INTERNATIONALE POLITIEK

Algerije: alles is te koop behalve Sonatrach

In Algerije sluit de nomenclatura van het oude regime weer de rangen. Van 30 januari tot 2 februari hield de voormalige eenheidspartij Front de Libération nationale zijn achtste congres. Sinds het uitbreken van de burgeroorlog in 1992 en nadat het leger achtereenvolgens generaal Liamine Zeroual en Abdelazziz Bouteflika aan het roer had gezet, leek de partij geen rol van betekenis meer te spelen.

Bij de presidentsverkiezingen van april 2004 was het FLN in twee vijandelijke kampen verscheurd. Een deel van het partijapparaat steunde de kandidatuur van Abdelazziz Bouteflika, een ander deel schaarde zich achter partijleider en voormalig premier Ali Benflis. Bouteflika werd voor een tweede ambtstermijn verkozen met 83%. Ali Benflis werd met een schamele 7,9% weggestemd: einde carrière. Het FLN blijft – ondanks de lange quarantaine – de partij van de nomenclatura. En bij de jongste gemeenteraads- en parlementsverkiezingen haalde de partij weer een ouderwetse meerderheid. Het achtste congres verkoos minister van Buitenlandse Zaken, Abdelazziz Belkhadem, tot nieuwe secretaris-generaal. President Bouteflika, die de voorbije twintig jaar allesbehalve in de gratie van het FLN-apparaat heeft gestaan – kreeg een staande ovatie. Hij werd verkozen tot “erevoorzitter”. Het congres hield zich voornamelijk bezig met het lijmen van brokken en het gladstrijken van oude rivaliteiten. De Algerijnse media hadden buitensporig veel aandacht voor het gebeuren. De man in de straat niet: zijn lot is de laatste van de zorgen van de congresdeelnemers. Het FLN staat zoals in de goede oude tijd weer pal achter de president en zijn beleid.

Op naar de WTO

Op sociaal-economisch vlak heeft de ploeg rond Bouteflika niet veel goeds in petto voor de Algerijnen. 26% van de actieve bevolking is werkloos. En Algerije blijft jaar na jaar slechter scoren op de ‘Human Development Index’ van de VN-ontwikkelingsorganisatie UNDP. In 1994 bekleedde Algerije de 82ste plaats op deze lijst van 173 landen. Vandaag is het land weggezakt naar de 107de plaats en staat zelfs na buurlanden als Tunesië en Libië geklasseerd. 10% van de Algerijnse gezinnen moet het stellen met minder dan 1 dollar per dag om te (over)leven. 12% van de bevolking lijdt aan ondervoeding, terwijl het land zijn olie- en gasinkomsten jaar na jaar ziet toenemen. De Algerijnse export is goed voor 18,4 miljard dollar (96% daarvan bestaat uit gas en olie).

De Algerijnse nomenclatura heeft slecht één programmapunt: het land zo snel mogelijk laten opgaan in de geglobaliseerde wereldeconomie. Daarbij kan Bouteflika rekenen op de steun van de Verenigde Staten, voor wie hij een steeds belangrijkere bondgenoot wordt. Washington is een absolute voorstander van een snelle toetreding van Algerije tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De Algerijnen zullen het geweten hebben: hun land moet zo snel mogelijk af van de erfenis van een sinds 1962 strak gecentraliseerde en door de staat geleide economie. Het motto van de economisten van de presidentiële ploeg luidt: alles is te koop. Niet minder dan 1.200 belangrijke staatsbedrijven (uit alle denkbare sectoren) staan te koop.

Buitenlandse investeringen

Voorlopig staan de buitenlandse investeerders niet echt te trappelen. Maar er is beterschap in zicht. Algiers heeft sinds 2001 de economische banden met de Verenigde Staten flink aangehaald. De VS zijn de belangrijkste handelspartners geworden. Sinds juli 2001 hebben beide landen een ‘Trade and Investment Framework Agreement’ (TIFA – Raamakkoord voor Handel en Investeringen). Doel van dit akkoord is een verdubbeling van het handelsvolume tussen beide landen en een groter aandeel van de VS op de Algerijnse markt. De Amerikaanse multinationals zijn op dit ogenblik bijna uitsluitend actief op de veelbelovende Algerijnse olie- en gasmarkt. De commerciële relatie tussen beide landen was totnogtoe erg onevenwichtig. In 2003 bereikte het handelsvolume 5,2 miljard dollar: 4,7 miljard Algerijnse export (voornamelijk gas en petroleum) en slechts 500 miljoen dollar Amerikaanse export. In december 2004 werd binnen het TIFA een tweede Algerijns-Amerikaanse conferentie georganiseerd. De Amerikanen deden er de belofte om meer te gaan investeren in de andere sectoren van de Algerijnse economie. Begin januari richtte de Amerikaanse multinational Northrop Grumman (een technologiebedrijf met stevige verankering in het Amerikaanse militair-industriële complex) de ‘Algerian Industrial Group’ op. In een gesprek met de Algerijnse krant Liberté (25 januari 2005) zei VS-ambassadeur Richard Erdman hierover: “Dit is een belangrijke stap die de privatisering zal vergemakkelijken, de transfer van technologie en de tewerkstelling van hoog opgeleide mensen in diverse sectoren zoals elektronica, informatica, communicatie en de medische diensten.”

De Amerikaanse investeerders vinden stilaan de weg naar Algiers. De moorddadige jaren negentig waren uiteraard niet van aard om buitenlands kapitaal aan te trekken. Maar dat is niet de enige reden voor het relatief geringe enthousiasme van overzeese investeerders. De Algerijnse nomenclatura heeft een bijzonder slechte reputatie. Tijdens de dertig jaar alleenheerschappij van het FLN heeft zij zich extreem verrijkt via smeergeldpraktijken. Op elke belangrijke transactie (met binnen- en buitenland) eisten de mannen van het FLN-apparaat en het leger hun procentje op. Hoeveel ‘gemeenschapsgeld’ er tijdens dertig jaar FLN-bewind op deze wijze is verduisterd, blijft een mysterie. Maar op 19 januari 1995 citeerde de Algerijnse krant El Watan een voormalige eerste minister, die het op een voorzichtige raming hield: 26 miljard dollar – dat was op dat ogenblik precies het bedrag van de totale buitenlandse schuld van Algerije. De Algerijnse elite heeft de grootste moeite om deze weinig fraaie praktijken af te leren. In september 2004 ging de Wereldbank – in naam van de gefrustreerde kandidaat buitenlandse investeerders – aan de klaagmuur staan. In een rapport schreef de Bank dat de corruptie – “de praktijk om openbare macht te gebruiken om zich persoonlijk te verrijken” – nog steeds de Algerijnse nationale economie ondermijnt. De prijs die het bedrijfsleven voor de corruptie betaalt, is hoog: 6% van het zakencijfer van de ondernemingen gaat naar het betalen van smeergeld. 75% van de ondernemers zegt steekpenningen te betalen om administratieve pesterijen te vermijden of om snel in orde te raken met de bureaucratische rompslomp.

Alles te koop

In Algerije staan vandaag alle openbare bedrijven te koop. De machtige vakbond UGTA heeft zich steeds met hand en tand verzet tegen een grootscheepse privatisering. Maar een echte strategie leek de vakbond niet te hebben. Bij de jongste presidentsverkiezingen riep de UGTA zijn leden zelfs op voor Abdelazziz Bouteflika te stemmen. Wellicht gingen de UGTA-leiders ervan uit dat Bouteflika – net zoals de meerderheid van de politieke elite – niet snel bereid zou zijn om het prijsbeest van de nationale economie, de gas- en oliemaatschappij Sonatrach te privatiseren. En inderdaad, in Algerije is alles te koop, behalve Sonatrach. Deze staatsmaatschappij werd in 1963 opgericht. In de eerste jaren werkte Sonatrach samen met buitenlandse (voornamelijk Franse) bedrijven. In 1966 was het aandeel van het bedrijf in de Algerijnse gas- en olieproductie nog eerder bescheiden: 11,5%. Maar daarin kwam snel verandering. In 1971 werd de hele sector genationaliseerd onder het monopolie van Sonatrach dat toen al goed was voor 77% van de aardgas- en oliewinning. De maatschappij staat vandaag in voor 96% van de Algerijnse export, zorgt voor 52% van de budgettaire reserves van de staat en is zo de belangrijkste financier van het sociaal-economisch beleid van de regering – maar vooral van de elite van het land. Sonatrach stelt direct 120.000 mensen te werk, maar indirect zijn het er veel meer. De Algerijnse staat is vandaag nog steeds de belangrijkste werkgever van het land en het personeel in overheidsdienst wordt betaald via de inkomsten van Sonatrach.

De voorbije jaren is een deel van de activiteiten van de staatsmaatschappij geprivatiseerd. Dat gebeurde hoofdzakelijk via een systeem van joint-ventures met buitenlandse ondernemingen. Sonatrach is de grootste industriële onderneming van het Afrikaanse continent en is de elfde grootste petroleum- en gasonderneming in de wereld met een jaarlijkse omzet van 22 miljard dollar.

Algerijnse multinational

Sonatrach is een eigen leven gaan leiden, los van de nationale economie en met slechts één doel: maximale winst. Het laat de concurrentie spelen bij de ondertekening van exploratie- en ontginningscontracten. De voorbije jaren is de traditionele partner, Frankrijk (Elf, Totalfina), daarbij steeds verder in de verdrukking gekomen ten voordele van Amerikaanse en Britse bedrijven. De VS-oliemaatschappijen zijn uiteraard vragende partij voor aandelen van Sontrach. Maar voorlopig lijken zij zich ook tevreden te stellen met een gewone samenwerking. Halliburton, een bedrijf dat via vice-president Dick Cheney directe toegang heeft tot het Witte Huis, heeft zo een belangrijk contract binnengehaald om de productiecapaciteit van het olieveld Hassi Messaoud op te drijven. Voor de oliemultinationals kondigt Algerije zich aan als een nieuw eldorado: een meer dan meegaande politieke elite en een ondergrond, die elk jaar nieuwe belangrijke, nieuwe olie- en gasvoorraden prijsgeeft.

Sonatrach is inmiddels zelf een olie- en gasmultinational geworden, die zijn activiteiten in het buitenland steeds verder uitbreidt. De voorbije jaren sleepte het contracten in de wacht in Jemen, Mauritanië en Peru, waar het bedrijf een olieveld ontgint, dat de Mexicaanse en Amerikaanse markt moet bedienen. Onlangs nog kwam Sonatrach in het nieuws met een belangrijk contract in Libië. Sinds de Libische leider Moamar al-Kaddafi heeft afgezien van zijn plannen om een nucleaire mogendheid te worden is hij niet langer de ‘mad dog’, zoals de republikeinse president Ronald Reagan hem ooit noemde. Ook Libië wil deel uitmaken van het Amerikaanse Great Middle East en deelt op dit ogenblik royaal concessies uit aan buitenlandse bedrijven voor de ontginning van nieuwe olievelden. Eind januari haalden de Amerikaanse bedrijven Occidental Petroleum, Chevron Texaco en Amerada Hess elf van de vijftien concessies binnen, die het regime in Tripoli in de verkoop had gezet. Ook Sonatrach viel in de prijzen. En merkwaardig genoeg kwamen alle Europese concurrenten – Total (Frankrijk), Agip (Italië), Repsol (Spanje) en BP (Groot-Brittannië) van een kale reis terug.

Zo lang de Algerijnse politieke elite niet direct onder druk komt te staan van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank of de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en zo lang het pseudo-openbare bedrijf Sonatrach meer opbrengt dan een geprivatiseerd Sonatrach, zal deze kip met gouden eieren niet meteen geslacht worden. Voorlopig kan dat nog binnen ‘the Great Middle East’ van George W. Bush, Dick Cheney en Condoleeza Rice. Hoe lang nog? Dat is koffiedik kijken.

(Uitpers, nr. 62, 6de jg., maart 2005)

Print Friendly, PDF & Email

Relevant

Sahel-Exit

Mali, Burkina Faso en Niger vertrekken uit regionaal blok ECOWAS Mali, Burkina Faso en Niger kondigden eind januari aan dat ze uit ECOWAS stappen, de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse…

Print Friendly, PDF & Email

Turkije breidt invloed in Afrika uit

Economische motieven vormen een belangrijke drijfveer, maar daar blijft het zeker niet toe beperkt. In toenemende mate vertaalt de Turkse aanwezigheid zich in Afrika ook vanuit militair-strategische motieven waardoor…

Print Friendly, PDF & Email

Opflakkering van geweld en jihadisme in Sahel-regio

Terwijl wij al enige tijd geveld worden door dé grote dreiging, Covid-19, strijden enkele Afrikaanse landen noodgedwongen aan verschillende fronten. Naast de aanhoudende druk van de pandemie die de…

Print Friendly, PDF & Email

Laatste bijdrages

Angst en beven van Teheran tot Tel Aviv: de opera.

Driehonderd drones of meer, plus een niet gespecifieerd aantal ballistische missielen (maar van de tragere soort, gemakkelijker op te sporen dan de supersonische raketten die Iran ook heeft) die…

Print Friendly, PDF & Email

Met zijn militaire aanval op Israël, speelt Iran Netanyahu in de kaart

Zaterdagavond laat lanceerde Iran een luchtaanval op militaire faciliteiten in Israël – de eerste rechtstreekse Iraanse aanval op Israëlische bodem ooit. De actie zat er al een tijdje aan…

Print Friendly, PDF & Email

Trump en abortus

Na een aantal gerechtelijke uitspraken is abortus weer een belangrijk thema in de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Dit komt Trump niet goed uit. Het Amerikaanse Hooggerechtshof, door toenmalig president Donald Trump…

Print Friendly, PDF & Email
De trein naar het Imperium.

You May Also Like

×