Angelsaksische media als instrument van propaganda<br>Schuldig aan oorlogsmisdaden?

Ettelijke maanden na de verovering van Irak door het Amerikaanse leger verscheen er in de Amerikaanse zogenaamde kwaliteitskrant The New York Times een mea culpa waarbij de krant zich excuseerde voor haar foute eenzijdige berichtgeving over Irak.

Zonder enige kritische zin had ze immers de verhalen van allerlei Iraakse ballingen over de massavernietigingswapens van Irak door de krant prominent en voor waar gebracht. Ballingen die toen door de Amerikaanse overheid werden betaald en achteraf beloond met allerlei lucratieve posten in de Amerikaanse collaboratieregering. Van enige kritische zin of woord en wederwoord was er nooit sprake geweest, gaf de krant grootmoedig toe. Bronnenkritiek hoefde helemaal niet. Voor zover geweten is The New York Times hiermee het enige nieuwsorgaan dat zijn fouten op dit vlak openlijk toegaf. Nochtans hadden bijna alle kranten of televisiestations in de VS of het Verenigd Koninkrijk op diezelfde wijze bericht. Fouten toegeven was er echter hier voor zover geweten niet bij.

Ongeloofwaardig

Is de geste van de New York Times wel geloofwaardig en in hoeverre is ze alleen maar bedoeld om het gezicht te redden? Enige kritische zin en nog maar een beperkte historische kennis – wat je van een krant als de New York Times toch mag verwachten – zou dergelijke fout immers onmogelijk gemaakt hebben. De ruwe realiteit leert echter dat de New York Times diezelfde fouten blijft herhalen en haar verontschuldigingen rond Irak daarom geloofwaardigheid missen.

Een korte studie van een serie artikelen verschenen in The New York Times, Newsweek, The Economist en de verslaggeving van de recente Iraakse verkiezingen op de BBC World Service TV leert dat voor de Angelsaksische media journalistieke principes niet tellen en hun berichtgeving slechts mooie journalistiek verpakte propaganda is. En dit zijn dan nog de nieuwsbronnen die in het Angelsaksische perslandschap met reden tot de besten worden gerekend. Dit vergeleken met de media van een Rupert Murdoch, eigenaar van onder meer The Sun, The New York Post en Fox TV, of die van Hollinger Inc’s Conrad Black (*), eigenaar van publicaties als The Spectator, The Daily Telegraph en The Jerusalem Post. Persorganen voor wie objectiviteit en kritische zin doodzonden zijn en waarvoor hun eigenaars in het verleden trouwens goed beloond werden door de Britse en Amerikaanse regeringen.

De goede Khodorkovsky

Hoe de New York Times schrijft over problemen die belangrijk zijn voor het Amerikaanse buitenlandse beleid blijkt uit de wijze waarop ze bericht over de herrie rond de Russische oliemaatschappij Yukos.

Wie op Google of elders op zoek gaat naar de avonturen van Yukos, haar controlerende holding Menatep of diens eigenaar Michael Khodorkovsky ontdekt een wereld van een gigantische fraude en zware jongens voor wie geweld geen probleem is. Het bestuderen van zes artikels in de International Herald Tribune, de internationale versie van de New York Times, verschenen op 26 en 27 november en op 16, 17 en 18 december, toen de crisis rond Yukos op haar hoogtepunt was, toont hoe de krant de klassieke journalistieke principes aan haar laars lapt. Het betreft hier vanuit Moskou door hun correspondent Erin E. Arvedlund gebrachte berichten. Nooit neemt de man de moeite om over die kwestie Russen aan het woord te laten. Zo komen in het stuk ‘Yukos wanes, Gazprom lights op as Russia’s energy beacon’ van 26 november Soeren Rytoft, Ian Hague en John Kleinheinz aan het woord. Allen Amerikanen waarbij Arvedlund blijkbaar vanuit Moskou zelfs kost en moeite deed om over een puur Russische zaak naar Ian Hague in New York te bellen. Eenzelfde verhaal in het diezelfde dag gepubliceerde ‘Oil giant in Russia closer to collapse’ waarin James Fenkner, vermoedelijk een Brit, Steven Dashevsky, een afgestudeerde van de City University of New York, Bruce Misamore, de Amerikaanse voorzitter van de beheerraad van Yukos, een vertegenwoordiger van de Amerikaanse ambassade in Moskou en Ron Smith, een afgestudeerde van de Texaanse A&M University, aan het woord komen. Indirect wordt hier ook Subir Raha, de Indische voorzitter van Indian Oil & Natural Gas, geciteerd. Dezelfde wijze van werken zet zich door op 27 november met ‘Yukos Emergency plan’ waar Bruce Misamore opnieuw aan het woord komt samen dan met Christophe Weafer. Een interessante man blijkt, want hij komt uit de stal van de Amerikaanse zeer invloedrijke Carlyle Group waarin George Bush Sr, Henry Kissinger en James Baker, topman voor het buitenlandse beleid onder Bush Sr., mee aan de touwtjes trekken.

Ook in december als de crisis opnieuw een hoogtepunt bereikt gaat de krant op de ingeslagen weg verder. ‘Russian oil giant seeks helping hand in U.S Bankruptcy Court’ bloklettert de krant op 16 december. Ditmaal brengt Arvedlund gesprekken met Steven Theede, de Amerikaanse algemeen directeur van Yukos, de Amerikaanse advocaat Michael Luskin uit New York en Sarey Carey, opnieuw een Amerikaanse advocaat die zich uitgeeft voor onafhankelijk bestuurslid van Yukos. Deze eenzijdigheid blijft op 17 december verder te gaan met het artikel ‘Yukos meeting blocked’ waar Bruce Missamore, indirect Michael Khodorkovsky en ene John Mann, woordvoerder van Sibneft hun zeg komen doen. Sibneft is eigendom van de Britse holding Millhouse Capital en John Mann is een Brit. Alleen in het laatste artikel van 18 december met als coauteur Simon Romero komen indirect twee Russen aan het woord, namelijk Alexander Stepanenko, woordvoerder van het Russische Gazprom en Sergei Lavrov, minister voor Buitenlandse Zaken. Beide citaten komen blijkbaar uit interviews gegeven aan de Russische TV. Verder natuurlijk opnieuw de obligate Amerikanen met Fiona Hill van het Amerikaanse Brookings Institution en Lee Raymond, Algemeen Directeur van ExxonMobil.

De tendens van die artikels kan het best samengevat worden met het volgende citaat uit het artikel ‘Oil giant in Russia closer to collapse’ van 26 november 2004 waar Arvedlund over de problemen van Yukos schrijft dat: ‘Het algemeen gezien wordt als een politiek geïnspireerde aanval” Een bewering die tot heden nooit werd bewezen en die zeker door de doorsnee Rus niet overal zal gedeeld worden. Daar immers hebben figuren als een Khodorkovky en zijn Menatep/Yukos een barslechte naam. Dat “algemeen gezien” is dan ook een term die vooral dient om bij de lezers een bepaald beeld van praktisch zekerheid over de kwestie te verspreiden. Waarbij eerlijke succesvolle zakenlui als Khodorkovsky het slachtoffer zijn van een door dictator president Putin georganiseerde politieke afrekening. Dit in een Rusland dat feitelijk als altijd nog steeds een dictatuur is waar men best geen zaken mee doet. Bijna een schurkenstaat dus.

Over de fraude en maffiapraktijken rond Menatep en Khodorkovsky leest men niets meer in de berichtgeving van de International Herald Tribune. Verhalen die nochtans goed gekend zijn en tot voor een paar jaar wijd verspreid werden, ook in de Amerikaanse en Britse media. Wat eveneens ontbreekt in de stukken is een beeld van de relatie van Yukos met de VS. Is het een toeval dat de Amerikaanse pers zo de verdediging opneemt van Yukos en er aan de top bij Yukos overal Amerikanen opduiken? Een beetje onderzoek leerde dat Khodorkovsky met de Carlyle Group een deal sloot om eerst te fuseren met Sibneft, de Russische oliefirma van de naar het Verenigd Koninkrijk gevluchte Russische miljardair Roman Abramovich, om daarna het boeltje te laten overnemen door ExxonMobil of TexacoChevron. Wie van beiden, was door de Carlyle Group blijkbaar nog niet uitgemaakt. George Bush Sr. maakte hiervoor in 2002 een reis naar Moskou in opdracht van de Carlyle Group waar ook Henry Kissinger en Khodorkovky mee aan tafel zaten om die zaak te bespreken. Henry Kissinger werd trouwens door Khodorkovsky lid gemaakt van zijn Open Russia Foundation. Had deze strategie gewerkt dat hadden de VS een vaste greep gekregen op de Russische olievoorraden. Het arresteren van Khodorkovsky en het optreden tegen Yukos wegens fraude deed dit Amerikaanse plan mislukken….. Waarna de New York Times een perscampagne in elkaar stak.

Agressieve Chinezen

Ook in het uitgebreid, meer dan twee pagina’s beslaande verhaal van Newsweek ‘Yet another Great Game’ geschreven door Stephen Glain en gepubliceerd op 20 december 2004 speelt olie een centrale rol. Het betreft hier de zoektocht naar olie op het Afrikaanse continent. De toon van het artikel wordt al onmiddellijk gezet met de introductie ‘Beijings agressieve Afrikaanse petroleumdiplomatie brengt het in conflict met de VS’ stelt het blad in grote letters. Wie het stuk wat grondig leest constateert dat het slechts gebaseerd is op een rapport dat circuleert onder toplui van het Amerikaanse oorlogsestablishment. Buiten dat en het feit dat het 80 pagina’s telt komen we niets over de herkomst van het rapport te weten. Wie het rapport schreef en wanneer, wie het uitgaf, het bestelde of zelfs wat de titel is komen we in het nochtans twee pagina’s en 1/3 pagina lange artikel niet te weten. Eigenaardig toch, zeker als men voldoende ruimte ter beschikking heeft.

Ook hier komen alleen Amerikaanse bronnen aan het woord. Zo is er John Tkacik van de Heritage Foundation, een aartsconservatieve denktank die sinds het presidentschap van Ronald Reagan sterk op de voorgrond treed. Verder is er olie-expert Jamal Qureshi die in Washington werkt voor PFC Energy, een olieconsultantcy die wel eens dergelijke rapporten als dat over China en Afrika durft te schrijven. Ook het Amerikaanse Human Rights Watch komt via ene Jemera Rone aan het woord. “Khartoem wordt gesteund en aangemoedigd door China’s hulp,” stelt de man. Niet toevallig natuurlijk dat men hier Human Rights Watch opvoert. Men wou immers met modder gooien naar Soedan en China en dus was die organisatie dit keer welkom. China is onder meer actief in het boren naar olie in Soedan en dat zint de VS duidelijk niet daar het land een beleid los van de VS voert. Waardoor Amerikaanse oliemaatschappijen er minder vlot toegang krijgen. Reden waarom ze er graag een andere plooibaardere regering willen.

Ook blijkt volgens Newsweek in de studie gesteld te worden dat China troepen naar Soedan stuurde om zijn oliebelangen veilig te stellen. “Een verhaal dat al lang onder mensenrechtengroepen en onder Afrika-experts wordt rondverteld, maar nooit werd bevestigd,” stelt de schrijver zonder enig bewijs voor die Chinese troepen te geven. Opvallend is ook het indirecte aan de Iraanse olieminister Bijan Zangeneh toegeschreven citaat dat de link met Beijing de gevolgen van de Amerikaanse sancties tegen Iran helpt verzachten. En is Iran geen schurkenstaat die militair dient aangepakt?

Deze “agressieve Chinese petroleumdiplomatie” staat volgens de auteur dan in schril contrast met die van Amerikaanse oliemaatschappijen. “Tot op heden echter zijn dergelijke contracten (door Amerikaanse oliemaatschappijen en met autocratische regimes) slechts af en toe gesloten,” stelt de auteur, voor wie China niets anders doet dan samenwerken met schurkenstaten en dictators. Uiteraard komen, op geen enkel ogenblik noch Afrikaanse noch Chinese bronnen aan het woord. Ze lijken ook niet geconsulteerd. De Amerikaanse media kunnen het dan wel hebben over mensenrechten maar recht van spreken hebben Chinezen en Afrikanen blijkbaar niet als het over hun eigen zaken gaat.

De boodschap van het verhaal is die van een in het artikel geciteerde maar evenmin gesitueerde Israëlisch-Amerikaanse studie die stelt dat China uitgesloten dient te worden van de Afrikaanse oliemarkt. Ook is er het door hem geciteerd advies van de African Oil Policy Initiative Group waarin Amerikaanse parlementsleden en oliebazen samenwerken. Deze raadde de Amerikaanse regering aan om massaal troepen naar Afrika te sturen en er basissen te bouwen. Visies waarover door de auteur geen opmerkingen werden gemaakt.

De boodschap is dus duidelijk: China steunt met zijn agressieve oliepolitiek schurkenstaat Iran en kandidaat schurkenstaat Soedan en dient daarom feitelijk gestraft. Van een serieuze studie van het Chinese beleid in die kwestie of van de Afrikaanse olieproblematiek is uiteraard geen sprake. Geen woord over hoe Afrikaanse olielanden, sinds men er petroleum vond, economisch en sociaal alleen maar dieper in de miserie zakten. Dit terwijl Amerikaanse en Europese oliemaatschappijen er fortuinen verdienen. Wel blijken er plots Chinese troepen in Soedan. De door de VS nooit gevonden massavernietigingswapens van Saddam Hoessein bewakend? En verder dienen er Amerikaanse troepen en basissen in Afrika te komen om die ‘agressieve’ Chinezen de toegang tot Afrika te ontzeggen en te verhinderen dat dit continent dus een alternatief voor de VS en Europa krijgt. Agressief?

Een wat intolerante Paul Kagame

Ook het door velen hoog geprezen Britse weekblad The Economist doet flink mee in die propagandaslag als blijkt uit het drie pagina’s lange verhaal over de Tutsi’s getiteld ‘The ‘Jews’ of Africa’ dat op 21 augustus 2004 verscheen. Het is een vrij gedetailleerd artikel waarin ook bijvoorbeeld het vroegere koloniale beleid van zowel Duitsland en België ter sprake komt. Ook de beruchte James Kabarebe, de militaire rechterhand van Paul Kagame, komt aan het woord, vooral dan om denigrerend te doen over zowel de vermoorde president Laurent-Désiré Kabila als over de Congolese krijgskunde. Daarbij wordt in het artikel de visie van Kagame over het Belgische koloniaal beleid kritiekloos overgenomen. Verder wordt Mobutu Sese Seko omschreven als een “stervende dictator” en een “roze champagne drinkende kleptocraat”. Ook over Laurent-Désiré Kabila is men duidelijk door te stellen dat “Hij zo corrupt was als Mobutu”. En over de reden waarom Robert Mugabe, Eerste Minister van Zimbabwe, Kabila militair ter hulp snelde stelt men: “Ook hij had zijn ogen gericht op de Congolese diamantmijnen”. En dan is er natuurlijk Juvenal Habyarimana, de in 1994 vermoorde president van Rwanda, die als “die Hutu despoot” wordt afgeschilderd.

Allemaal een groot verschil met het portret dat in het artikel van Paul Kagame gemaakt wordt. “De regering is relatief zuiver, verfrissend zakelijk en geliefd bij buitenlandse donors” klinkt het met als opmerking dat er intern toch wat ongenoegen is daar de “regering intolerant is tegenover vormen van dissidentie.” Intolerant? Dit over een dictator wiens gevangenissen uitpuilen van de politieke gevangenen. Wel brengt men kort het verhaal van Pasteur Bizimungu, president van 1994 tot 2000, die officieel wegens het aanzetten tot etnische haat 15 jaar cel kreeg toegemeten “omdat hij ruzie kreeg met het regime.”

Over de door de VN, mensenrechtenorganisaties en buitenlandse inlichtingendiensten goed gedocumenteerde plunderingen in Congo door Kagame en zijn vriendje Kabarebe geen woord. Niets over de miljoenen Congolese slachtoffers die de invasies van Kagame en zijn vroegere baas Yoweri Museveni, de dictator van Oeganda, veroorzaakten. Verzwegen wordt ook de rekrutering van kindsoldaten of de gruwelijke slavenarbeid in de Congolese mijnen onder Rwandees beheer. Een ander en zeer belangrijk element dat vergeten wordt is dat van de massale steun van de VS en het Verenigd Koninkrijk aan Rwanda. Zonder wier steun Kagame nog steeds in de Oegandese hoofdstad Kampala zat en er geen miljoenen slachtoffers waren gevallen in die regio. Elementen die echter niet passen in het verhaal van een “wat intolerante Kagame, geliefd door de buitenlandse donors”.

De vraag stelt zich of het wat dubieuze beeld dat The Economist ophangt van een ‘intolerante’ Kagame samenhangt met het feit dat de VS het al een tijdje wat lastig heeft met een Kagame die niet altijd naar zijn Amerikaanse broodheren wil luisteren en zelfs al op de vuist ging met Oeganda. Men kan bij de Economist immers onmogelijk beweren niets af te weten van die rapporten van de VN of de van de uitgebreide Amerikaanse steun aan de oorlogen van Kagame & Co. De informatie past echter niet in het beeld dat het blad wil scheppen bij haar lezers. Lezers die feitelijk bedrogen worden.

Onthouders zijn niet interessant

Zoals de andere Angelsaksische media doet ook de BBC World Service TV haar best in het winnen van die propagandaoorlog. Typerend voorbeeld was het verslag op TV van de Iraakse verkiezingen van zondag 30 januari. Terwijl het thema in Irak die dag de discussie was tussen voorstanders en tegenstanders van die verkiezingen pakte de BBC het anders aan. Hun enig thema was de dappere Irakees die de terreur van Al-Zarqawi wist te verslaan en zijn lot in eigen hand nam.

“Zij willen de eersten zijn om de cirkel van de angst te doorbreken,” wist het nieuws om 10u00 West-Europese tijd te melden. Waarbij correspondente Caroline Hawley vanuit Bagdad stelde dat “de soennieten niet komen stemmen uit angst voor het geweld.” Ook was er studiogast Selwa Kazini die zonder verdere specificatie wordt gepresenteerd als een politieke analiste die recent in Irak was. “Tot heden ging alles goed,” wist ze bij haar intro te melden. Daarmee aantonende dat ze geen echte analiste was die, als het hoort, neutraal de feiten in hun context plaatst maar iemand die een bepaalde visie kwam propageren.

Om 11u00 ging dat dan verder met de mededeling dat de Irakezen “zich voor de eerste maal vrij voelen sinds de val van Saddam Hoessein”. Ook nu weer wist men te melden dat door de bedreigingen sommige mensen niet kunnen gaan stemmen. Waarna Safwat Rasheed van de zogenaamd onafhankelijke Irakese kiescommissie al kwam melden dat in Basra 85% der mensen was komen stemmen. Dus toen de verkiezingen nog aan de gang waren. Verhaal dat zonder verpinken door de nieuwslezer werd geslikt.

Om 20u00 klonk het dan van “dit is een overwinningsdag”. Het leek wel een VRT verslaggever die de Belgische overwinning in de wereldbekerfinale voetbal versloeg. Wel komt in deze uitzending een soennitische familie aan het woord. Gedurende bijna 15 seconden krijgen die de gelegenheid om te zeggen dat het gaan stemmen “niet het risico nemen waard is en dat ze toch geen kandidaten kennen.” Meer tijd krijgen ze niet van de BBC. Wel komen daarna Bush en Blair aan het woord, goed voor ieder bijna twee minuten, en komt correspondente Caroline Hawley zonder schroom vertellen dat “sommige soennieten de oproep voor een boycot volgden, sommigen daarvan uit vrees.” Dat wordt dan allemaal afgerond met een nieuwe studiogast genaamd Ali Al Husayni van het Iraqi Popular Movement, een mantelbeweging van Ayatollah Al-Sistani blijkt aldra. De man krijgt drie minuten.

Om 22u00 krijgen we dan te horen dat “de opkomst niet in alle gebieden erg hoog was.” Met verder verhalen over heroïsche kiezers en een gesprek met de Britse Brigadier Paul Gibson van de 4th Armoured Brigade die Basra bezet. In totaal kwamen op die 78 minuten die de BBC over de verkiezingen bracht gedurende amper 15 seconden mensen aan het woord die niet wensten te stemmen. Onvoldoende uiteraard om hun visie goed weer te kunnen geven. Nergens werd op een serieuze wijze een beeld gegeven van het verzet tegen die verkiezingen. Dat de sjiieten stemden zoals hun mollahs wilden kwam niemand vertellen. Neen, stelde de BBC die dag, hier konden de ‘kiezers voor de eerste maal hun lot in eigen handen nemen.’

Niet dat het ergens in tv-land veel beter was. Op de VRT kwam de visie van de tegenstanders van de verkiezingen die dag evenmin aan bod. “Aan de onthouders heeft niemand een boodschap,” wist William Liénard van het tv-journaal te zeggen in een reactie op een verwijt over partijdige berichtgeving die dag. Voor hem waren de tegenstanders voorheen al genoeg aan bod gekomen.

Mede schuldig?

Wee dan ook diegenen die zich durven verzetten tegen de Amerikaanse almacht. Ook voor de Angelsaksische media zijn zij vogelvrij verklaarden, schurkenstaten, terroristenvrienden en dictators. Over de misdaden van de vrienden van de VS als een Kagame wordt door die media dan de mantel der liefde gespreid. Mugabe is in de ogen van de media dan een roofdier dat zijn oog liet vallen op de Congolese diamantmijnen terwijl Kagame hoogstens wat intolerantie wordt verweten. En de invloed van bepaalde Angelsaksische media is met namen als de BBC, New York Times, Associated Press, Reuters, Economist en CNN erg groot.

Voor regeringen als die van de VS is het essentieel dat ze voor hun imperialistisch buitenlands beleid kunnen rekenen op de steun van de bevolking. Het laten afslachten van de eigen bevolking ter ere van private belagen als die van oliemaatschappijen dient aanvaardbaar te worden gemaakt. Een volgzame pers is daarbij essentieel. Zonder de persverhalen over Irakese massavernietigingswapens en terroristen had Bush nooit de oorlog tegen Irak kunnen voeren. En hoewel een kritische journalist die verhalen zo had kunnen doorprikken bleek dat niet te gebeuren. Zoals in het verleden in ontelbare andere conflicten liep de pers in het gareel van de machthebbers en hielpen zij mee die oorlog voeren. In hoeverre zijn deze media mede schuldig aan het onnoemlijke leed welke Irak te beurt is gevallen?

(Uitpers, nr. 62, 6de jg., maart 2005)

(*) Het imperium van mediagigant Conrad Black waar onder meer Henry Kissinger en Richard Perle, twee der meest invloedrijke Amerikaanse conservatieve politici, bestuurder waren is sinds vorig jaar uit elkaar gevallen. Reden was de gigantische zelfverrijking bedreven door Conrad Black. Een zaak die nog steeds voor allerlei rechtbanken wordt uitgevochten.

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 41 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook