Er stond veel op het spel in de regionale verkiezingen van zondag 17 mei in Andalucía, Spanje. De autonome deelstaat werd 37 jaar lang bestuurd door de sociaal-democratische PSOE, met destijds Felipe Gonzalez. In 2022 ging de macht echter naar rechts. De Partido Popular won toen 58 zetels, genoeg voor een absolute meerderheid en alleenheerschappij.
In andere recente regionale verkiezingen, zoals Extremadura en Aragón verloren de socialisten eveneens maar moest de PP samenwerken met het uiterst-rechtse Vox om een meerderheidscoalitie te maken.
In Andalucía lijkt hetzelfde te gebeuren.
PP won de verkiezingen maar verloor zijn absolute meerderheid. Het zakte van 58 naar 53 zetels, met 41,6 % van de stemmen.
Op twee staat nog steeds de PSOE, maar het verloor opnieuw twee zetels. Het haalt er nog 28 met 22,7 % van de stemmen.
Op drie komt Vox dat slechts één zetel wint, van 14 naar 15, met 13,8 % van de stemmen, minder dan wat was voorspeld.
De verrassing komt van Adelante Andalucía, een links-nationalistische partij. Het had 2 zetels en haalt er nu 8, met 9,62 % van de stemmen.
Por Andalucía tenslotte, een linkse coalitie van Izquierda Unida, Sumar, Podemos en Groenen, behoudt zijn 5 zetels met 7,2 % van de stemmen.
In 2018 kwamen deze twee laatste partijen samen op en haalden toen 17 zetels. In 2022 vielen ze terug op 7.
De drie linkse partijen samen halen nog 39,5 %, een duidelijke minderheid.
De participatiegraad lag op 64,84 %, bijna 9 % meer dan in 2022.
Het internationale prestige dat de nationale regeringsleider, Pedro Sanchez van de PSOE, kon opbouwen dank zij zijn standpunt over Israël en Gaza en zijn initiatief om linkse politieke krachten bijeen te brengen in Barcelona, heeft niet geholpen in deze regionale verkiezingen.
Anderzijds hebben de schandalen die het rechtse bestuur de afgelopen jaren heeft veroorzaakt, met vooral een falend gezondheidsbeleid, nauwelijks in zijn nadeel gespeeld.
Ten laatste in 2027 zijn er in Spanje nationale parlementsverkiezingen.
