Atheïst tussen kruis en kalebas

God zij met ons Suriname’ is een uitstekend boek geworden waarvoor de sociologiestudent Herman Vuijsje die hij in 1969 was, vijftig jaar later naar Suriname is teruggekeerd om een veel rijker, genuanceerder en evoluerend beeld te kunnen geven van die moeilijk te ontcijferen religieuze puzzel die Suriname voor vele buitenstaanders blijft.

De Nederlandse auteur Herman Vuijsje (°1946) noemt zichzelf een atheïstische ‘vaderjood’ – ‘iedere godsdienstige begeestering is mij vreemd, ik ontbeer simpelweg een antenne voor het bovennatuurlijke’, schrijft hij – maar toch is hij als socioloog gefascineerd door godsdiensten. Dat maakt zijn benadering van het fenomeen ‘godsdienst’ en ‘geloven’ juist boeiend. Dat bewees hij onder meer in zijn veelgelezen ‘Pelgrim zonder God’ waarin hij met zijn goede pen en scherp observatievermogen een omgekeerde pelgrimsvoettocht maakte en beschreef, namelijk van Santiago de Compostela naar Amsterdam. Godsbeelden, geweten, moraal en daaraan gekoppeld goed gedrag bleven zijn onderzoeksterrein en dat leidde in 2007 ‘Tot hier heeft de Heer ons geholpen’ waarin hij de afnemende godsdienstigheid in West-Europa met accent op Nederland onderzoekt.
En hoe gaat men nu om met godsdienst in die toch wel een heel andere Surinaamse samenleving? Als jonge sociologiestudent trok hij al in 1969 naar Suriname en schreef daarover een scriptie met als titel ‘Ontwikkelingsfuncties van religieuze organisaties’. Vijftig jaar later en wijzer keert hij terug voor een onderzoek naar de actuele ontwikkelingen in dat bijzondere land.

God zij met ons

‘God zij met ons Suriname (hij verheff ons heerlijk land)’ is het begin van het Surinaams volkslied en dat zegt al heel veel, zoveel als de cover van het boek waarop Creoolse vrouwen in hun traditionele witte jurken ‘ter kerke’ gaan, zeer waarschijnlijk naar de Evangelische Broedergemeente (EBG) die daar al eeuwen aanwezig is. Het is anno 2020 nog steeds normaal dat op de dag des heren naar de mis wordt gegaan. Volgens de laatste volkstelling van 2012 gaf slechts 8 procent van de bevolking op geen ‘geen religie’ te hebben. 92 procent rekent zich tot een kerk of geloof. Dat weet het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS) uit de Klipstenenstraat in Paramaribo; een instituut dat niet alleen in de exacte wetenschap gelooft, maar zich ook afficheert als ‘In God we trust’. Zo zie je maar: omspringen met cijfers maar dan wel in de handen van God. 48 procent van de bevolking noemde zich christelijk, 22 procent hindoe en 14 procent islamiet en dat zijn dan maar alleen de grootste godsdiensten.

Conservatieve schatkamer

Suriname is een schatkamer waarin antropologen en godsdienstsociologen hun hartje kunnen ophalen. De hoofdstad Paramaribo is de verkleinde schaal van een flink stukje aardbol. De stad wordt soms het hotel van de wereld genoemd. Je vindt er vertegenwoordigers van alle werelddelen behalve Australië. Dit land is het resultaat van een vaak verplichte ontmoeting tussen Europese kolonisten (Hollandse boeren maar ook Joden) uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw, inheemsen en Afrikaanse slaven – de Marrons in het binnenland en de Creolen in de kuststrook -, Chinezen, Hindostanen, Javanen en Libanezen. Elk met hun eigen cultuur en godsdienst, die door de geïsoleerde positie van het land vaak beter geconserveerd zijn gebleven dan in het oorspronkelijke land van herkomst. Zo kwam Vuijsje in 1969 een stel Indiase antropologen tegen die in Suriname de Arische variant van het hindoeïsme kwamen onderzoeken die in hun eigen land niet meer in die zuivere vorm bestaat. De Surinaamse historicus Maurits Hassankhan vertelt over een Indiase historicus die zegt:’ Wil je de cultuur van Uttar Pradesh van begin negentiende eeuw bestuderen? Dan moet je naar Suriname gaan.’ ‘In de beginperiode van de immigratie wil je vasthouden wat je grootouders hebben meegenomen,’ zegt Hassankhan. ‘Dus krijg je meer conservatisme binnen die cultuur.’

Creolisering

‘God zij met ons’ is een belangrijk boek over Suriname onder meer omdat het niet voor de zoveelste keer, zoals wel meer gebeurt bij Nederlandse auteurs, focust op de figuur van Desi Bouterse – hij krijgt in het boek slechts een kleine rol toebedeeld – maar omdat het boek scherp inzoomt op het fenomeen van ‘creolisering’ dat een van de belangrijkste sleutelbegrippen is om de Surinaamse mens en zijn maatschappelijke omgeving beter te kunnen begrijpen. Creolisering of hybridisering zijn sociologisch kernbegrippen, ook vaak in de antropologie gebruikt – métissage, mestizaje – om de snel toenemende vermenging van culturele en religieuze identiteiten te onderzoeken. Dat doet ook Vuijsje in zijn onderzoek: religieuze creolisering is het uitgangspunt om die fascinerende dubbelzinnigheid waarmee godsdiensten in Suriname beleden worden te begrijpen. Dat wordt zeer mooi verwoord door de Surinaamse dichter Trefossa (pseudoniem van Henri Frans de Ziel) in het beroemde gedicht ‘Tussen kruis en kalebas’ waarin hij benadrukt dat de officiële christelijke godsdienst en het wintigeloof, dat via Afrika is komen binnenwaaien, niet als een tegenstelling worden ervaren. In dat gedicht roept Trefossa een vrome christen op, begaan met hem ‘die koortste aan het kruis’, maar die wanneer hij ziek wordt naar het achtererf gaat om uit de kalebas een plengoffer te brengen aan Gronmama, aan moeder aarde. De ziel van menig creool is ‘tweehuizig’.
Is dat een tegenstelling? Zeker niet,’ zegt de socioloog Harold Jap-A-Joe die in Groningen studeerde en werkte aan een doctoraat over ‘Tussen kruis en kalebas.’ ‘Hoezo zou ik geen contact hebben met mijn overleden grootmoeder?’ Jap-A- Joe maakt een onderscheid tussen voorgeschreven orde en geleefde praktijk. De voorgeschreven orde is de officiële religie, de godsdienst van de theologen en het kerkinstituut. De geleefde praktijk is de onofficiële religie, het geloof en de praktijken van de gewone Surinamer.
De spanning tussen de gevestigde religieuze instanties en de uit Afrika (en ook uit Indonesië en India) meegekomen volksreligiositeit doordrenkt het geloofsleven in Suriname. Linguïst Hein Eersel zegt tegen Vuijsje: ‘Stadscreolen hebben het dubbel: ze zijn EBG en als ze problemen hebben zijn ze winti.’
Winti is zo’n voorbeeld van ‘creolisering’. Oorspronkelijk Afrikaanse elementen vervloeiden met indiaanse – ‘ingi winti’ – en duidelijk christelijke elementen tot een typisch Surinaamse mengcultuur. Vuijsje schrijft: ‘Op de plantages was het al de grootste kopzorg van zendelingen en missionarissen: was het kruis niet een dun vernisje, waaronder wintipraktijken met als symbool de kalebas de hoofdrol speelden?’
In dit voorbeeld komt ‘creolisering’ dicht in de buurt van wat de antropologen ook syncretisme noemen. Het gaat dan inderdaad ook over een proces van versmelting tussen ‘eigen’ en ‘andere’ tradities en gebruiken, in het bijzonder tussen verschillende levensbeschouwelijke en religieuze opvattingen en praktijken. De onderdrukten schikten zich schijnbaar naar de dominante godsdienst maar stiekem stopten ze er andere, eigen elementen in waardoor er een versmelting ontstond. Dat kon ook vaak om zeer pragmatische redenen gebeuren. Zo sprak een missionaris nog halverwege de vorige eeuw van ‘rijstchristenen’ die alleen maar katholiek of EBG werden om ervan te eten en te profiteren. Dat later ook Chinese, Javaanse en Hindostaanse contractarbeiders hun kinderen lieten dopen om hun maatschappelijke en onderwijskansen te vergroten was dus ook om pragmatische redenen. Die weinig dogmatische, maar eerder pragmatische aanpak blijkt volgens Vuijsje ook zeer duidelijk uit de ‘creolisering’ van de joodse gemeenschap – ‘Als een Surinamer aan zijn stamboom schudt valt er altijd wel ergens en jood uit’ – die de joodse gebruiken naar eigen hand wisten te zetten.

Cargocultus en sakafasi

Godsdiensten kunnen – en dat is ondertitel van het boek – een vloek of een zegen zijn. De EBG en het katholicisme hebben zeker goede dingen gebracht – in de koloniale periode en eigenlijk nog altijd – waren de Hernhutters en de katholieke kerk de enigen die zich om het onderwijs en de medische zending in het binnenland bekommerden. Volgens de historicus Judy Samson was een neveneffect daarvan dat zij ook handlanger werden van de koloniale overheid. De sterke nadruk op een beter leven in het hiernamaals werkte een vorm van escapisme in de hand, wat leidde tot berusting en aanvaarding van een schamel aards bestaan. In de grote stadskerk van de EBG in Paramaribo hangt een leuze aan de muur: ‘Neem de wereld, geef mij Jezus’.
Vooral de traditionele EBG-theologie predikte als belangrijke waarden ‘sakafasi’ en ‘pasensi’, nederigheid tegen de autoriteiten en lijdzaamheid. ‘Sakafasi’, letterlijk het hoofd laten zakken voor een meerdere, leidt tot volgzaamheid, tot het volgen van de leider en van het gezag, wat nog steeds sterk aanwezig is in de Surinaams samenleving.
Die ingeslepen patronen van afhankelijkheid en van hemelse bijstand zijn diep ingeslepen in de hoofden van vele Surinamers. Vuijsje citeert in dit verband de scherpzinnige, Surinaamse columniste Sharda Ganga die de Surinaamse mentaliteit met de cargocultus vergelijkt, met het magische ritueel van geïsoleerde Polynesische stammen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zagen hoe Amerikaanse vliegtuigen allerlei tot dan toe onbekende spullen kwamen afleveren. ‘Zijn we in Suriname niet één grote cargo cult’, vraagt Sharda Ganga zich af. ‘We wachten op de gunsten en pakketten die de partij ons zal brengen. Want dat is het kenmerk van een cargo cult: je denkt dat door rituelen en uiterlijkheden het paradijs pats boem uit de hemel zal komen vallen, omdat je geen idee hebt wat je er eigenlijk voor moet doen.’ (p. 175)
En dat Bouterse gretig gebruikt maakt van die sakafasi- en cargocultusmentaliteit én van de Surinaamse religiositeit tout court (hij behoort intussen al jaren tot de Volle Evangeliegroep Gods Bazuin en wordt door dik en dun verdedigt door ‘bisschop’ Steve Meye) doet hem rustig zeggen ‘God heeft mij tot president gemaakt, dus geen enkele rechter zal mij kunnen weghalen’. Op het ogenblik dat Vuijsje zijn boek schreef was Bouterse nog president, maar in de verkiezingen van 25 mei moest hij het onderspit delven ten voordele van Chan Santokhi en nu wordt het hem wel erg heet onder de voeten.

Boeiend en diepgravend

‘God zij met ons Suriname’ is een uitstekend boek geworden waarvoor de sociologiestudent Herman Vuijsje die hij in 1969 was, vijftig jaar later naar Suriname is teruggekeerd om een veel rijker, genuanceerder en evoluerend beeld te kunnen geven van die moeilijk te ontcijferen religieuze puzzel die Suriname voor vele buitenstaanders blijft. De analysesleutel ‘creolisering’ en zijn grondige bevraging van Surinaamse intellectuelen, maar ook zijn verplaatsingen tot ver in het binnenland hebben hem daarbij zeker geholpen. Bovendien beschikt hij over een uitstekende pen – wat gedacht van ‘de scheiding tussen kerk en staat is hier zo zacht als een overrijpe mango’? – waardoor dit niet makkelijke thema een zeer behapbare brok tekst is geworden.
Alleen ben ik niet zo overtuigd van de naar mijn smaak iets te positieve manier waarop hij over de religieuze en harmonieuze diversiteit spreekt. Het is niet omdat er sprake is van multicultureel parkeren tussen de gebruikers van de synagoge en de moskee dat het religieuze en etnische samenleven zo harmonieus verloopt. Dat is façadewerk waarmee Suriname maar al te graag uitpakt. Tijdens mijn zesjarig verblijf in Suriname heb ik vaak ondervonden dat er onder die façade nog heel wat minder fraais verborgen gaat. Dat is allicht het verschil tussen de benadering van de passant die Herman Vuijsje hoe dan ook gebleven is en de bewoner die in het dagelijkse leven toch heel wat schoonheidsfoutjes heeft kunnen opmerken.
‘God zij met ons Suriname’ blijft voor mij echter een zeer boeiend boek dat diep graaft naar de ambivalente religieuze mentaliteit van vele Surinamers, behalve dan van de indiaanse bevolking die een minderheid uitmaakt maar waarvoor Vuijsje geen tijd gevonden heeft om ze te onderzoeken. Voor mijn part moet hij nog maar eens teruggaan en daarover een nieuw mooi boek schrijven. Dat zou ik helemaal niet erg vinden.

God zij met ons Suriname, een multireligieuze ontdekkingsreis
Herman Vuijsje
Walburg Pers, Zutphen
2019
238 blz
9789462494442
(Visited 28 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).