de namiddag, ontdekten agenten van de DINA, de geheime politie van Pinochet, mijn man voor de deur van zijn onderduikadres. Zij fusilleerden hem ter plekke. Hij was geraakt door vijf kogels en werd zwaar gewond afgevoerd naar het militair hospitaal. Maar hij was niet op slag dood. Ik heb het nieuws via de radio vernomen. Ik dacht aanvankelijk dat hij dood was. Maar dat bleek niet het geval. Hij is in het militair hospitaal gebleven tot begin april, waar agenten van de DINA hem hebben doodgemarteld. Pas op 2 april, meer dan een maand na de schietpartij, kregen mijn schoonouders een bericht van de ordestrijdkrachten met het verzoek het stoffelijk overschot van Luis te komen identificeren. Ze hadden zogenaamd zijn lijk op straat gevonden. In het dodenhuisje heeft mijn schoonvader kunnen vaststellen dat Luis vreselijk gefolterd was. Alleen zijn ouders mochten op de begrafenis aanwezig zijn. Wij hebben nooit precies geweten op welke dag hij overleden is".

Ballingschap in België

"Ik ben in Santiago gebleven. Het werd er steeds moeilijker om een onderduikadres te vinden en op een dag besloot ik terug te keren naar het huis van mijn ouders in het zuiden van Chili. Ik heb samen met mijn zoontje de trein genomen. Toen ik in mijn geboortedorp aankwam, vernam ik dat mijn vader en al mijn broers in de gevangenis zaten. Zij waren gearresteerd, omdat de militairen naar mijn man en mij op zoek waren. Ik had geen andere keuze: ik moest naar Santiago terugkeren om er een nieuw en veilig onderkomen te vinden. Wat later leerde ik een nieuwe vriend kennen. In december 1978 heb ik uiteindelijk beslist om Chili te verlaten. Ik was zwanger en wist dat ik in geen enkel ziekenhuis terecht zou kunnen voor de bevalling. Ik ben clandestien, met valse papieren naar Argentinië afgereisd, waar een visum voor mij zou klaar liggen voor België. Ik ben nog een korte tijd in Buenos Aires gebleven. Op 29 januari 1979 ben ik in Zaventem aangekomen. De reis Buenos Aires-Brussel heb ik gemaakt samen met een tiental andere Chileense ballingen en een Uruguyaanse familie, die ook zopas in eigen land aan de militaire dictatuur was ontsnapt. Wij werden in Zaventem opgevangen door de mensen van het COLOCH (Collectief voor het Onthaal van Chileense Vluchtelingen), onder leiding van Diane de Wouters. Zij kwam mij op de luchthaven oppikken. Ik was in de laatste dagen van mijn zwangerschap en kon amper nog lopen. Maar het onthaal was formidabel. Alleen had ik ontzettend veel moeite met het klimaat. In Argentinië was het 40° warm en toen ik in Zaventem uit het vliegtuig stapte, had ik de indruk dat het – 20° was… Gelukkig had Diane de Wouters een dikke winterjas en stevige schoenen voor mij mee gebracht".

“Santiago aan de Zenne”

Ik heb Rosario Aguilar voor het eerst ontmoet in november 1984. Zij had toen net een traumatische "Chileense" ervaring achter de rug in Brussel, de hoofdstad van haar zo democratische land van ballingschap. Op 30 oktober 1984 betoogde een groepje van een twintigtal Chileense ballingen voor de ambassade van het Pinochetregime aan de Brusselse Louizalaan. Deze vreedzame manifestatie werd door de Brusselse politie met een zelden geziene brutaliteit uit elkaar geranseld. Een aantal Chilenen werd zwaar gewond naar het ziekenhuis afgevoerd, onder hen Rosario Aguilar: gebroken arm, zwaar letstel aan de schedel, dik opgezwollen ogen, kwetsuren over heel het gelaat. Enkele dagen na deze beschamende vertoning, ontmoette ik haar voor een interview in het ziekenhuis van Elsene.

Als we het vandaag opnieuw over deze incidenten hebben, is Rosario Aguilar nog steeds heftig verontwaardigd. "Hoe zou ik dit optreden van de politie ooit kunnen vergeten? Voor mij was dat een vreselijke schok. Het was een hele kleine, bescheiden manifestatie voor de Chileense ambassade. Ik weet nog goed dat ik te laat was op onze afspraak. Bij mijn aankomst vlogen de politieagenten er onmiddellijk met de wapenstok in. Ze sloegen in het wilde weg op de betogers in. Ik wou er vandoor gaan, maar toen ik de Louizalaan overstak, greep één van de agenten me plots bij de haren vast. In een mum van tijd lag ik tegen de vlakte, omsingeld door agenten, die uit volle kracht op mij in sloegen. Het enige wat ik van hen heb gezien waren hun politielaarzen. Ik heb geen enkel gelaat gezien. Ik probeerde overeind te komen, maar verloor onmiddellijk het bewustzijn. Enkele uren later ben ik ontwaakt in een kamer van het ziekenhuis van Elsene. De acht Chileense gewonden, die er toen bij deze manifestatie zijn gevallen, hebben later klacht ingediend tegen de Brusselse politie. Maar wij hebben dit proces uiteindelijk verloren. Enkele agenten kregen weliswaar een voorwaardelijke veroordeling. Maar uiteindelijk zaten wij in de beklaagdenbank. Eén van de agenten beweerde dat ik hem hadden willen slaan. Toen ik bij de ambassade was aangekomen, had ik een magazine gekocht, dat ik opgerold in mijn hand droeg. En daarmee zou ik de intentie hebben gehad om een boomlange Brusselse agent te lijf te gaan…

Het enige positieve resultaat van de gewelddadige politierepressie was dat we eindelijk eens aandacht kregen in de media. Geen enkele van onze betogingen voor de ambassade had ooit de televisiejournaals of de kranten gehaald. Deze keer waren er wel camera’s van de RTBf aanwezig. Zij hadden het gewelddadige optreden van de Brusselse politie gefilmd. De beelden zijn later nog vertoond in de rechtszaal. Tijdens het proces ben ik echt zeer onheus behandeld door de procureur des konings. Hij wilde van mij exact weten hoeveel matrakslagen ik gekregen had, terwijl ik op de grond lag en alleen maar de bottines van mijn belagers heb gezien… "

Klacht tegen Pinochet

In 1998 legden Rosario Aguilar en vijf van haar landgenoten en medeballingen klacht neer tegen generaal Augusto Pinochet wegens misdaden tegen de mensheid. Op dat ogenblik lag het lot van de voormalige Chileense dictator in de handen van de Britse regering. Pinochet bevond zich in Londen voor een medische behandeling, toen Spanje, Zwitserland, Frankrijk, Zweden en België om zijn uitlevering verzochten om hem voor de rechtbank te dagen. De regering van premier Anthony Blair besliste op de valreep dat de gezondheidstoestand van de oude dictator te slecht was om hem uit te leveren en hem voor een rechtbank te laten verschijnen. Pinochet kon vrolijk naar Chili terugkeren, waar de straffeloosheid nog steeds in de wet verankerd is, aangezien hij zelf de laatste versie van de Chileense grondwet heeft opgesteld.

Rosario Aguilar: "Toen Pinochet in Londen verbleef, hield mij slechts één vraag bezig: "Wat kunnen wij hier in België tegen hem beginnen?". Een Uruguyaanse collega bij Oxfam-Solidariteit, Adolfo Campbell, die destijds in zijn land actief was geweest in de strijd tegen de militaire dictatuur, gaf me de raad om een klacht in te dienen tegen Pinochet. Ik ben meteen aan de slag gegaan. Ik nam contact op met Amnesty International, maar daar zegde men mij niet over het juridische potentieel te beschikken om zo’n ingewikkelde procedure te starten. Bij de Liga voor de Rechten van de Mens en Advocaten zonder Grenzen kreeg ik de raad om de Brusselse advocaat, Georges-Henri Beauthier, onder de arm te nemen. Ik zag hem voor het eerst op een vrijdagavond. De hele zaterdag hebben we doorgewerkt om zo veel mogelijk klachten te verzamelen. Ik had inmiddels contact opgenomen met vijf andere Chileense vluchtelingen. Die zaterdag om 18 uur hebben we onze klachten overhandigd aan het parket. En zondag om 11 uur werden we ontvangen door onderzoeksrechter Vandermeersch. En de zaak was aan het rollen…"

Slachtoffer van de straffeloosheid

"Ik heb klacht ingediend tegen Pinochet omdat ik hem verantwoordelijk acht voor de dood van mijn man Luis Arias Pino," zegt Rosario Aguilar. Alle klachten tegen de Chileense dictator zijn inmiddels verticaal geklasseerd. Is het dan niet frustrerend te vechten tegen een systeem van straffeloosheid dat in de grondwet verweven zit?

Rosario Aguilar: "Voor mij was het vanaf het begin duidelijk dat Pinochet nooit veroordeeld zou worden. Gerechtigheid bestaat niet in Chili. Pinochet heeft voor zijn vertrek zelf de grondwet herschreven. Al wie misdaden tegen de mensheid heeft gepleegd tijdens de dictatuur kreeg amnestie en Pinochet kon wettelijk rekenen op straffeloosheid, zo lang hij leeft.

Maar wij hebben tenminste geprobeerd om iets te doen. En dank zij onze tussenkomst vanuit België, is de dictator langer in Groot-Brittannië moeten blijven dan voorzien. Maar ik geef het toe: ik was heel erg ontgoocheld. Eens te meer heb ik moeten vaststellen dat de politieke en vooral economische belangen van Europa veel zwaarder wegen dan de principes van het internationaal recht. De veroordeling van Pinochet kon niet, in naam van deze economische belangen en dat is stuitend."

(Uitpers, nr. 45, 5de jg., september 2003)

(Visited 5 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 53 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook