We maken het al vele jaren mee en de jongste jaren nog meer dan vroeger: wie kritiek heeft op het bestaan van de staat Israël (antizionisme) of op de Israëlische regering wordt meteen beschuldigd van antisemitisme (Jodenhaat). De huidige Israëlische regering van Benjamin Netanyahu maakt van die verwarring maar al te graag gebruik om de misdaden van Israël (verdrijving van Palestijnen, kolonisering, discriminatie en volkerenmoord) goed te praten. Hij wordt daarin gesteund door de Amerikaanse president Donald Trump en tal van Europese regeringsleiders, ook door de nationalist Bart De Wever (N-VA). Mark Mazower maakt in zijn boek ‘Over Antisemitisme’ duidelijk hoe zeker vanaf de negentiende eeuw het woord antisemitisme misbruikt werd om de staat Israël en zijn beleid te verdedigen, maar ook hoe velen, zelfs binnen de Joodse gemeenschap, zich tegen de verkrachting van dat woord verzetten. Wie tegen Israël en zijn regering is, is helemaal geen Jodenhater.
Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog verwijzen zionisten (voorstanders van een Joodse staat) maar al te graag naar de Holocaust (de uitroeiing van de Joden door het Duitse naziregime) om iedere kritiek op de Israëlische staat ‘antisemitisme’ te noemen. Maar zelfs binnen de Israëlische overheid gaat niet iedereen daarmee akkoord. Zo onderstreepte Yehoshafat Harbaki, voormalig hoofd van de Israëlische militaire inlichtingendienst, dat het Arabische antisemitisme zich in de allereerste plaats tegen Israël richt en niet per se tegen het wereldjodendom. Anders gezegd: het is precies door het beleid van de staat Israël dat velen zich, spijtig genoeg, tegen de Joden keren.
Tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw gingen Joden zich in tal van Europese steden aanpassen aan het leven van de andere burgers. Alleen hun geloof verschilde, maar dat was een privéaangelegenheid. Joden dachten dat de vijandigheid tegenover hen daardoor zou verdwijnen. Maar de toekomst zou anders uitwijzen. Want ook al in de negentiende eeuw was het antisemitisme een soort politieke stroming die de burgers ervan probeerde te overtuigen dat de Joden een ernstige bedreiging vormden voor hun maatschappelijke of politieke belangen. Zo verscheen in Duitsland het pamflet ‘Der Sieg des Judenthums über das Germanenthum’ (De overwinning van het Jodendom op het Germanendom) van de journalist Wilhelm Marr die in 1879 de Antisemieten-Liga oprichtte. In Beieren verzetten katholieke kringen zich met succes tegen de wet die Joden gelijke burgerrechten verleende. De Duitse geschiedkundige Heinrich von Treitschke lanceerde de leuze: ‘Die Juden sind unser Unglück’. De Duitse keizer Wilhelm II zei: ‘De Joden zijn de parasieten van mijn rijk’.
In Frankrijk ontstond de ‘Ligue antisémitique française’ die in 1898 rellen organiseerde waarbij Joodse huizen werden aangevallen en geplunderd. In Wenen was het politieke antisemitisme het werk van de Christelijk-Sociale Partij die de steun kreeg van de zogenaamd sociale paus Leo XIII. Tot voor kort stonden de woorden ‘de slechte Joden’ in de katholieke misteksten van de Goede Week. De Russische tsaren, toen de Romanovs, waren antisemitisch. Een van de sterkste uitingen van antisemitisme was het verzonnen verhaal ‘De protocollen van de wijzen van Sion’ van de Russische journalist Pavel Kroesjevan die beweerde dat zijn boek verwees naar een geheime bijeenkomst van Joodse wijzen die naar wereldoverheersing streefden. Voor mensen als Adolf Hitler was het boek ‘gefundenes Fressen’.
Joden tegen zionisme
In november 1917 sprak de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Arthur Balfour, de steun van zijn land uit voor ‘de vestiging in Palestina van een nationale thuis voor het Joodse volk’. Maar een groot deel van de Joodse elite in West-Europa zag daar niets in. Die Joden waren geassimileerd in het land waar ze woonden en waren antizionistisch. Henryk Erlich, een leider van de Poolse linkse Joodse Arbeidersbond (de Bund) schreef in 1938 dat als er in Palestina een Joodse staat zou worden gesticht, dit voor een eeuwige angst voor de vijand van buitenaf (Arabieren) en een oneindige strijd tegen de interne vijand (Arabieren) zou zorgen. Hij vroeg zich af of in zo’n klimaat vrijheid, democratie en vooruitgang kunnen gedijen en waarschuwde ervoor dat integendeel reactionaire en chauvinistische krachten het zouden halen. Dat bevestigde de Londense rabbijn Harold Reinhart die in 1944 in een brief aan The Times schreef dat het zionisme was ‘ontsproten uit wanhoop en desillusie – naakt nationalisme – in tegenspraak met de hele Joodse traditie’.
De orthodoxe Israëlische filosoof Yeshayahu Leibowitz vond dat het tot fetisj maken van welke staat dan ook, inclusief een zogenaamde Joodse staat, haast neerkwam op fascisme; de leer van de terugkeer naar het Land was afgodenverering, want volgens de fundamentalistische Joden moet men de komst van de Messias afwachten en die zal een Joodse staat stichten. Avraham Burg, voormalige voorzitter van het Israëlische parlement (Knesset) betoogde dat de Israëlische grondwet van 2018 een inferieure status oplegde aan niet-Joodse burgers (Palestijnen) die ‘vergelijkbaar was met wat Joden onnoemlijk vele generaties hadden meegemaakt’. Ook de geschiedkundige Martin Jay maakte zich zorgen over de eis dat alle Joden, ook die niet in Israël wonen, zich achter het land moeten scharen, of het nu gelijk heeft of niet. Wie dat niet doet zou geen Jood meer zijn. De Israëlische genocide-wetenschapper Raz Segal klaagde onlangs het feit aan dat wie kritiek heeft op het Israëlische beleid tegenover de Palestijnen als een ‘slechte’ Jood wordt beschouwd (De Standaard, 17 november 2025).
Na bloedige vervolgingen van Joden in Oekraïne en Polen leek het antisemitisme in de jaren twintig van de vorige eeuw verslagen. Er werd zelfs een Internationale Bond tegen Antisemitisme opgericht. Maar het antisemitisme was alles behalve uitgeroeid. Tijdens de laatste fase van de Eerste Wereldoorlog nam het in Oost-Europa zelfs toe. In Duitsland ijverde de ondergrondse ‘Organisation Consul’ als een doodseskader om ‘de Duitse regering te ontdoen van socialisten en Joden’. De toekomstige Führer Adolf Hitler begon de ellende van Duitsland toe te schrijven aan de Joden. De nazipartij van Hitler, die in 1933 aan de macht kwam, spitste zich toe op het bestrijden, verdrijven en het uitroeien van Joden, de ‘Endlösung’.
Nazi’s welkom in West-Duitsland
Ook na de Tweede Wereldoorlog was het antisemitisme lang niet uitgestorven, zeker niet in Oost-Europa. Volgens de politieke analist Milovan Djilas was het antisemitisme een integraal kenmerk van het naoorlogse Sovjetbewind, hoewel Lenin in juli 1918 een decreet had ondertekend om de antisemitische beweging met wortel en tak uit te roeien. Toch erkende de Sovjetunie de staat Israël bij de oprichting ervan in 1948. Het Amerikaanse leger stelde in 1947 vast dat het antisemitisme in West-Duitsland ook na de oorlog een probleem was. Dat gold ook voor Oostenrijk. In de West-Duitse regering die de katholiek Konrad Adenauer in 1954 vormde zaten vier ministers die lid van de nazipartij waren geweest. In het West-Duitse leger, de ambtenarij en het gerechtsapparaat bleven ex-nazi’s en antisemieten aanwezig. West-Duitse universiteiten verwelkomden de terugkeer van naziprofessoren.
Laten we de Verenigde Staten van Amerika, het land dat zich uitriep tot land van de Vrijheid, niet vergeten. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er quota voor Joodse studenten aan de Amerikaanse universiteiten, terwijl verenigingen, hotels en vakantieoorden geen Joden toelieten. De zogenaamde ‘rassenwetenschap’ verspreidde het idee dat Joden een bedreiging vormen voor het Angelsaksische ras. Joden werden ook voorgesteld als een revolutionaire communistische dreiging. De auteur beweert dat het antisemitisme in de VS na de Tweede Wereldoorlog afnam. Daar ging een toenemende steun voor het zionisme, dus voor de staat Israël, mee gepaard. De journalist William Zukerman waarschuwde voor die evolutie. Hij schreef dat ‘iedere kritiek op het beleid van Israël, of het nu gaat om het dakloos maken van miljoenen inheemse Arabieren, de behandeling van de Arabische minderheid als tweederangsburgers of de verandering van de nieuwe staat in een raciale theocratie, wordt afgewezen als niet alleen anti-Israël, maar ook als antisemitisch.’ Zukerman werd dan ook weggezet als een zichzelf hatende Jood en antisemiet.
De eerste regeringsleider van Israël, David Ben-Gurion, wist maar al te goed waarover het ging. In een gesprek met Nahum Goldmann, hoofd van het Joodse Wereldcongres, zei hij onbeschaamd: ‘Als ik een Arabische leider was, zou ik nooit compromissen sluiten met Israël. Dat is vanzelfsprekend, wij hebben hun land afgenomen.’ Toen het pan-islamisme opkwam als antikoloniale beweging ontstond een discours dat niet bereid was een onderscheid te maken tussen zionisten en Joden. Arabische pogingen om hier tegenin te gaan vingen bot. Dat ondervond Fayez Sayegh, die waarnemend directeur werd van het Amerikaanse ‘Arab Information Center’. Hij zei: ‘Ik ben anti-Israël. Ik ben ook antizionist, maar ik ben NIET anti-Joods.’ Assad Razzouk, een Palestijns onderzoeker met een doctoraat in de filosofie aan de universiteit van Tübingen, was dezelfde mening toegedaan. Voor hem was antisemitisme een politieke idiotie die de Palestijnse zaak geen goed zou doen.
VS en extreemrechts steunen zionisme
De Verenigde Staten droegen in grote mate bij tot het gelijkstellen van antizionisme met antisemitisme. Zo keurde het Congres in 2004 een wet goed die in de definitie van antisemitisme ook ‘belastering van het zionisme en ophitsing tegen Israël’ opnam. Nadat in 2019 een presidentieel decreet over antisemitisme was uitgevaardigd, zei een adviseur van het Witte Huis dat voor de Amerikaanse regering antizionisme antisemitisme is. De VS stonden daarbij niet alleen. In 2014 keurde de Duitse Bondsdag een resolutie waar in de BDS-beweging als antisemitisch werd bestempeld. BDS staat voor Boycot, Desinvestering en Sancties en is tegen de anti-Palestijnse politiek van Israël gericht. In 2024 volgde een nieuwe resolutie van de Bondsdag waarin antisemitisme opnieuw werd gelijkgesteld met ‘vijandigheid tegenover Israël’.
Auteur Mark Mazower wijst erop dat het in die sfeer is dat de extreemrechtse partij ‘Alternative für Deutschland’ (AfD) Israël prees als lichtend voorbeeld voor Duitsland. Na de inval van de Palestijnse verzetsbeweging Hamas in Israël in oktober 2023 verklaarde ook de Belgische eerste minister Bart De Wever (N-VA) dat hij aan de kant van Israël stond, ‘de kant van het licht’. Gelukkig zijn er niet alleen Palestijnse stemmen om de gelijkstelling antizionisme-antisemitisme te ontkennen, maar ook enkele Israëlische. Zo was Haim Cohn, voormalig Israëlisch minister van Justitie en opperrechter, in 1985 de enige die zich tijdens een seminarie over hedendaags antisemitisme afvroeg hoe het kon dat de stichting van een Joodse staat geen einde had gemaakt aan het antisemitisme maar ertoe had geleid dat het nieuwe vormen had aangenomen.
Israëls beleid voedt antisemitisme
Werd er op internationaal vlak niets gedaan om die verwarring tussen antizionisme en antisemitisme uit de wereld te helpen? Zeker. Zo keurde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1975 een resolutie goed waarin zionisme werd gelijkgesteld met racisme. Daar werd van Israëlische kant woedend op gereageerd. In de Israëlische pers werd geschreven dat de Verenigde Naties ‘de drager van Hitlers vlag in onze generatie zijn’ en dat de Verenigde Naties maar de ‘Verenigde Nazi’s’ moesten worden genoemd. Voor de schrijvers waren de VN een ‘racistische, antisemitische organisatie’. Israël heeft zich trouwens nooit iets aangetrokken van de ontelbare VN-resoluties tegen het Israëlische beleid. Gelukkig waren er ook Israëlische tegenstemmen. Zo betreurde Antony Lerman, jarenlang redacteur van het Antisemitism World Report, dat critici van Israël antisemieten worden genoemd. Voor hem zou het beter zijn toe te geven dat de fouten van Israël het antisemitisme voeden.
Mark Mazower
Over Antisemitisme
De geschiedenis van een woord
Uitgeverij Nieuwezijds
316blz. – 26,99 euro
