Arabische lente moet nog beginnen

Skepticisme is de Arabieren niet vreemd. Dat blijkt uit de lage opkomst in de parlementsverkiezingen in Tunesië en Marokko. Nauwelijks meer dan de helft van de kiesgerechtigden had zich laten registeren. En van die geregistreerden haakten vooral in Marokko velen af, waardoor daar de participatie op ongeveer 25% kwam.

In Egypte, dat op maandag 28 november aan een reeks verkiezingen begon, was de participatie onder Moebarak traditioneel nog lager dan een kwart omdat de uitslag toch al op voorhand vast stond. Het is dan ook afwachten of het dit keer beter zal zijn, maar dat zal, door de ingewikkelde kiesprocedures pas volgend jaar duidelijk worden. Inmiddels gaven de Egyptenaren alvast blijk van hun wantrouwen door weer massaal het Tahrirplein in Kairo te bezetten.

Eigenlijk moet de lente nog beginnen in de Arabische wereld. De val van enkele dictators, Ben Ali in Egypte, Moebarak in Egypte en Kadhafi is maar één zwaluw. Meer zwaluwen, in de vorm van echte verandering, respect voor de burgers en meer geld en investeringen om hen een begin van menswaardig leven te bezorgen, zijn er niet gekomen. Het ziet er naar uit dat de lente eigenlijk nog moet aanbreken in de Arabische wereld.

Totnogtoe zijn er maar in zeven lidstaten van de 22 leden tellende Arabische Liga, ernstige onlusten, beroeringen en strijd geweest, nl. Bahrein, Egypte, Jemen, Libië, Marokko, Syrië en Tunesië. (Een kleine correctie is dat de Liga vier niet-Arabische lidstaten telt: de Comoren, Djibouti, Mauritanië – met wel een kleine Arabische bevolkingsgroep – en Somalië. Het gaat dus om 7 op 18). In Algerije, Irak, Koeweit, Libanon, Oman, Palestina, Qatar, Saudi-Arabië, Soedan en de Verenigde Arabische Emiraten is er hier en daar onrust geweest met enkele manifestaties, maar geen echte massabeweging. De vraag is of wat achter de rug ligt dan eigenlijk wel mag bestempeld worden als “de” Arabische lente.

Des te meer daar in twee van de zeven getroffen landen nog wel andere factoren meespe(e)l(d)en dan een opwelling van de bevolking tegen de dictatuur en voor werk en waardigheid; dan een uitbarsting van woede tegen de heersers die zich weinig aantrokken van hun onderdanen. In Libië werd een protest van intellectuelen voor respect voor de mensenrechten al gauw overgenomen door stamleiders, islamisten en opportunisten, waardoor het protest het karakter kreeg van een burgeroorlog. Het Westen zag er een kans in om kolonel Kadhafi te wippen en trad al snel op als leverancier van luchtondersteuning, wapens en zelfs manschappen. Onderhandelingen werden zonder meer afgewezen.

De limieten van de resolutie van de Veiligheidsraadsresolutie die geweld enkel toeliet om “burgers te beschermen” werden langs alle kanten met de voeten getreden. Er werd verschillende keren bewust geprobeerd Kadhafi te vermoorden door zijn verblijfplaatsen te bombarderen. Aanhangers, of mensen die verdacht werden van sympathie voor hem, kregen geen enkele bescherming en werden zelfs aangevallen door de NAVO. De rebellen mochten ze zonder pardon afmaken. Wat uiteindelijk ook met Kadhafi gebeurde. Met mensenrechten had dit alles niets te maken. [Zie hierover elders in dit nummer de stukken van Lode Vanoost en van Astrid Essed over hoe het Westen met de mensenrechten omgaat.] “Slechte” burgers, d.w.z. mensen die het Westen niet willen dienen, mogen gewoonweg afgemaakt worden wat het Westen betreft.

The Struggle for Syria

In Syrië heerst er al maanden geweld dat ook veel meer is dan een uiting van ongenoegen over de dictatuur van de familie Assad. Het gaat hier niet alleen over geweld van regeringstroepen tegen vreedzaam demonstrerende burgers. Het gaat hier ook over geweld tegen burgers die naar de wapens gegrepen hebben. De situatie doet denken aan het begin van de jaren tachtig toen de moslimbroeders een geweldcampagne ontketenden tegen het regime van de inmiddels overleden president Hafez al-Assad omdat die tijdens de Libanese burgeroorlog (1975-1990) de bescherming op zich had genomen van de christenen daar. Zoals in Libië begint de krachtmeting in Syrië meer en meer naar een burgeroorlog te evolueren. [Zie hierover in dit nummer “De groeiende militarisering van de Syrische opstand” van Ludo De Brabander]

In wezen draait het geweld van vandaag ook rond “The Struggle for Syria” (zoals de titel van het in 1965 verschenen klassieke boek van de Britse journalist en auteur Patrick Seale luidt) de strijd tussen Oost en West, tussen de conservatieve Arabische monarchieën en de Arabische nationalisten om Syrië in hun kamp te krijgen. Een strijd die begon kort nadat dit land na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werd.

Syrië is van cruciaal belang voor wie het Midden-Oosten wil controleren. In de strijd daarom hebben het Westen en de Arabische conservatieven totnogtoe de duimen moeten leggen, maar ze hebben in de “Arabische lente” een nieuwe kans gezien. Het komt er voor het Westen op aan Syrië op de knieën te krijgen, zijn alliantie met Iran te verbreken om de Arabische wereld volledig onder controle te krijgen. Een project waar de conservatieve monarchieën volledig achter staan uit schrik voor de macht van Iran.

Het is de vraag of de 65 jaar oude strijd om de controle over Syrië nu in het voordeel van het Westen zal worden beslist. Rusland en China, samen met de andere BRICS-landen (Brazilië, India en Zuid-Afrika) bieden alvast stevig weerwerk. Het Westen heeft zich hier wel zelf in de voet geschoten door de schandalige manier waarop het op alle mogelijke manieren de interventieresolutie van de Veiligheidsraad over Libië verkrachtte. Met als gevolg een Libische staat in totale chaos met milities allerhande, die voor terreur zorgen in het land – zonder dat de NAVO de burgers daartegen beschermt.

Maar inmiddels duikt ook Irak weer op. Het weigert zich aan te sluiten bij de sancties van de Arabische Liga tegen Syrië. De met de Amerikaanse invasie van 2003 “normalisering” van het land blijkt dus niet zo succesrijk. Eerder dit jaar weigerde Irak met Washington een akkoord te sluiten over de verlenging van de legering van Amerikaanse troepen in het land te sluiten. Op 31 december moeten die dus, op een handvol instructeurs na, allemaal vertrokken zijn. In die beslissing van Bagdad is duidelijk de hand van Iran zichtbaar. De meerderheid van de Irakezen zijn sjiieten zoals de Iraniërs en de sjiitische partijen hebben nauwe banden met Teheran. De sjiitische as Iran – Irak – Syrië (waar de sjiitische sekte der alawieten aan de macht -is) – Libanon (met Hezbollah), bestaat dus nog altijd. Wat er op wijst dat de Verenigde Staten er (nog?) niet in geslaagd zijn Iran te isoleren en te omsingelen. De macht van Washington is hier op een grens gestuit.

Ontslag president Saleh

Ook in Jemen, een land waar de strijd nu ook al maanden lang aansleept, zijn er aspecten van een burgeroorlog.Tussen sjiitische rebellen in het noorden en regeringstroepen. Tussen stammen en stammenconfederaties. Tussen, zuiderlingen die nog altijd de fusie, in 1990, van hun progressieve Democratische Volksrepubliek Jemen met de conservatieve noordelijke Arabische Republiek Jemen, niet hebben verteerd omdat zij in de nieuwe Republiek Jemen politiek werden gemarginaliseerd. Tussen Al Qaeda op het Arabische Schiereiland en het leger van Jemen en de Amerikaanse bondgenoten ervan.

Voor de vierde keer heeft president Ali Abdullah Saleh, die al sedert 1978 aan de macht is, nu beloofd af te zullen treden in ruil voor immuniteit tegen vervolging. De vraag is of hij dit keer zijn belofte zal houden. Hij zal immers zijn macht slechts binnen dertig dagen moeten overdragen aan zijn vice-president Abdrabuh Mansur Hadi, maar zal daarna nog eens drie maanden ere-president blijven, tot Hadi officieel tot president is verkozen. Tijd genoeg dus om een nieuwe kans tot aanblijven te zoeken. Het nieuws van het door Saudi-Arabië en door de Golfsamenwerkingsraad bedisselde akkoord, is alvast niet met vreugde onthaald door de demonstranten in de hoofdstad Sanaa, die vrezen dat ze het slachtoffer zullen worden van een koehandel tussen de Jemenitische politieke elite.

Ook in Jemen, dat voor de VS belangrijk is voor de strijd tegen Al Qaeda, vinden we dus het skepticisme dat zich in Marokko en Tunesië weerspiegelde in het gebrek aan belangstelling voor de verkiezingen, en dat in Egypte tot hervatting van de grootscheepse manifestaties leidde. In Marokko blijft koning Mohammed VI, ondanks een grondwetswijziging, toch de uiteindelijke heerser – hetzelfde is geval voor de andere Arabische monarchen die uit schrik hervormingen aankondigden. In Tunesië werd door het overgangsregime niets gerealiseerd van de na de val van president Ben Ali gedane beloften van schepping van werkgelegenheid. De politie bleef brutaal tegenover de burgers. In Egypte was het nog erger: herinvoering van de maar pas afgeschafte noodtoestand, berechting van duizenden burgers door militaire rechtbanken, folteringen en andere slechte behandelingen in de gevangenissen, willekeurige arrestaties, en de duidelijke wil van de Hoge Raad van de Strijdkrachten, het leger dus, om aan de macht te blijven. Dat bleek uit een document van de Raad, waarin werd gestipuleerd dat het leger elke beslissing van een verkozen parlement naast zich zou kunnen neerleggen en dat het het parlement zelfs naar huis zou kunnen sturen. Met andere woorden, het regime van de afgezette president Moebarak zou worden voortgezet door zijn oude getrouwen, zoals veldmaarschalk Mohammed Hoessein Tantawi, 76 jaar, die voorzitter is van de Hoge Raad, en zoals Kamel el-Ganzoury, 77, een trouwe luitenant van Moebarak, die na hevige rellen met meer dan 40 doden in Kairo, door Tantawi naar voor werd geschoven als nieuwe eerste minister.

Als men dit alles op een rijtje zet is het duidelijk dat de “lente” nog lang niet is aangebroken. Meer nog, de winst van de islamisten zowel in Tunesië en Marokko (en vermoedelijk ook in Egypte) en hun sterke positie in Libië, voorspelt weinig goeds wat betreft vrijheid en mensenrechten. Alle islamisten zweren dat ze verdraagzaam en open zijn en niets zullen opleggen. Maar in Libië heeft de voorzitter van de Nationale Overgangsraad, Mustafa Abdel-Jalil, gezegd dat de sharia, de islamitische wet, zal worden ingevoerd. Met name een wet van Kadhafi op de beperking van het aantal vrouwen dat een man kan huwen, zal worden afgeschaft. Wat al heel wat woede opwekte bij de onder het Kadhafi-regime geëmancipeerde vrouwen. In Tunesië is de islamistische partij Ennahda in de streken waar ze sterk staat veel minder verdraagzaam dan ze beweert: “onzedig” geklede vrouwen worden er lastig gevallen, drankwinkels vernield enz. Maar de islamisten hebben een grote troef, ten minste als ze niet te extremistisch en gewelddadig worden, ze hebben de steun van het Westen omdat zij als goede conservatieven, en volgens hen in overeenstemming met de sharia, voorstander zijn van onbeperkt eigendomsrecht en van totale, ongeregelde economische vrijheid. Goede neoliberalen dus.

(Uitpers, nr. 137, 13de jg., december 2011)

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 68 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook