Algerije: de schone schijn van verkiezingen

In de drie belangrijkste landen van de Maghreb – Marokko, Algerije en Tunesië – wordt het politieke bedrijf met het jaar hilarischer. Elk van de drie regimes heeft de politieke situatie in stevig beton gegoten : niets beweegt er, het immobilisme is er staatssysteem.
Sinds 1998 wordt Marokko geregeerd door een kabinet, waarvoor de voormalige sociaal-democratische oppositiepartij UFSP (Union socialiste des forces populaires) de premier leverde. De Marokkaanse eerste minister, Abderrahmane Youssoufi, onderneemt niets, tenzij hij – zoals de traditie het wil – de zegen van koning Mohammed VI heeft, die in navolging van zijn in 1999 overleden vader Hassan II, het liefst zelf regeert en beslist.

In Tunesië werd op 26 mei jongstleden een referendum over een grondwetsherziening georganiseerd. 99,52% van de Tunesische stemgerechtigden schaarden zich achter het voorstel om de grondwet helemaal op maat van sterke man en voormalig politiechef, president Zine el-Abidine Ben Ali, te herschrijven. Ben Ali is een man van monsterscores en van schaamteloos vervalste verkiezingen: bij de laatste presidentsverkiezingen in 1999 kreeg hij 99,44% van de stemmen achter zijn naam. De twee kandidaten van de "legale" oppositie moesten zich tevreden stellen met de resterende 0,56%.

De nieuwe grondwet, waarmee een "verpletterende meerderheid van Tunesiërs" op 26 mei instemde, versterkt de presidentiële almacht nog. Ben Ali, al sinds 1987 aan de macht – na een zachte putsch tegen de hoogbejaarde (en dement geworden) stichter van de natie, Habib Bourguiba – kan nog twee presidentsmandaten van vijf jaar volmaken. Hij kan zich grondwettelijk opnieuw kandidaat stellen in 2004 en 2009. Bovendien staat in de nieuwe grondwet ook dat Ben Ali van een volstrekte immuniteit zal kunnen genieten voor alle daden, die hij bij de uitvoering van zijn ambt stelt. Kortom, de Tunesiërs zullen nog meer dan een decennium moeten leren leven met grove schendingen van de mensenrechten, genadeloze repressie tegen oppositie en vakbonden, een aan banden gelegde pers en onbestaande vrije meningsuiting, terwijl hun president en de maffia van zeven families, die hem omringen, zich verder snel en ongebreideld zullen kunnen verrijken.

Tussen Marokko en Tunesië ligt het grootste land van de Maghreb: Algerije. En ook daar werd de kiezer op 30 mei naar de stembus geroepen om 389 nieuwe parlementsleden aan te duiden. De doorsnee Algerijn heeft echter heel andere dingen aan zijn hoofd dan verkiezingen, waarvan de uitslag al min of meer bij voorbaat vastlag en vooral de posities van president Abdelazziz Bouteflika en premier Ali Benflis moesten versterken. Slechts 46,09% van de stemgerechtigden kwam opdagen. In een land waar de werkloosheid nog steeds in de buurt van 30% zit, waar de kosten van levensonderhoud in ijltempo toenemen, terwijl lonen en wedden al jaren bevroren zijn, waar al meer dan twee jaar één op drie dagen drinkwater uit de kraan stroomt – ’s nachts en slechts enkele uren, waar de woningnood ondraaglijk wordt, de gezondheidszorg en het onderwijs in elkaar zijn gestort, is de belangstelling van de burger voor het politieke bedrijf tot op een historisch dieptepunt gedaald.

Terwijl de kiezers massaal thuis bleven, wijdde de Algerijnse staatstelevisie een extra journaal van meer dan een uur aan de massale deelneming van de militairen aan deze parlementsverkiezingen. In de kazernes werd er een dag eerder gestemd en alle belangrijke generaals, die in Algerije hun stempel drukken op de politiek en de economie, mochten voor de camera even hun zeg doen.

En toch verliep deze stembusgang niet helemaal volgens het vooropgezette scenario. In Tizi-Ouzou en Bejaïa, de twee belangrijkste steden van Kabylië – de streek van de Berber-minderheid – heerste op de verkiezingsdag een algemeen opstandig klimaat. De twee grote Berber-partijen (het sociaal-democratische Front des Forces socialistes (FFS) van Hocine Aït Ahmed en het Rassemblement pour la Culture et la Démocratie (RCD) van Saïd Sadi) hadden opgeroepen tot een boycot van de verkiezingen.

Maar eigenlijk werden ze voorbijgestoken door de straat. De opstand van de Kabylische jongeren duurt al meer dan een jaar. Op 30 mei riepen de leiders van deze Kabylische rebellie (die zich hebben verenigd in zogenaamde "âarchs" – dorps- en wijkcomité’s) een succesvolle algemene staking uit. Betogers sloten eigenhandig de stemlokalen en verhinderden de bijzonder weinig talrijke kiezers hun stem uit te brengen. Bij de confrontatie tussen ordestrijdkrachten en Kabylische betogers vielen ook op deze verkiezingsdag weer doden en gewonden.

Op 31 mei werden de verkiezingsuitslagen officieel bekend gemaakt. In de straten van Algiers brak feestgedruis los. Niet onder de aanhangers van de winnende partijen, maar onder de tienduizenden Algerijnen die zopas via de radio en de televisie hadden vernomen dat Frankrijk op de wereldbeker voetbal met 1-0 was verslagen door het bescheiden, Afrikaanse voetballand Senegal.

Deze parlementsverkiezingen waren vooral de verkiezingen van het immobilisme: het Algerijnse politieke systeem zit al jaren op slot. En het zijn de militairen die de sleutel op zak hebben. Zij beslissen in dit land over alle belangrijke politieke en economische oriëntaties. Zij verdelen de ministerposten, zij beslissen dat Algerije zich in spoedtempo inschakelt in de neoliberale geglobaliseerde wereldeconomie, waarvoor de privatisering van de staatsbedrijven – vooral in de aardgas- en petroleumontginning – nog moet worden opgedreven. Zij vinden dat de Algerijnse bevolking via de alom aanwezige politieke politie en veiligheidsdiensten betutteld en gecontroleerd moet worden en dus van elke democratische besluitvorming moet worden uitgesloten. Achter elke grote politieke formatie in Algerije gaat één van de militaire clans schuil. Echte verrassingen leverde deze stembusgang dan ook niet op. De voormalige eenheidspartij FLN (Front de Libération nationale) die het land van 1962 tot 1989 alleen regeerde, wordt opnieuw de grootste fractie in het parlement. Met 199 van de 389 zetels pakt het FLN de absolute meerderheid. Grote verliezer is het RDN (Rassemblement démocratique national), een in 1995 uit het niets verschenen partij, die op dat ogenblik de formatie van toenmalig president Liamine Zeroual moest worden. Huidig president Bouteflika heeft zo’n aparte presidentiële partij niet nodig, met het FLN zit hij voorlopig op rozen. Het RDN viel van 156 zetels terug tot 48. De MSP (Mouvement de la Société pour la Paix van Mahfoud Nannah) en el-Islah (aangevoerd door Abdallah Djaballah), twee legale islamitische, fundamentalistische partijen (het FIS – Islamitische Heilsfront – dat in 1991 de eerste ronde van de parlementsverkiezingen won is nog steeds buiten de wet gesteld), scoorden niet echt goed. De MSP (die lid was van de uittredende coalitie van FLN-premier Ali Benflis) zat op 69 zetels en behoudt er nog 38. De fundamentalistische el-Islah kwam uit op 44 zetels. Grootste verassing was wellicht de hoge score van de Parti des Travailleurs (PT, een trotskistische partij, die geleid wordt door Louise Hanoune). De PT gaat van 4 naar 21 zetels. De vraag is echter wat de partij van Hanoune in de nieuwe Assemblée kan uitrichten. Het Algerijnse, door de militairen gecontroleerde regime heeft geen boodschap aan een scheiding der machten, echt wetgevend parlementair werk of een echte parlementaire oppositie. Het parlement dient – zoals in de buurlanden Marokko en Tunesië – hooguit om te bevestigen wat de echte machthebbers lang op voorhand hebben beslist.

(Uitpers, juli-augustus 2002)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 52 Times, 3 Visits today

Tags :

zie ook