Amerikaanse comeback op Filipijnen

Al wie zich tegen de aanwezigheid van Amerikaanse troepen op de Filipijnen keert, is een handlanger van de islamitische fundamentalisten van Abu Sayyaf. Dat is althans het dreigement van de Filipijnse president Gloria Macapagal Arroyo tegen alle tegenstanders van die aanwezigheid. De 650 Amerikaanse militairen die in het zuiden opereren, zijn officieel ‘instructeurs en raadgevers’ van het Filipijnse leger in de strijd tegen de commando’s van Abu Sayyaf.

De regering Bush en het Pentagon grijpen elk voorwendsel aan om hun militaire aanwezigheid in Oost- en Zuid-Azië te versterken. Daaronder ook het bestaan van Abu Sayyaf, actief in het uiterste zuiden van de Filipijnen, op enkele eilandjes in de buurt van Mindanao. Op Mindanao en die eilandjes wonen talrijke moslims die zich behandeld voelen als tweederangsburgers. De meeste Filipino’s zijn arm en uitgebuit, de meeste Moro’s (moslims uit het zuiden) zijn dat nog iets meer. Drie bewegingen voeren al jaren strijd voor een autonoom of zelfs onafhankelijk gebied van de Moro’s: het MNLF (Moro Nationaal Bevrijdingsfront), het MILF (Moro Islamitisch Bevrijdingsfront) en het veel kleinere Abu Sayyaf.

Leiders van de groep Abu Sayyaf hadden in het begin van de jaren 1990 nauwe banden met andere moslimfundamentalisten, zoals de groep van Osama Bin Laden. Meer heeft Washington niet nodig, ook al werden die banden gesmeed in een tijd dat de Amerikaanse leiders daar absoluut geen graten in zagen, tot 1992 waren die moslimfundamentalisten immers hun bondgenoten die ze samen met Pakistan en Saudi-Arabië bewapenden en financierden.

We kennen het vervolg. Sinds 11 september 2001 speurt Washington de horizon af om op strategische plaatsen troepen te kunnen stationeren. De Filipijnen liggen strategisch, tussen Stille en Indische Oceaan in de buurt van zeer drukke zeevaartroutes en niet ver van China, de strategische rivaal van de VS op langere termijn. Ten tijde van de Amerikaanse oorlog tegen Vietnam (tot 1973) waren de marinebasis van Subic Bay en de luchtmachtbasis Clark, beide op het Filipijnse eiland Luzon, de belangrijkste militaire basissen van de Amerikanen in die oorlog.

Nu was er wel één klein formeel probleem voor het inzetten van Amerikaanse troepen op de Filipijnen. In 1991 had de Filipijnse Senaat met een nipte meerderheid van 12 tegen 11 een amendement op de grondwet goedgekeurd dat het stationeren van buitenlandse troepen op het Filipijns grondgebied verbiedt. Maar sinds vorig jaar Joseph Estrada werd afgezet en werd opgevolgd door Gloria Macapagal Arroyo, worden de Amerikaanse belangen beter gediend.

De hernieuwde belangstelling van Washington voor de Filipijnen heeft niet alleen met de aanslagen van 11 september te maken. De Amerikaanse regering voert, vooral sinds Bush in het Witte Huis zit, een politiek van ‘containment’ tegenover China. Ondanks alle vriendschappelijke contacten na 11 september met onder meer het bezoek van Bush aan Peking, blijft dat containment (voor de Chinezen een ‘omsingeling’), voor Washington een strategisch doel.

Kolonie

Vanzelfsprekend laten ze weer hun oog vallen op de Filipijnen. De Amerikanen hebben dat land na de oorlog tegen Spanje van 1898 een halve eeuw gekoloniseerd en zijn het nadien ook blijven beschouwen als een vazalstaat. Enkele pogingen van een deel van de Filipijnse burgerij om een zelfstandiger koers te varen, werden in de kiem gesmoord – niet alleen door de Amerikanen, maar door het gros van de Filipijnse kapitalisten en grootgrondbezitters die in de Amerikanen hun beste beschermers zagen. Er was in de jaren 1950 op Luzon immers een communistische opstand (de ‘Huks’) waarbij de Filipijnse heersers op zeer actieve Amerikaanse steun konden rekenen. De Amerikaanse kolonel Edward Lansdale coördineerde toen de strijd tegen de Huks. De CIA beschouwde het neerslaan van die opstand als een van haar grootste successen uit die tijd. Lansdale en zijn JUSMAG (Joint US Military Advisory Group) "reorganiseerden" de Filipijnse strijdkrachten om ze volledig af te stemmen op strijd tegen guerrilla.

De Amerikanen en de Filipijnse heersers vonden het ook de natuurlijkste zaak van de wereld dat de Amerikanen na de nederlaag van Japan op de Filipijnen grote militaire basissen uitbouwden, 23 in totaal. Subic Bay, dat in 1901 al tot Amerikaans militair gebied was uitgeroepen, werd de grootste marinebasis van de Amerikaanse strijdkrachten buiten de Verenigde Staten, Clark (zo groot als Singapore) werd een van de belangrijkste luchtmachtbasissen van de Amerikanen buiten hun eigen grondgebied. Die twee basissen op het eiland Luzon deden jarenlang dagelijks dienst in de Amerikaanse oorlog tegen Vietnam.

In 1969 begonnen de maoïstische communistische partij (CPP) en haar Nieuw Volksleger (NPA) een guerrillaoorlog tegen het bewind van president Ferdinand Marcos en tegen de Amerikaanse greep op het land. De guerrilla kende veel bijval bij landloze boeren, maar Marcos deed er nog een schep bovenop om in 1972 de krijgswet te kunnen afkondigen. Dat was het begin van 14 jaar dictatuur tijdens dewelke met de mensenrechten nogal een loopje werd genomen. Marcos kon op enkele belangrijke pijlers rekenen: de strijdkrachten, geleid door generaal Fidel Ramos, trouwe vriend van Washington, de leiding van de katholieke kerk met aan het hoofd kardinaal Sin (nog altijd de grote baas), Washington en tenslotte Makati, de zakenwijk van Manila, of althans een deel ervan. Want die zakenwereld keerde zich meer en meer van Marcos af toen hij en zijn ‘cronies’ (boezemvrienden) hun economische monopolies vestigden en bij hun plunderingen weinig overlieten voor de anderen.

Washington bleef Marcos door dik en dun trouw. President Jimmy Carter voerde op het einde van de jaren 1970 wereldwijd een kruistocht voor mensenrechten (vooral rond het emigratierecht van Sovjetjoden), maar zag er geen graten op een podium te verschijnen samen met vriend Marcos die op hetzelfde ogenblik tegenstanders aan de lopende band liet vermoorden. Het Filipijns leger kon voor zijn repressie ook op de volle steun van de Amerikaanse collega’s rekenen. Maar toen een groot deel van de Filipijnse elite zich van Marcos afkeerde, en vooral toen bleek dat zijn dictatuur de communistische opstand alleen maar veel sterker maakte, begon Washington uit te kijken naar alternatieven. Marcos had de ene mogelijke alternatieve leider, ‘Ninoy’ Aquino, in 1984 doen vermoorden. Maar zijn weduwe, Corazon Aquino, was voor Washington uiteindelijk ook aanvaardbaar. Dan wel aan de zijde van kardinaal Sin en generaal Ramos die in februari 1986 "heldhaftig" de zijde kozen van een massale volksopstand in Manila. Uit schrik voor de communisten liet Washington Marcos vallen en bracht hem en zijn vrouw Imelda op Hawaï (VS) in veiligheid.

Terugkeer

Na de jarenlange Amerikaanse steun aan de dictatuur van Marcos vonden veel opposanten dat de Filipijnen dringend af moesten van die neokoloniale verhoudingen. Dat leidde dan in 1991 tot de anti-Amerikaanse oprisping in de Senaat om de basissen te sluiten. Die waren intussen niet zo belangrijk meer, de Amerikanen voerden geen oorlog meer in de buurt en tenslotte hadden ze hun basissen in Japan, Zuid-Korea, op Guam, Diego Garcia… Op de Filipijnen zelf raakte de communistische opstand in het defensief, terwijl de opstand van de moslims de Amerikanen toen een lokaal probleem leek. Met de verkiezing in 1992 van generaal Ramos tot president, konden de Amerikanen wat de Filipijnen betreft, op beide oren slapen.

Sinds de val in 1998 van een andere bevriende dictator, Suharto op Indonesië, is Washington weer grotere belangstelling gaan tonen voor Zuidoost-Azië. Ondanks de stemming van de Filipijnse Senaat van 1991, gingen ze onder Ramos (en verder onder Estrada, 1998 tot begin 2001) weer steunpunten uitbouwen. Op Mindanao, waar zowel diverse moslimbewegingen als communistische guerrillabewegingen actief zijn, hebben ze de voorbije jaren in de stad General Santos een groot complex voor marine en luchtmacht gebouwd. Dat complex komt nu goed van pas in de strijd tegen vroegere bondgenoten, namelijk radicale moslimmilitanten die vroeger, tot 1992, in Afghanistan met Amerikaanse steun tegen de regering vochten. Die militanten zitten nu voor een deel in Abu Sayyaf, maar ook bij het MILF en bij een fractie van het MNLF.

De Amerikanen gebruiken niet alleen General Santos, ze hebben zich elf jaar na hun evacuatie weer op Clark geïnstalleerd en gebruiken ook de luchthaven op het centraal gelegen eiland Cebu voor hun operaties. De 650 Amerikaanse militairen die in het zuiden zijn geland, zijn er officieel voor manoeuvres, ze mogen officieel alleen het vuur openen in geval van zelfverdediging. President Macapagal Arroyo negeert de in 1991 geamendeerde grondwet door te verwijzen naar het militair samenwerkingsakkoord van 1951 en naar het "bezoekrecht" dat Ramos de Amerikaanse militairen in 1998 toestond.

En haar voornaamste argument is dat al wie zich tegen die Amerikaanse militaire aanwezigheid verzet, natuurlijk een bondgenoot is van de terroristen. Voor Washington zijn ook de communistische guerrilla’s terroristen, zodat ook tegen hen alles is toegelaten uit naam van de universeel zaligmakende "internationale strijd tegen het terrorisme".

Bush doctrine

De terugkeer van de Amerikaanse militairen op de Filipijnen is geen alleenstaand feit, maar een onderdeel van de "Bush doctrine". Het Pentagon kreeg toestemming voor een bescheiden hernieuwde militaire samenwerking met de Indonesische strijdkrachten, ondanks de klachten over ernstige schendingen van de mensenrechten (onder meer in Oost-Timor en Atjeh) tegen verscheidene legerleiders. De Amerikaanse marine mag ook al een tijd gebruik maken van de installaties in Singapore.

Tegelijk versterkt Washington zijn militaire aanwezigheid in andere delen van de wereld. Dat is onder meer het geval in de Indische Oceaan, met zicht op het Midden Oosten en op de ‘Hoorn van Afrika’ waar de Amerikanen zitten te popelen om Somalië weer binnen te trekken.

Verder is er Centraal-Azië waar de bestrijding van al Qaeda aangegrepen is om neer te strijken op basissen in Oezbekistan, Kirgizië en Tadzjikistan – die twee laatste buurlanden van China.

Dan is er ook nog Colombia. De Amerikaanse regering trekt voor volgend jaar 98 miljoen dollar (ca 110 miljoen euro) uit om daarmee militair de Amerikaanse belangen in dat land te verdedigen. Dat is op te tellen bij de 439 miljoen dollar (ca 500 miljoen euro) voorzien voor de "drugsbestrijding" (vaak ook synoniem van zogenaamde "terreurbestrijding") in dat land.

De Amerikaanse ambassadrice in Bogota, Anne Patterson, legde uit dat na 11 september de veiligheid van de oliebevoorrading voor Washington een absolute prioriteit is. "Na Mexico en Venezuela is Colombia op dat vlak in deze regio voor ons het belangrijkst, aldus de ambassadrice. Wat wellicht meteen ook verklaart waarom de Verenigde Staten de oppositie tegen president Chavez van Venezuela van harte steunen. Ook voor Colombia pakt Washington uit met zijn strijd tegen het terrorisme, want twee linkse guerrillabewegingen (FARC en ELN) staan op de Amerikaanse zwarte lijst van terreurorganisaties. George Tenet, de baas van de CIA, vermeldde het FARC tijdens een hoorzitting voor het Amerikaans Congres uitdrukkelijk als een gevaar voor de Amerikaanse belangen in Latijns Amerika.

Na al die Amerikaanse verklaringen voelde president Andres Pastrana zich alleszins sterk genoeg om na drie jaar bestand een militair offensief te ontketenen tegen het FARC, want daarmee bewijst hij toch alleen maar vooraan te staan in de strijd tegen het internationaal terrorisme? Achter zijn troepen stonden de uiterst-rechtse paramilitaire benden onmiddellijk klaar om enkele gebieden te gaan "zuiveren".

(Uitpers, maart 2002)

(Visited 5 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 68 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook