Ze zijn niet zo talrijk, de boeken die heerlijk vlot en leuk lezen en tegelijk erg leerrijk zijn. Maarten Van Ginderachter, historicus wereldgeschiedenis aan de Universiteit Antwerpen, deed het. Zijn boek over het Vlaanderen in het midden van de negentiende eeuw vertelt ontzettend veel over hoe een land kan verarmen en hoe de ergste gevolgen ervan kunnen opgevangen worden.
De auteur begint, zeer terecht, met een paar woorden uitleg over de gebruikte terminologie.
‘Arm Vlaanderen’, je hoort het zoveel. Van zodra in dit land iets negatiefs wordt ervaren, klinkt meteen ‘Arm Vlaanderen!’ terwijl Vlaanderen de dag van vandaag alles behalve ‘arm’ is. Het was de titel van een roman in 1884. In 1913 verscheen een brochure van de jezuiet Stracke getiteld ‘Arm Vlaanderen’ over vooral de morele armoede (p.23). August De Winne schreef zijn beroemd ‘Arm Vlaanderen’ in 1902, met een flinke scheut antikapitalisme (p. 22). Na de Tweede Wereldoorlog werd er een politiek-ideologische inhoud aan gegeven om te verwijzen naar het zogenaamde ‘lamme goedzak’-syndroom, kaakslag na kaakslag incasserend. Aan de linkerzijde had dat ‘Arm Vlaanderen’ echter de connotatie van een rijk maar moreel bekrompen parvenuland zonder cultuur. (p.21). Voor een écht ‘arm Vlaanderen’ met honger en misère, moeten we echter kijken naar de periode 1840-1850.
Daarbij hoort de tweede belangrijke les. De armoede van toen kwam niet spontaan gegroeid uit vorige eeuwen. Integendeel, begin van de 19de eeuw was Vlaanderen erg rijk, vooral op het platteland, en was internationaal vermaard om zijn goede landbouwpraktijken. De acute crisis die de regio trof in het midden van de eeuw was het gevolg van een voortschrijdende globalisering, veroorzaakt door drie internationale systeemschokken: een mislukte aardappeloogst, een cholera- en tyfusepidemie en een verdwijnende huisnijverheid (p.29). Het was, kortom, een moderne crisis.
Ten derde, tenslotte, dit boek gaat over wereldgeschiedenis wat geenszins een verhaal is over de hele wereld maar wel over hoe de hele wereld aanwezig is op één enkele plek, in dit geval Vlaanderen. ‘Zelfs in de armtierigste hofstee was de grote buitenwereld aanwezig’ (p.29).
Vlaanderen had potas en tabak uit de Verenigde Staten, guano uit Peru, fosfor uit Zuid-Amerika en bindmiddel daarvoor – Arabische gom – uit de Sahel! Er kwam zelfs ijs uit Amerika!
Een goed en sprekend voorbeeld is de hele opiumproblematiek rond Engeland, Indië en China. De bevolkingsgroei in China en de invoer van opium zorgden voor sociale chaos en zorgden ervoor dat zo’n twee miljoen jonge mannen het land verlieten, vaak onder dwang of met valse voorwendselen (p. 199). Velen kwamen terecht in de guano-industrie in Peru, anderen op de plantages in Amerika. Opium kwam ook naar onze regio, hoewel niet uit China maar uit het Ottomaanse Rijk of Iran. Het werd niet gerookt maar geslikt en het had een bijzonder goede naam (p. 205). Opiumsiroop werd zelfs aan huilende baby’s gegeven!
Bijzonder interessant is ook de geschiedenis van de anti-slavernijbeweging die grotendeels werd gebruikt om de kolonisering te legitimeren. Je kon het probleem maar aanpakken met echte directe controle, zo luidde het. Zoals we weten gebeurde precies het omgekeerde, en ‘niet alleen aan de aanvoer, maar ook aan de afzetzijde had de Belgische industrie belang bij de slaveneconomie’ (p.252). België gaf ook een subsidie aan een bedrijf in Hemiksem om linnenstof te produceren voor de kleding van slaven in Cuba.
Van Ginderachter beschrijft ook de opkomende Vlaamse beweging en hoe die gebruik maakte van de anti-slavernijcampagne. Van Rijswijck schreef een manifest, ‘één lange hartenkreet over de achterstelling van de Vlaamse taal en cultuur in België’ (p.255). ‘Net als het gros van de flaminganten zag Van Rijswijck niet zozeer de misère van wevers, spinsters en keuterboeren gereflecteerd in de spiegel van de plantageslavernij, maar wel de culturele minachting en taaldiscriminatie waar onderwijzers, middenstanders, letterkundigen en lagere ambtenaren het slachtoffer van waren. De slavernijmetafoor sloeg als een tang op een varken’ (p.252). De Vlaanders waren geen slavenkolonie maar maakten integraal deel uit van het koloniserende Westen. Vlamingen waren geen slaven maar burgers in een liberale democratie met basisrechten (p.255).
Tenslotte: de Vlaming was en blijft honkvast. In vergelijking met andere Europese landen en regio’s veroorzaakte de grote misère in het land géén politieke onrust of grootschalige opstanden. De emigratie naar Amerika bleef vrij beperkt en zij die gingen waren beslist niet de armsten. Een van de verklaringen is het feit dat er subsidies werden gegeven en er een openbare onderstand was. Mensen waren en bleven arm, maar ze overleefden. ‘De wereld werd een dorp, maar de Vlaming bleef ter plekke’ (p.266). Dat was geen kwestie van volksaard maar van harde, materiële redenen. Er waren solidaire dorpsgemeenschappen, de boerderijen waren vrij klein en de overheid ontraadde uitwijking met een strenge armenwetgeving en openbare onderstand.
Dit is echt een boeiend boek waar een recensie altijd bij te kort schiet. Het verhaal van de ‘stekskensfabrieken’ bijvoorbeeld, het zou in detail moeten herhaald worden om de sterkte en de tragedie ervan weer te geven.
Er kan dus maar één besluit zijn: aanbevolen lectuur. Niet enkel om te zien hoe Vlaanderen in de wereld bestaat en de wereld in Vlaanderen, ook hoe armoede kan geproduceerd worden en ook worden tegengegaan. Zoveel lessen voor de wereld van de 21ste eeuw!
