Amerikanen kopen soennieten in Irak

De laatste paar maanden komen er vooral positieve geluiden over Irak uit Washington: het geweld daalt, het aantal burgerdoden vermindert, de olieproductie is gestegen tot 3 miljoen vaten per dag (het niveau van vóór de Amerikaanse invasie van 2003) en de economie zou in 2007 met 6,3% zijn gegroeid. Maar anderzijds is er nog geen sprake van nationale verzoening, noch van verbetering van de levering van basisdiensten zoals elektriciteit, water en benzine.

De afname van het geweld en het dodental onder de burgers wordt toegeschreven aan het feit dat vele soennieten zijn gaan samenwerken met de Amerikanen en door het sturen van nog eens 20.000 Amerikaanse soldaten naar Irak. Zo zou het aantal aanslagen van 1.400 per week in februari gezakt zijn tot 600. Het aantal burgerdoden zou van 2.500 in januari afgenomen zijn tot 600 in november. Hoe de Amerikanen dit laatste weten is een mysterie: officieel hebben ze, in strijd met de Conventies van Genève, nooit het aantal burgerdoden geteld. Het staat ook haaks op de cijfers van organisaties die zich wel bezig houden met het tellen van de civiele slachtoffers.

Zo komt Iraq Body Count, dat met zeer strikte criteria rekent, tot de vaststelling dat er dit jaar, tot 30 november, dagelijks 14 doden vielen onder de burgers bij de explosie van bomwagens. Ter vergelijking: in 2003 was dit 0,9, in 2004 3,2, in 2005 5,8 en in 2006 8,5 [1]. Een serieuze toename vergeleken met het “topjaar” 2006. Wat betreft het aantal burgers dat door kogels werd gedood is er wel een vermindering tegenover 2006. Toen bedroeg het 55 per dag terwijl het dit jaar, ook tot 30 november, 37 bedroeg. Nog altijd een heel stuk meer dan in 2003 (14 per dag), 2004 (18) en 2005 (25). Het aantal Amerikaanse militairen dat sneuvelde sinds de invasie liep inmiddels op tot 3900 [2]. Een toename met 14 sedert 5 december [3] Alles samen lijkt er dus wel een beperkt “positief” saldo wat de burgers betreft. Feit is dat er in een aantal steden en gebieden inderdaad een verbetering van de veiligheid is vast te stellen.

Waar het Pentagon niet over spreekt om de verbetering te duiden is het bestand dat de radicale sjiitische leider Moqtada al-Sadr, de chef van het “Leger van de Mahdi”, in september afkondigde. In oktober sloot hij zelfs een akkoord met Abdul Aziz al-Hakim, zijn rivaal van de sjiitische Hoge Islamitische Raad van Irak, om verder onderling bloedvergieten te vermijden. Het ziet er naar uit dat al-Sadr zich tot die stappen gedwongen zag omdat zijn beweging aan het uiteenvallen was in fracties, die elkaar begonnen te bestrijden.

Evenmin heeft het Pentagon het over de etnische zuiveringen die het stilzwijgend toestond, waardoor conflicthaarden verdwenen, noch over de bouw van muren in Bagdad, waardoor etnisch gezuiverde wijken werden afgesloten.

Maar het belangrijkste is wel dat het ook in het soennitische kamp niet langer botert. Soennitische clans en stammen geraakten het, zoals bij de sjiieten, onderling oneens. Waarbij de enen de kant van Al Qaeda kozen en de anderen steun gingen zoeken bij de Amerikanen – en die ook kregen, alhoewel niet duidelijk is of sommigen niet van beide walletjes gingen eten. Eén van de oorzaken van de onderlinge conflicten, zowel bij sjiieten en soennieten, is de controle over de levenslijnen van de Iraakse economie. De “belastingen” die deze controle opbrengen zijn van levensbelang voor milities allerhande.

Er zijn drie routes waarlangs alle Iraakse import verloopt: in het oosten de weg van Jordanië en Syrië over Ramadi en Fallujah naar Bagdad, vanuit het noorden uit Turkije over Mosoel naar Bagdad, en vanuit Bagdad naar de zuidelijke havenstad Basra die twee varianten telt: oostelijk over Kut en Amara en westelijk over Hillah en Nasiriyah. [4] Een aantal namen van steden, en de gevechten erom, zullen wellicht een belletje doen rinkelen. Maar dat geweld was niet uitsluitend ideologisch, voor een groot deel belangrijk omwille van het geldelijk belang. Zij het wel dat de opbrengsten kunnen dienen om zowel de macht van lokale “krijgsheren” als van op ideologie steunende groepen te financieren.

Vooral de strijd om de oostelijke route naar Jordanië en Syrië zou er de oorzaak van zijn dat vele soennieten zich uiteindelijk tot de Amerikanen hebben gekeerd. Een gouden kans dus voor die Amerikanen. En ook voor de soennieten die kunnen hopen een deel van hun verloren machtspositie te herwinnen.

Tot de invasie van 2003 werd Irak beheerst door de soennieten, ondanks het feit dat ze steeds de minderheid hebben uitgemaakt – de sjiieten maken zowat 55% uit van de Iraakse bevolking en de Koerden, weliswaar ook soennieten, 20%. Dit was het gevolg van het feit dat de soennieten onder het Ottomaanse bewind, dat soennitisch was en de sjiieten verafschuwde, al het bestuur waarnamen. Toen de Britten tijdens de Eerste Wereldoorlog de Ottomaanse provincies Basra, Bagdad en Mosoel veroverden en er de staat Irak van maakten, kregen ze onmiddellijk af te rekenen met ernstige opstanden van de sjiieten en van de Koerden, die onafhankelijkheid wilden. De wereldoorlog had Groot-Brittannië zo goed als geruïneerd zodat Londen voor het verdedigen van zijn oliebelangen geen andere oplossing zag dan de op bestuursvlak ervaren soennieten, rond een geïmporteerde soennitische koning, de macht te geven. Die behielden ze tot de val van Saddam Hoessein in 2003. Dat wil zeggen dat niet alleen de meeste belangrijkste functies in de staat en in de regerende Baath-partij in hun handen waren, maar dat ook de elitesoldaten en de leden van de inlichtingsdiensten vooral onder de soennieten werden gerekruteerd. En de politieke macht leverde de soennieten ook de economische macht op. Het was voor de soennieten dan ook een catastrofe toen de Amerikaanse proconsul Paul Bremer het leger ontbond en een proces van de-Baathtificering in gang zette. Vandaar dat ze de aanvankelijke kern van het verzet tegen de Amerikaanse bezetting vormden.

De soennieten kregen internationale steun van mede-soennieten, die in groten getale onder de naam Al Qaeda naar Irak kwamen. Later, toen de sjiieten, die de macht in de staat overnamen, en politie, leger en administratie vol sjiieten stopten, begonnen ook de soennitische staten op het Arabische schiereiland, in Egypte en Jordanië uit vrees voor een sjiitische as Iran-Irak-Syrië-Libanon, het soennitische verzet in Irak te financieren en te bewapenen. Maar met Al Qaeda kwamen de Iraakse soennieten al snel op botsingskoers. Al Qaeda werd een rivaal voor de controle van de handelsroutes en de Iraakse soennieten waren er alles behalve gelukkig mee dat Al Qaeda een strikte islamitische gedragscode oplegde in de gebieden, steden en wijken waar het de baas werd.

Zoals in Afghanistan maakten de Amerikanen gebruik van dit conflict om de vijanden van hun vijanden te gaan financieren en bewapenen voor de strijd tegen Al Qaeda, zoals dit officieel heet. Dankzij de Amerikaanse steun hebben de Iraakse soennieten Al Qaeda terug de controle over de oostelijke handelsroute kunnen ontfutselen en in een aantal gebieden en steden weten te ontnemen, waardoor het geweld al vanzelf afnam. Maar velen, ook in de Verenigde Staten, hebben twijfels bij die politiek, die zij zien als een politiek op korte termijn. De soennieten in Irak blijven in wezen tegenstanders van de Amerikaanse bezetting. Hen helpen kan de toestand kortstondig verbeteren, maar op de lange termijn kan het een oplossing in Irak bemoeilijken en een voortdurende bron van geweld vormen, ten minste vanaf de dag dat de Amerikanen in het kielzog van bijna al hun bondgenoten – de Britten hebben al de controle over Basra overgedragen aan het Iraakse leger als voorbereiding op hun nakend vertrek – Irak zullen verlaten.

Een terugkeer van de soennieten aan de macht lijkt uitgesloten. Ze mogen dan wel de meeste militaire en bestuurlijke capaciteiten hebben, ze vormen nu eenmaal een minderheid in een land waar de andere partijen zich een machtsbasis hebben veroverd. De Koerden, die al sedert 1991 feitelijk een staat in de staat vormen, hebben geprofiteerd van hun alliantie met de Amerikanen tegen Saddam Hoessein om zich te bewapenen en een eigen leger te vormen. De Iraakse sjiieten hebben zich van belangrijke staatsorganen meester gemaakt en hebben nu politie, leger en veiligheidsdiensten in handen. Bovendien kunnen zij rekenen op de steun van Iran, dat ook het “Leger van de Mahdi” van Moqtada al-Sadr en de Badr-brigades van Abdul Aziz al-Hakim traint en van wapenmateriaal voorziet.

Die driespalt is er de oorzaak van de centrale regering ook de fundamentale problemen niet kan aanpakken. De nieuwe Iraakse grondwet voorziet in een federalisering, maar de afbakening van de gebieden blijkt een onoverkomelijke hindernis. Zo moest voor eind dit jaar een referendum hebben plaats gehad over de vraag of Kirkoek nu al dan niet bij het Koerdische gebied zou moeten worden gevoegd. En wat met Bagdad, een soennitische stad die ook een paar miljoen sjiitische inwoners telt? In de loop der jaren zijn er intern grote migraties geweest. Zo leven er ook nog honderdduizenden Koerden in Bagdad.

De wens om Irak te verzwakken door het op te delen dateert al van 1990, toen Saddam Hoessein het emiraat Koeweit bezette. Maar een praktische uitvoering van zo’n plan lijkt onhaalbaar. In september rakelde de Amerikaanse Senaat het nog eens op door zich in resolutie uit te spreken voor een opdeling van Irak in etnische en sektarische gebieden. Moet Irak een nieuw Bosnië worden, waar de driedeling nog elke dag een fiasco blijkt ondanks de aanwezigheid van Europese soldaten en bestuurders? Welk land zou overigens bereid zijn soldaten en administrators uit te sturen naar een land, waar ze letterlijk dreigen te worden weggeblazen?

Hoe dramatisch de situatie in Irak is blijkt uit de vergelijking die de Amerikaanse Midden-Oosten-kenner Juan Cole maakt. [5] “Het mislukte avontuur van de VS in Irak heeft [in iets meer dan drie jaar] het leven gekost aan tweemaal meer burgers dan er door Saddam in 25 jaar werden vermoord”. Soennitische Irakezen geld en wapens geven, zeg maar gewoonweg soennieten kopen, kan een tijdelijk effect hebben, maar er is geen enkele garantie dat het tot een duurzame oplossing kan leiden. Meer nog, die wapens en dat geld kunnen dienen om opnieuw de Amerikaanse bezettingstroepen aan te vallen.

(Uitpers, nr. 93, 9de jg., januari 2008)

[1] zie www.iraqbodycount.org

[2] zie http://icasualties/org

[3] Het persbureau Associated Press telde op 5 december 2007 3886 gesneuvelde Amerikanen.

[4] Christopher Parker en Pete W. Moore schreven een zeer interessant over het belang van die routes en de strijd erom onder de titel “The War Economy of Irak. Het is te vinden op www.merip.org van het Midde East Research and Information Project.

[5] Zie hierover het artikel van Michael Schwartz, Irak: 30.000 ou 600.000 victimes? Et victimes de qui? Op Réseau Voltaire http://www.voltairenet.org

Visited 11 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).