Angelsaksisch front remt vooruitgang in Congo af

“De duivel moet Liberia verlaten hebben en zich gevestigd hebben in Congo”.(1) Hillary Clinton, de VS-minister van Buitenlandse Zaken begin februari met een one-liner waarrond ze een bevlogen parabel spint (scheiding van Kerk en Staat?). Een week eerder heeft Clinton aan de Militaire Academie in Parijs ook al gitzwarte taal over Congo gesproken: “Congo is momenteel het epicentrum van seksueel gebaseerd geweld tegen meisjes en vrouwen in de wereld”.

Achter Clinton’s donderpreken over Congo zit een ander objectief dan compassie. De VS en de internationale gemeenschap willen zich blijvend met de gang van zaken in Congo bemoeien. “We zouden gezamenlijk moeten plannen en proberen uitvissen hoe we de regering en het leger kunnen beïnvloeden en hoe we bescherming kunnen voorzien voor de mensen op het terrein en een behandeling kunnen geven aan degenen die aangerand zijn”. (2)

Het Westen heeft Congo na de verkiezingen van 2006 enkele jaren min of meer laten doen. Maar nu klit het weer samen. Howard Wolpe, de Speciale Adviseur voor de Regio van de Grote Meren van de Amerikaanse regering: “Ik ben zeer enthousiast om het niveau van engagement te zien bij de bredere internationale gemeenschap, dat onbestaande was de laatste jaren.” (3)

Eind februari ondernamen de VS, de EU en de VN samen actie. In een brief aan president Kabila eisten zij dat de Congolese regering nu spoedig haar precieze plannen voor de algemene verkiezingen van 2011 zou bekend maken. De diplomaten, toch getraind in opperste discretie, lekten de brief tegelijk naar de pers. Kinshasa protesteerde heftig, volgens haar kaderde de demarche in de aan de gang zijnde discussie over de VN-Vredesmacht in Congo, MONUC. Al in 2009 werd beslist de VN-vredesmacht af te bouwen. Toen maakte dat geen ophef. Het Westen is nu echter tegen een exit van MONUC gekant en zet Kinshasa onder druk.

Traag maar gestaag

Ook al gaat het traag, ‘à pas de tortue’ (schildpaddenpasjes) zoals men in Congo zegt, vooruitgang is er. Het duidelijkste teken kwam er in maart 2010 van het Internationaal Muntfonds. Na een tussentijdse inspectie erkende het IMF dat Congo “de voornaamste criteria voor kwantitatieve performantie” heeft gerespecteerd en binnen afzienbare tijd in aanmerking zou kunnen komen voor een verlichting van de buitenlandse schuld.

In Oost-Congo is de regering een stabilisatieplan aan het uitvoeren. Met dat zogenaamde STAREC-plan, dat samen met MONUC en andere VN-bureaus is opgesteld en in juli 2009 publiek is gemaakt, wil de Congolese staat zijn gezag herstellen “in gebieden die uit gewapende conflicten komen” en er de economie herlanceren. Een belangrijk onderdeel is de formalisering van de mijnbouw in de provincies Noord- en Zuid-Kivu, Maniema en aanpalende gebieden in Ituri en Noord-Katanga.

In de beide Kivu’s hebben de FARDC (het Congolese leger) en MONUC de Rwandese hutu-rebellen van de FDLR uiteengejaagd. In januari hebben ze een nieuwe operatie aangevat, Amani Leo, om de FDLR verder op te jagen. De organisatie zou gebroken zijn, maar kleine FDLR-groepen zijn uitgezwermd en blijven bloedige raids tegen de bevolking uitvoeren, vooral om zichzelf te bevoorraden. Het Congolese leger heeft ook in Ituri en de Uele-regio’s nog altijd af te rekenen met andere Congolese en Oegandese milities en wordt in Dongo, in de Evenaarsprovincie, geconfronteerd met een nieuwe haard van geweld, die al lang aan het smeulen was.

Een nieuw probleem in Kivu is dat eenheden van de FARDC, die onder bevel staan van vroegere CNDP-rebellen, een aantal mijngebieden hebben bezet. De CNDP (de beweging opgericht door de gearresteerde voormalige generaal Laurent Nkunda) heeft in een aantal zones van Noord-Kivu ook haar parallelle administratie opnieuw opgericht. Het is onwaarschijnlijk dat het centrale gezag deze dissidenten, ook al zijn ze deels in het leger geïntegreerd, blijvend zal gedogen. Een aanwijzing is de herschikking van de regering van premier Adolphe Muzito in februari. De CNDP, die al jaren ministerportefeuilles claimt, kwam er gewoon niet aan te pas.

Met betrekking tot de mijnsector in het Oosten timmeren nog andere groepen dan de regering aan de weg. In Zuid-Kivu heeft een middenveldorganisatie, de ‘Observatoire pour la Gouvernance et la Paix,’ alle betrokken spelers al meermaals samengebracht om te brainstormen over de sector. Ze zijn het erover eens dat een embargo op de export van mineralen de slechtst denkbare oplossing is. In het Oosten worden de ertsen niet industrieel maar artisanaal gewonnen. In de carrières delven duizenden zogenaamde ‘creuseurs’ op ambachtelijke, zeg maar middeleeuwse manier vooral naar tinerts (cassiteriet) en naar coltan dat tantalum bevat. Via een keten van tussenhandelaren belanden de ertsen bij aankoophuizen in Bukavu en Goma die exportvergunningen hebben en aan buitenlandse handelaars en smelters verkopen. Er zit veel fraude (oa. smokkel) in de keten. Schakels in de keten zijn er in het verleden ook van beschuldigd dat ze rebellengroepen, zoals de FDLR of de CNDP, financierden. Aan die situatie moet een einde worden gemaakt, maar zonder de mijnbouw, die de voornaamste economische sector van Oost-Congo is, te ontwrichten. Eén concrete maatregel is het oprichten van zogenaamde ‘centres de négoce’ of lokale aankoopbeurzen, waar alle aangeboden ertsen een certificaat van oorsprong moeten krijgen. Dat concept sluit aan bij het STAREC-plan. Een eerste van vijf lokale beurzen zou nu spoedig in de buurt van Bisiye, het belangrijkste mijngebied in Noord-Kivu, worden opgericht. Daarvoor neemt ITRI (International Tin Research Institute), de federatie van de internationale tinindustrie, het initiatief. De Congolese regering keurde het ITRI-plan goed en ITRI heeft onder zijn leden ondertussen een werkingsfonds van 600.000 VS-dollar verzameld.

Weren van Congolese ertsen

In de VS en Canada loopt echter een campagne om de ertsen uit Congo compleet uit de markt te jagen en met die hefboom de Congolese regering onder druk te zetten. Gangmaker is de organisatie ‘Enough’ die geleid wordt door John Prendergast, de vroegere Afrika-adviseur onder president Clinton. Enough zegt dat mineralen uit Congo verwerkt worden in alledaagse elektronische apparaten, zoals laptops en gsm’s. “Dit levert de brandstof voor de dodelijkste oorlog in de wereld”, aldus Enough. De organisatie eist dat de elektronische industrie enkel nog mineralen koopt uit landen zonder oorlog.(4) Nog in de VS hebben de senatoren Brownback (Republikein) en Durbin en Feingold (Demokraten) in het voorjaar van 2009 een wetsvoorstel ingediend dat bedrijven zou verplichten jaarlijks aan de beurswaakhond SEC te melden dat ze met coltan, cassiteriet of wolfram uit Congo werken. In het Huis van Afgevaardigden zou de Republikein McDermott met een wetsvoorstel komen dat audits oplegt aan bedrijven die ertsen tot metalen raffineren. In de praktijk strekken beide voorstellen ertoe Congolese ertsen onder embargo te plaatsen.

Dit politieke front krijgt steun van bedrijven. De Canadese mijnbouwfirma ‘Commerce Resources’ is in 2009 tegen Congo beginnen lobbyen. Commerce heeft daarvoor in 2009 de lobbyist Ron MacDonald ingehuurd. MacDonald liet zich in december 2009 opmerken tijdens een werkvergadering over investeringen in de mijnbouw bij de OESO in Parijs, waar hij naar verluidt fel tegen Congo te keer ging. Tot ontsteltenis van ITRI en sommige andere bedrijven. Ze vroegen zich af wat MacDonald, die zich als Internationale Beleidsadviseur van Commerce had laten aankondigen, kon bezielen. De reden is niet ver te zoeken. Commerce Resources heeft nooit zaken gedaan in Congo maar het is in Canada wel twee mijnprojecten aan het ontwikkelen, het Eldor-project in Noord-Quebec en het Upper Fir/Blue River-project in British Columbia. Daarvoor heeft het geld nodig. Commerce probeert nu investeerders warm te maken door Congo af te schilderen als de slechtste plek om tantalum te halen. “Koop liever bij ons, wij zijn een ethisch verantwoorde bron”, aldus Commerce Resources.(5)

De firma laat het daar niet bij zitten. In april was ze hoofdsponsor van een mijnbeurs in Los Angeles. Daar posteerde ze uiteraard haar eigen directeuren in de werkgroepen. Ook Ron MacDonald stond er op de sprekerslijst, niet als representant van Commerce maar nu als Voorzitter van Cansource International, dat is MacDonalds’ marketingbedrijf. MacDonald moest er het woord voeren in de werkgroep ‘Sustainable Mining’, samen met David Sullivan van die andere lobbygroep Enough.(6)

(Uitpers nr. 121, 11de jg., juni 2010)

Raf Custers is onderzoeker bij IPIS (International Peace Information Service)

Zijn tekst verscheen eerder in Vrede. Tijdschrift voor internationale politiek; nr. 403, mei-juni 2010, blz. 36-37.

Voetnoten

(1) Keynote Address at the 58th National Prayer Breakfast, Hillary Rodham Clinton, Secretary of State, Washington Hilton Hotel, February 4, 2010

(2) Remarks on the Future of European Security, Hillary Rodham Clinton, Secretary of State, at L’Ecole Militaire, Paris, January 29, 2010

(3) Central Africa: Build cohesion in divided societies, urges U.S. Envoy, in: AllAfrica Global Media, 9 November 2009

(4) ‘DRC Conflict Minerals Target of New Campaign’, Voice Of America, 1 April 2009.

(5) Blue River Tantalum-Niobium Project. Commerce Resources Corp. Newsletter, Februari 2009.

(6) Rare Metals Summit, Crowne Plaza, Los Angeles, 7-9 April 2010

Visited 155 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook