Amarty Sen en het gevaar van éénduidige identiteiten

Amarty Sen, Identity and Violence: The Illusion of Destiny, Penguin Books Ltd (2007), Paperback, 240 pages. ISBN 9780141027807

De bekende Indiase econoom en Nobelprijswinnaar (1998) Amartya Sen wil wel eens buiten de lijntjes kleuren van zijn vakgebied. Sen is dan ook geen econoom van de traditionele school die het axioma (zeg maar dogma) van de rationele mens en zijn consumptiebehoeften nog steeds als meest definiërende menselijke drijfveren beschouwd.

Met “Identiteit en geweld” schreef hij een grotendeels vanuit de buik geschreven, maar toch wel doorwrochte kritiek op de illusie van éénduidige identiteiten. Hij wijst op de nefaste gevolgen voor geweld en conflict in de wereld van vandaag waarin mensen meer en meer van elkaar gescheiden worden door godsdienst en cultuur. Een stimulerende denkoefening. Lezers met weinig geduld zouden zich kunnen storen aan de neiging van Sen om zijn basisthese talrijke malen te herhalen, via weliswaar telkens andere invalshoeken. Maar als je bereid bent hardop mee te denken dan neem je dat voor lief. Een rustige leesplek is warm aanbevolen.

Identiteit en geweld sluit aan op de analyse van KifKif in het recente boek “cultu(u)renpolitiek.” Als ondertitel schrijft Amarty Sen “de illusie van het lot,” waarmee hij bedoelt, het lot van een gepercipieerde éénduidige identiteit. Ook Sen waarschuwt in zijn essay uit 2006 voor het nefaste effect van de mensen vast te timmeren op één identiteit. De analogie met cultuur en ‘de strijd tussen beschavingen’ is duidelijk. In een wereld die tegen sneltreinvaart verstedelijkt en waar grote massa’s mensen van verschillende achtergronden samen hun weg moeten zoeken, is de zogenaamde ‘culturele identiteit’ een krachtig concept. Het referentiekader dat mensen gebruiken om anderen een plaats te geven werkt als een soort tabel van Mendeljev. Sen heeft het o.m. over de rol van keuze in identiteit en de sociale context die verschillend kan zijn. Ik moest spontaan denken aan het model van ‘de roos van Leary,’ dat binnen de groepsdynamica grafisch voorstelt hoe onze rol binnen een groep kan variëren naargelang de omstandigheden dat vereisen. Van leidend en wedijverend over helpend of aanvallend tot verontschuldigend of meegaand. Natuurlijk gaat het bij het model van Leary enkel over sociale dynamieken en komt de rol van de diverse persoonlijkheden in een groep niet aan bod. Maar de analogie is er wel.

Een natuurlijke staat?

De voorstanders van een éénduidige ‘culturele identiteit’-these zeggen dat identiteit iets is dat iedereen moet ‘ontdekken.’ Alsof het een natuurlijke staat zou betreffen. Terwijl je in werkelijkheid natuurlijk enkel ‘velden’ ontdekt, d.w.z. een familiale context, een sociaal-economische context, een historisch-culturele context, een politieke context enzovoort. Vervolgens (en dit is in eerste instantie wel een natuurlijk proces) ga je je pluriforme identiteit samenstellen: je maakt dus keuzes, de één al bewuster dan de andere. Waarom je bepaalde keuzes maakt is afhankelijk van minstens even veel factoren als er mensen zijn, maar waarschijnlijk van veel meer. Leeftijd, karakter, geslacht, temperament, gemoedsgesteldheid, sociale druk, materiële en andere beperkingen. Naargelang al de voorgaande factoren zal je een bepaalde deelidentiteit (sterk) benadrukken of net niet. De vrijheid die we hebben om onze loyaliteiten en prioriteiten te bepalen is dan ook uiterst belangrijk om te erkennen, naar waarde te schatten en te verdedigen.

Volgens Sen is de veronderstelling dat mensen ingedeeld kunnen worden in categorieën uitsluitend gebaseerd op cultuur of religie een belangrijke bron van conflicten. Ik ben het met hem eens. Dit idee dat maar al te zeer leeft maakt de wereld uiterst ontvlambaar. Het is een vorm van reductionisme die eenvoudige verklaringen stimuleert en mensen achter banieren verenigt waar ze beter van weg zouden blijven. Als mensen bepaalde beslissingen nemen die als vreemd of anders worden beschouwd door de goegemeente zal dat in een diverse samenleving ook vaak worden toegeschreven aan de ‘cultuur’ van de betrokkene. Volgens Sen kan de culturele achtergrond bepaalde beslissingen (sterk) beïnvloeden maar nooit volledig bepalen.

Het voorbeeld dat Sen het beste kent is vanzelfsprekend India. Samuel Huntington hemzelf omschreef het subcontinent als een “Hindu-samenleving.” Een omschrijving die onrecht doet aan de grote diversiteit aan geloofsgemeenschappen in India maar die bovendien een hoge ontvlambaarheid bezit. De extremistische “Hindutva” beweging was natuurlijk blij met die uitspraak. Maar wat met de uitgebreide Jain-gemeenschap, of de Sikhs, of de Christenen… en de Zoroastriërs, één van de oudste nog overlevende godsdiensten. Niet te vergeten meer dan 150 miljoen moslims, de tweede grootste moslimgemeenschap ter wereld na Indonesië. Ontbreekt nog in het rijtje: de Joodse gemeenschap, de Boeddhisten, diverse animistische overtuigingen enzovoort. Al deze religies hebben dan nog vaak verschillende strekkingen. Overigens is er ook een niet-onaanzienlijk aantal mensen dat zichzelf een seculiere levensstijl aanmeet en geen enkele religieuze praktijk aanhangt, al vinden ze zichzelf wel vaak behoren tot een brede cultuurgemeenschap die haar culturele wortels en uitingen terugvind in één van de dominante religies. (Net zoals de doorsnee Vlaming zijn cultuur geworteld is in de Katholieke verhalen en ritten.) India omschrijven als een Hindu-gemeenschap is dus de realiteit geweld aan doen.

Het is vooral zaak om mensen niet vast te pinnen op hun gepercipieerde identiteit en vervolgens bepaalde verwachtingspatronen over hen te gaan koesteren. Als ze in hun gedragingen daar niet aan voldoen dan worden ze vaak gebrandmerkt als ‘afvallige’ binnen hun eigen cultuurgemeenschap en daarbuiten als ‘onbetrouwbaar.’

Universele waarden

Culturen worden ook vereenzelvigd met bepaalde waarden en gebruiken. Die kunnen positief of negatief zijn. Wanneer het echter gaat over universele menselijke waarden die haast overal worden gewaardeerd zoals tolerantie dan spreekt men in het Westen graag over ‘Westerse waarden’. Huntington (ja, hij weer…) citeert nog waarden zoals “sociaal pluralisme, individualisme en een traditie van individuele rechten en vrijheden die uniek zijn onder beschaafde samenlevingen.” Hij trekt de ‘roots’ van deze waarden door tot ver vóór moderne tijden, het zou gaan om inherente Westerse waarden die diep verborgen liggen in de Westerse psyche. Niet alleen is dit empirisch zeer moeilijk vol te houden, het heeft iets ridicuuls. Er zijn namelijk vele voorbeelden van tolerantie in vele culturen in de wereldgeschiedenis. Als er één verworvenheid is die het Westen voor zichzelf opeist is het wel ‘democratie,’ met als ultieme bewijsvoering de Oudgriekse erfenis. Nochtans zijn er goede redenen om die link niet te leggen: Ten eerste hadden de oude Grieken veel meer connecties met volkeren van het nabije en zelfs verre oosten dan met pakweg de Goten of Visigoten die in die tijd in onze contreien leefden. Het is dan ook nonsens om er een raciale kwestie van te maken, alsof ‘Europeanen’ de democratie ingebouwd hebben… Ten tweede, zo betoogt Sen, waren er na het oude Griekenland nog vele andere culturen die één of andere vorm van kiesstelsel hebben geprobeerd. Zo had de stad Susa (nu in Zuidwest Iran) gedurende enkele eeuwen een verkozen raad, een populaire algemene vergadering en magistraten die voorgesteld werden door de raad en verkozen door de algemene vergadering.

Ten derde is democratie natuurlijk veel meer dan stemmen alleen. Publiek overleg werd in veel oude beschavingen gebezigd om conflicten of problemen op te lossen. Zo had je, drie eeuwen voor onze tijdsrekening, in India de Boeddhistische raden waar aanhangers van verschillende meningen op een georganiseerde manier hun meningsverschillen uitpraatten en dan beslissingen namen voor de gemeenschap. In de 7e eeuw liet de Japanse prins Shotoku in de grondwet van zijn rijk inschrijven dat belangrijke beslissingen moesten genomen worden door veel mensen – hij vermelde er wel niet bij welke mensen dat moesten zijn, van de notie representativiteit was geen sprake. Ook in de Islamitische geschiedenis zijn er vele voorbeelden te vinden van inspraak door publieke discussie. Op het Afrikaanse continent had je de dorpsraden. Nelson Mandela beschrijft deze als een voorbeeld van basisdemocratie in zijn autobiografie ‘Long walk to freedom.’ Dit alles om duidelijk te maken dat het Westen niet het patent heeft op het democratische gedachtegoed.

Islam en politiek

Terug naar religie. Sen wijdt een flink stuk aan van zijn bedenkingen aan de Islam, gezien de underdog positie die deze godsdienst vandaag inneemt in een sterk gepolariseerde wereld. Los van het verschil tussen enerzijds moslim zijn en anderzijds het cultiveren van een Islamitische identiteit verdraagt de loutere diversiteit aan strekkingen geen éénduidige stempels. Een zelfs maar oppervlakkige lezing van de geschiedenis toont aan hoezeer de huidige polarisering tussen pakweg joden en islamieten recent opgelopen en veralgemeend is. Terwijl beide bevolkingsgroepen eeuwenlang vreedzaam samen leefden en vele individuen uit de joodse minderheid belangrijke posten bekleedde in het Islamitische bestuur. De vraag die we ons moeten stellen, aldus Sen, is niet of de Islam (of het Christendom, Hindoeïsme enz.) nu een vredelievende of eerder strijdvaardige godsdienst is. Eerder moeten we ons afvragen hoe een religieuze Moslim (of Christen of Hindoe) zijn of haar religieuze geloof of praktijk kan combineren met andere uitingen van identiteit of waarden zoals bijvoorbeeld de positie tegenover vrede en oorlog. We moeten accepteren dat het geloof niet alle beslissingen verklaard die we maken in ons leven, inclusief onze politieke en sociale prioriteiten en de acties en het gedrag dat daaruit voortvloeit. Iets dat we overigens wel makkelijker doen voor onszelf of voor mensen uit onze eigen cultuurgemeenschap.

Het is een menselijke reflex om anderen zo snel mogelijk onder te brengen in een kader. Gaat het om de Islamitische wereld dan hangt dat kader nog vaak met haken en ogen aan elkaar. Vele landen die zich formeel ‘Islamitisch’ heetten zijn het toneel van een voortdurende politieke strijd waarbij de protagonisten hun argumenten zeker niet uitsluitend uit hun Islamitische identiteit halen. Het is belangrijk om dat te zien en te erkennen. De buitenproportionele invloed van fundamentalistische groepen is bijvoorbeeld in Pakistan het gevolg van verborgen staatssteun. En Pakistan is niet het enigste land waar dat aantoonbaar zo is. Er zit dus een politieke strategie achter van de machthebbers die al enkele decennia opgeldt maakt en die nu pas zuur begint op te breken. Alhoewel voor de vaak aan sclerose leidende machtselite de balans nog steeds ‘positief’ lijkt. Enkele voor de hand liggende redenen, zonder rekening te houden met de lokale verschillen: ten eerste het fnuiken van alle basisdemocratische bewegingen, vroeger van linkse maar tegenwoordig meer van liberale signatuur, die ervaren de machtselites als een bedreiging voor de heersende status-quo. Ten tweede het aantrekken van haast onuitputtelijke fondsen van de grote mogendheden die hun economische belangen willen veiligstellen. Het is ook niet toevallig dat haast alle grote Amerikaanse militaire bases, die in naam van de oorlog tegen het terrorisme
gebouwd worden, precies op de route van de olie- en gaspijplijnen naar de Indische Oceaan of de Middellandse zee liggen. De uitbouw van een gezonde en actieve civiele samenleving wordt door alle deze landen schromelijk verwaarloosd of zelf onderdrukt simpelweg omdat zij niet de heersende belangen vertegenwoordigen.

Het is duidelijk dat de op religie gebaseerde polarisering een misleidende invloed heeft op het begrip van mensen over heel de wereld. Bovendien werkt het een uitvergroting in de hand van verschillen tussen mensen waarbij andere dan religieuze verschillen uitgevlakt worden. Sen wijst met een beschuldigende vinger naar de recente tendens in Europa om lokale religieuze leiders buiten hun eigenlijke rol te laten treden en een vertegenwoordigende rol te gaan spelen in kwesties van politieke en sociale aard. Uit het basisonderzoek “Moskeeën in Gent: Tussen Subcultuur en Sociale Beweging. Emancipatiedynamieken van Moslimminderheden in de Diaspora” waarop sociologe Meryem Kanmaz vorig jaar doctoreerde bleek al de ontzettende diversiteit binnen de moslimgemeenschap in Vlaanderen. Er bestaat gewoon geen religieuze leider die representatief genoeg is. Sen’s voornaamste kritiek is dat hierdoor de wind uit de zeilen wordt genomen van civiele maatschappij: seculiere en themagebonden belangengroepen die hun achterban vertegenwoordigen op een veel legitiemere manier. Het algemeen burgerschap van mensen krijgt op die manier nauwelijks nog de kans om te ontwikkelen en op te bloeien. Pogingen om terrorisme te tackelen met de hulp van religie in de V.S. en Groot Brittannië had het effect dat Islamitische geestelijken en andere leden van het religieuze establishment zich moesten gaan uitspreken over zaken buiten het domein van de religie. En dat op een moment wanneer er een grote nood bestaat aan een belangrijke rol van moslims in de civiele samenleving. Op deze manier speel je de fundi’s in de kaart, zij die immers vinden dat het antwoord op alle vragen in de heilige teksten te vinden is. Bovendien geef je iedereen nog meer de indruk dat de geestelijken de islamitische gemeenschap echt vertegenwoordigen en hun discours gedragen wordt door die gemeenschap. Waardoor het klimaat nog meer polariseert. Later in het boek vraagt Sen zich nog retorisch af of een inwoner van het Verenigd Koninkrijk zijn relatie tot het land moet ‘gemedieerd’ worden via de cultuur waar de persoon op het eerste zicht toe behoort. Die benadering is die van het multiculturalisme. Maar dit multicultalisme mag geen beknotting zijn van het recht van elk individu om actief te zijn in de civiele samenleving, om deel te nemen aan de nationale politiek of om een sociaal non-conformistische levensstijl aan te nemen. In plaats van mensen op te roepen te ageren via hun eigen gemeenschap zou het beter zijn hen aan te zetten te participeren in de civiele samenleving en op die manier hun stem te laten horen, vindt Sen.

De koloniale erfzonde

In de periferie krijg je intussen een hevige antiwesterse retoriek bij extremistische groepen die waarden zoals vrijheid en democratie eveneens als ‘westers’ beschouwen. Deze houding is een gevolg van frustratie maar ook, een erfenis van onverwerkt koloniaal verleden, zo zegt Sen. Hij haalt het voorbeeld aan van James Mill, een Brits auteur uit het begin van de 19e eeuw. Zijn boek “Geschiedenis van India” was lange tijd zowat de bijbel voor elke Britse officier die zich voorbereidde op een carrière in de koloniale dienst van het uitgestrekte subcontinent. Het boek bulkt van de laatdunkende zinnen zoals: “onder het uitgestreken gezicht van de Indiër schuilt een verraderlijk temperament vol perfiditeit.” Of nog: “hoewel sommigen India een grote beschaving hebben genoemd, zijn ze in werkelijkheid slechts enkele beperkte stappen gezet in de richting van de beschaving.” Deze James Mill beheerste geen enkele Indiase taal en bezocht het land geen enkele keer. De arrogantie en het superioriteitsgevoel waarmee de koloniale heersers de volkeren in hun wingewesten benaderden laat nu nog zijn sporen na in de geesten. Het leidde ertoe dat mensen uit de ‘periferie’ (niet-westerse landen) zich nog steeds als ‘de ander’ beschouwen. Samen met het Westerse patent op individuele vrijheid en democratie leidt die houding tot een nefast scepticisme tegenover al die universele waarden. In Azië werden in de jaren ’90 de ‘Aziatische waarden’ naar voor geschoven als alternatief systeem. Onder het motto: “jullie kunnen je westerse waarden houden, wij gaan het doen op onze manier, met discipline en orde.” De geforceerde manier waarop bewindsvoerders dit discours naar voor schoven bevestigt dat patent waar het hierboven over ging. Het dekoloniseringproces van de geest vraagt een afwijzing van de verleiding die éénduidige identiteiten en prioriteiten in zich dragen.

In de laatste hoofdstukken heeft Sen het nog over het ontstaan van een globale (deel)identiteit gebaseerd op de solidariteitsgedachte van de andersglobaliseringsbeweging. Die beweging is gegrondvest op een gemeenschappelijk verlangen naar rechtvaardigheid en dat vindt hij een opwindende ontwikkeling. Misschien is rechtvaardigheid wel de ultieme betrachting langs dewelke menselijke inspanningen kunnen convergeren. De grootste gemene deler als het ware.

(Uitpers, nr 98, 9de jg., mei 2008)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=651321&refsource=uitpers

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel