Anil Ramdas doet het weer

Anil Ramdas, Paramaribo, de vrolijkste stad in de jungle, De Bezige Bij, Amsterdam, 2009, 254 blz. ISBN 9789023439776

De haat-liefdeverhouding tussen Anil Ramdas en zijn geboorteland Suriname is groot. Dat wisten we al. Ondanks de misleidende titel in zijn laatste boek (‘Paramaribo, de vrolijkste stad in de jungle’) lijkt zijn aversie alleen nog maar toe te nemen. Er blijft heel veel haat en weinig liefde over.

Op zijn eenentwintigste verliet Anil Ramdas Suriname en trok naar Nederland, waar hij zijn Surinamer-zijn en zijn land van herkomst op een zeer kritische manier is gaan bekijken. Dat deed hij als sociaalgeograaf, maar meer nog als schrijver én journalist die met een scherpe, gestileerde en erudiete pen onder andere de verhalenbundel De papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea, Het besluit van Mai, De beroepsherinneraar en Zonder liefde valt best te leven schreef.

Eén jaar Paramaribo

In 2006 – hij is dan bijna vijftig – gaat Ramdas voor een jaar terug naar Paramaribo en schrijft daarover Paramaribo, de vrolijkste stad in de jungle. Wie uit die titel zou durven afleiden dat hij daar een heerlijke tijd heeft doorgebracht, kent Ramdas niet want hij is een meester in het mensen op een verkeerd been zetten. Hij eindigt zijn boek met volgende uitsmijter: “Paramaribo was de vrolijkste stad in de jungle. Een vrolijkheid die zichzelf overschreeuwde. Zo veel rumoer, zoveel herrie. En daardoor juist zo’n stilte.” (p. 254). Dat is een mooie passage om de Ramdasiaanse aanpak te typeren: op een fraaie en gestileerde manier weet hij zijn onderwerp in de vernieling te schrijven. Na 250 bladzijden Ramdas blijft er van Suriname en Paramaribo weinig vrolijks over.

Tussen zijn vierde en zijn achtste jaar woonde Anil Ramdas in het afgelegen rijstdistrict Nickerie, aan de grens met Guyana, waar zijn vader toen onderwijzer was. Daarna verhuisde de Hindostaanse familie Ramdas naar de hoofdstad Paramaribo. Tussen 1967 en 1977 heeft Ramdas Paramaribo bewust meegemaakt en daarna migreerde hij naar Nederland om te studeren en er te blijven.

Een zedenschets

Nu en dan kwam hij wel eens over of schreef hij over Suriname, maar met zijn tegendraadse pen joeg hij dan meestal de Surinaamse samenleving tegen zich in het harnas. Dat doet hij nu ook weer in de zogenaamd vrolijkste stad in de jungle die dat voor hem helemaal niet is. Dat beseft hij al gauw, maar hij blijft toch bijna een volledig jaar om het helemaal goed te kunnen weten en beschrijven. Dit boek is dan ook een zedenschets geworden van de huidige, kleine Surinaamse samenleving, geschreven door iemand die nog een rekening te vereffenen had met die maatschappij waaruit hij verdwenen is. Daarnaast is het ook een terugblik op een stukje persoonlijke levensgeschiedenis. Aan zijn kinderen vertelde hij over een stad die niet meer bestond. “De stad van mijn jeugd, de stad van voor de onafhankelijkheid (1975, redactie), de stad van voor de staatsgreep (1980, redactie), de stad van voor de economische crisis en voor het vertrek van de helft van de bevolking naar Nederland; die stad bestond niet meer. Wat een brede weg was geweest in mijn kinderlijke ogen, was nu een slecht onderhouden straatje.” (p. 126).

Die zedenschets is soms zeer raak (“Zo zocht iedereen een eigen weg in een land waar op papier alles voor iedereen geregeld was, maar waar je over vrienden en contacten moest beschikken als je ook maar iets gedaan wilde krijgen. Wie contacten had – dat werd openlijk gezegd in Suriname – kon hier een redelijk veilig bestaan leiden. Wie geen contacten had, moest veel geld hebben. Wie geen geld had, was verloren.” (p. 69).

Soms is Ramdas zeer scherp (“In kleine, arme landen is de bevolking heel erg trots op namaak; wie goed kon imiteren, was al heel wat.” (p. 72) en bij momenten ronduit chagrijnig wanneer hij bijvoorbeeld over zijn verblijf spreekt: “Want behalve het gestamp van mijn bovenburen waren de vogels nog het ergst: dat meedogenloze gekwetter bij iedere zonsopgang en- ondergang…” (p. 78).

Hij aarzelt ook niet om de botte bijl boven te halen: “Surinamers, zo realiseerde ik me na de eerste helft van het jaar, konden bij gebrek aan idealen en ideeën, bij gebrek aan betrokkenheid en een primaire vorm van solidariteit, bij gebrek aan iets als een maatschappelijk bewustzijn, eigenlijk alleen nog maar dansen. Als het aan alles ontbrak, kon je maar beter met de heupen wiegen. Sommige mensen scheen het te helpen.” (p. 79)

Anil Ramdas spreekt wel met zeer respect over de schrijver Albert Helman. Dat zal wel geen toeval zijn, want deze Surinamer van origine is ook een notoire nestbevuiler geweest met een al even fameuze haat-liefde verhouding voor zijn geboorteland.

Eenzijdig

Vrijwel heel dit boek haalt Ramdas ongegeneerd en niet gehinderd door enige vorm van nuancering of zelfrelativering uit naar alles wat hem stoort in en aan Suriname. De lijst is lang en ongenadig. Alleen op het laatst beseft Ramdas dat hij misschien een beetje te ver is gegaan. Hoe komt dat volgens hem? Door zijn tussenpositie waardoor hij tegelijk in- en outsider is: “Ik was niet vreemd genoeg, en niet Surinaams genoeg. Als ik een neutrale blanke was geweest met een rood aangelopen en zwetend gezicht en een brilletje op, was men misschien eerder geneigd geweest mij te vertellen wat ik wilde weten. Als ik een ras-Surinamer was geweest was het ook eenvoudiger geweest, dan zouden ze erop hebben vertrouwd dat ik wel wist wat ik wel en wat ik niet mocht schrijven. Maar iets daartussin, een ex-Surinamer, een onechte Nederlander, dat riep problemen op.” (p. 224)

Kritiek geven op dit werk is gemakkelijk: deze schriftuur blinkt in de eerste plaats uit door haar eenzijdigheid. Barbertje, voor de gelegenheid Suriname, moest hangen. Daarover bestond voor Ramdas geen twijfel, want al vanaf de eerste bladzijden begint hij te zaniken – ik kan geen ander woord bedenken – over allerlei kleine ongemakken die hij in zijn eerste hotel meemaakt.

Wat bezielde Ramdas toch om dit boek te schrijven? ‘Hij doet het weer’, dacht ik al na enkele bladzijden, toch ben ik blijven voort lezen omdat hij nou eenmaal een begenadigd schrijver is. Op de laatste bladzijden van het boek beseft hij dat hij misschien een beetje te ver is gegaan: “Want ik had wel erg de neiging om het land te beoordelen en niet zelden te veroordelen op grond van wat ik zelf wenselijk achtte.” (p. 251) Misschien komt Ramdas daar nog het dichtst bij de waarheid: dit boek gaat maar in geringe mate over het Suriname van vandaag en veel meer over de Anil Ramdas van gisteren.

(Uitpers, nr. 111, 10de jg., juli-augustus 2009)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

 http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=863232&refsource=uitpers

Deel dit artikel
Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

Andere boeken