Argentinië, leeggezogen land van overvloed

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, Spanje en lokale banken en pensioenfondsen hebben Argentinië voor de komende drie jaar een “hulppakket” van 39,7 miljard dollar toegezegd. Van dat bedrag wordt in 2001 26 miljard dollar verstrekt, om te voorkomen dat het Zuid-Amerikaanse land dat jaar zijn buitenlandse schulden niet kan afbetalen. Het “hulppakket” moet het vertrouwen van de internationale investeerders en beleggers in de Argentijnse economie herstellen. Alleen al in 2001 zal 34,7 miljard dollar, of 87,4 procent van het totaalpakket, worden aangewend om intresten en hoofdsommen van schulden af te betalen.

Ooit was Argentinië op weg om te worden waar zijn naam voor stond: een land van overvloed, een zuidelijke Verenigde Staten. Maar nu zit het aan de grond, verarmd door de aanhoudende aderlating van de buitenlandse schuld, beroofd van de belangrijkste hefbomen om zijn beleid te bepalen.

Wie er ook verkozen wordt, de dienst wordt uitgemaakt door de grote westerse bankiers. Die eisen opnieuw ,,hervormingen” om ervoor te zorgen dat hun leningen terugbetaald worden en dat hun concerns meer armslag en rentabiliteit verkrijgen. Dat doen ze via hun waakhond, het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

President Fernando de la Rua en zijn ,,centrumlinkse” Alianza-regering zitten in het nauw. De president moest op 10 november nieuwe besparingen en neoliberale ,,hervormingen” aankondigen. IMF-topman Stanley Fischer waarschuwde: als die er niet kwamen, moest Buenos Aires niet rekenen op 20 tot 30 miljard dollar om volgend jaar het hoofd boven water te kunnen houden.

De la Rua ging door de knieën. De overheidsuitgaven worden voor vijf jaar ,,bevroren” – behalve de uitgaven die naar intrestafbetaling op de buitenlandse schuld gaan, goed voor 17 procent van de begroting. De pensioenfondsen – voor de bankiers een beloftevolle markt – worden verder geprivatiseerd. De pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen wordt opgetrokken van 60 naar 65 jaar. De provincies krijgen minder federaal geld en moeten hun uitgaven voor vijf jaar ,,bevriezen”. De inning van de belastingen wordt gedeeltelijk uitbesteed en geprivatiseerd. Het Argentijns parlement keurde een besparingsbegroting voor 2001 goed die deze lijnen volgt.

De verontwaardiging over de ,,nieuwe offers” die de geldschieters hen via hun regering oplegden, bracht de Argentijnen tot massale protesten. Eind november kwam het tot een algemene staking, de derde sinds de la Rua in december 1999 de peronistische president Carlos Menem opvolgde.

De la Rua probeerde de staking terug te brengen tot een complot van de peronistische oppositie, die een grote greep heeft op de vakbonden. Maar vakbondsleiders en betogers maakten duidelijk dat ze zo’n ,,politieke spelltjes” ongepast vonden. Het ging om verzet tegen ,,het geweld van economische macht”, sneerde Hugo Moyano van de dissidente CGT-vakbond, die het initiatief voor de staking had genomen en daar later werd in gevolgd door de CGT en andere bonden. ,,Wij staken tegen de economische maatregelen die het IMF heeft opgelegd”, zei betoogster Graciela Vallejos, ,,wij zijn hier om werk te eisen, zodat de mensen eten hebben”.

Flexibilisering via omkoping

Voor velen was de maat vol. Immers, de la Rua had de Argentijnen begin dit jaar al ,,offers” opgelegd om kredieten van het IMF te bekomen. Het betrof een ,,hervormingspakket” dat hogere belastingen en lagere overheidslonen inhield, en dat, vooral, de voor de werknemers gunstige arbeidswetten ,,flexibiliseerde” naar de wens van het IMF – makkelijker ontslag, makkelijker loonsverlaging.

Dat pakket toonde hoe makkelijk de neoliberale ,,hervormingen” tot corruptie leiden – dezelfde corruptie die het IMF zegt te willen tegengaan. Om de ,,flexibilisering” van de arbeidswet door het parlement te krijgen, hadden regeringsleden en bedrijven parlementsleden omgekocht. Het werd het grootste politieke corruptieschandaal onder de la Rua. Die waagde het niet de verantwoordelijken stevig aan te pakken. Dat zorgde voor grote spanning in de Alianza-coalitie. Vice-president Carlos Alvarez (leider van het Frepaso, het Front voor een Solidair Land, de kleine partner van de Radicale Burgerunie UCR in de Alianza-coalitie) nam ontslag uit protest tegen de zachte aanpak. De la Rua, zei hij, ,,bestrijdt de kanker van de corruptie alleen maar met een aspirientje”.

De grijze eminentie van de UCR, ex-president Raul Alfonsin, goot olie op het vuur in de coalitie. Hij vroeg zich op de televisie openlijk af hoe prettig het voor de Argentijnen zou zijn als hun regering de intresten op de schulden niet zou betalen.

Verwacht wordt dat het IMF, de Wereldbank en de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank in januari het ,,reddingspakket” voor de Argentijnse regering – en hun beleid – goedkeuren. Met een ,,reddingspakket” van 20 tot 30 miljard dollar wil het IMF voorkomen dat het land in 2001 zijn schulden niet kan terugbetalen. Zo’n bankroet was de grote angst van bankiers en grote beleggers uit het buitenland. Om die angst weg te nemen, had het IMF al maart 7,4 miljard dollar ter beschikking gesteld – in ruil voor het fameuze besparingspakket met de ,,flexibeler” arbeidswet. Maar dat was kennelijk niet gelukt.

Ondertussen heeft Argentinië bijna alle grote staatsbedrijven door privatisering verkocht. Dat moest het geld opleveren om de buitenlandse schulden te blijven afbetalen. Toch zijn die schulden alleen maar toegenomen. De tijd dat alarm werd geslagen toen de buitenlandse schuld 50 miljard dollar oversteeg, is lang voorbij. Ondanks alle besparingen, privatiseringen en afbetalingen is die schuld opgelopen tot 123,5 miljard dollar. In 2001 zal ze naar schatting verder groeien tot 174 miljard dollar – deels door het ,,hulppakket” dat in de maak is.

Neokoloniale restauratie

Het schuldenmechanisme heeft er inmiddels voor gezorgd dat Argentinië nog nauwelijks zeggenschap heeft over sleutelsectoren van zijn economie. Hele staatssectoren zijn door privatisering in handen gekomen van buitenlandse concerns – die vaak onder controle van de internationale bankiers staan. Het geld dat die privatiseringen opleverden ging grotendeels naar schuldafbetaling; de (aanzienlijke) kruimels werden op zak gestoken door lokale gezagsdragers en hun vrienden, die de neoliberale politiek hadden doorgedrukt. Vooral de peronistische president Carlos Menem (1990-1999) wordt met de vinger gewezen. Maar die was in de ogen van de bankiers uitstekend geplaatst om die ,,hervormingen” door te duwen: door de greep van zijn partij op de vakbondsleiding kon hij protesten tegen de neoliberale politiek makkelijker in toom houden dan anderen. Met de la Rua ligt dat anders.

De staatsbedrijven waren in een land als Argentinië een waarborg tegen een al te grote greep van buitenlandse belangen op de nationale economie en besluitvorming. Die belangen krijgen nu weer meer armslag. Vel Argentijnen hekelen dit als een ,,neokoloniale restauratie”.

De evolutie van het jongste decennium heeft een zware weerslag op het gehalte van de politieke democratie. Menem was destijds verkozen nadat eenhyperinflatie was georchestreerd om UCR-president Alfonsin te discrediteren – de man die de leiders van de militaire dictatuur had laten opsluiten en die de katholieke Kerk voor het hoofd had gestoten. De kiezers wensten vooral dat Menem een eind zou maken aan die inflatie. Maar ze hoopten ook dat Menem, als peronist, het beleid zou voeren waar het peronisme in hun ogen voor stond: betere arbeidsvoorwaarden, nationale soevereiniteit. Met Menem werd een eind gemaakt aan de inflatie. De peso werd in 1991 aan de dollar gekoppeld. Dat bezorgde Menem veel krediet en, in 1995, een herverkiezing. Maar de muntkoppeling had een prijs. Menem werd gekluisterd aan een neoliberale economische koers die het tegengestelde was van wat de kiezers van een peronist hadden verwacht.

De economische groei, die onder de eerste jaren van Menem aanzienlijk was, smolt tegen 1996 weg. Het ene Argentijnse bedrijf na het andere ging over tot ontslagen of sloot de deuren, kapot geconcurreerd door de aldoor invloedrijkere buitenlandse concerns.

Een nieuwe klap kwam door de Braziliaanse devaluatie in 1999, terwijl de Argentijnse peso aan de dollar gekoppeld bleef tegen een koers van één tegen één. Goedkoper geworden Braziliaanse producten kwamen Argentinië binnen, Argentijnse producenten kregen het moeilijk.

De la Rua ging ondanks de verwachtingen van de kiezer niet over tot een wijziging van het sociaal-economische beleid. Zijn ,,besparingspakket” van november werd door IMF-topman Horst Köhler geprezen als ,,een nieuw bewijs dat Argentinië zich verbindt tot de beleidsaanpak die het al meer dan tien jaar volgt”.

Na ruim tien jaar neoliberale ,,hervormingen” zit het land aan de grond. De economie is van juli 1998 tot juni 2000 gekrompen met 5,5 procent (3,4 procent in 1999 alleen). De bestaansonzekerheid is algemeen geworden. Ruim twee miljoen mensen zitten zonder werk. Nog eens minstens 2 miljoen hebben onvoldoende werk. Velen werken in de zogeheten ,,grijze economie”, zonder sociale bescherming, in omstandigheden die aan de 19de eeuw doen denken. Het aantal armen onder de 35 miljoen Argentijnen is opgelopen tot 14 miljoen. In Buenos Aires en andere grote steden hebben de verarming en de uitzichtloosheid tot een gevoelige stijging van de criminaliteit geleid. Groeiende krottenwijken en bedelende kinderen illustreren de ,,modernisering”.

Het verzet tegen de neoliberale politiek groeit, maar is disparaat en weinig georganiseerd. De uitzichtloosheid voedt een nieuwe grote uittocht uit het land. In Buenos Aires staan lange rijen mensen voor de ambassades van Spanje, Italië en de Verenigde Staten. Ze willen een visum bekomen om weg te trekken. De Italiaanse ambassade verstrekte de eerste zes maanden van dit jaar al 7.000 paspoorten, evenveel als in het hele jaar 1999.

(Uitpers, januari 2001)

Visited 7 Times, 1 Visit today

Tags :