Afrikaanse olie en de westerse belangen in de industrie

Begin dit jaar stelde Walter Kansteiner, de vice-staatssecretaris voor Afrika van de Verenigde Staten, dat Afrikaanse olie van nationaal strategisch belang is geworden. Volgens berekeningen van de Unctad, (1) bezit Afrika 8 % van de wereldoliereserves. Vooral West-Afrika zit midden in een olie-boom.

De olieproductie is er de voorbije tien jaar met 36% gestegen en van multinationals zoals BP, Shell en ExxonMobil wordt verwacht dat ze nog miljarden zullen investeren in de olievelden tegen het einde van het decennium. De Afrikaanse olie staat momenteel in voor 16% van de totale Amerikaanse toevoer. Sub-Sahara Afrika produceert nu al evenveel als Iran, Venezuela en Mexico samen. Volgens verschillende schattingen zou zwart Afrika tegen 2015 voor 25 % van de totale Amerikaanse aardolie-import kunnen instaan.

Deze cijfers illustreren perfect wat Kansteiner precies met zijn uitspraken bedoelde. Het buitenlands beleid van de Verenigde Staten is doorgaans terug te brengen tot het veilig stellen van economische belangen. Een rode draad in dit beleid is olie en het verzekeren van de oliebevoorrading van de Verenigde Staten. Het spreekt vanzelf dat de oliereserves van Afrika een uitgelezen kans bieden om de Amerikaanse afhankelijkheid van het onstabiele Midden-Oosten te verminderen. De recent groeiende belangstelling voor het vergeten continent Afrika moet men volledig in het licht hiervan zien. Discrete interventies in olieproducerende landen, zoals de Amerikaanse steun voor de vredesgesprekken in Soedan begin 2002 waren een schuchtere uiting van de nieuwe oriëntatie binnen de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten. George W. Bush’ voorbije tour door Afrika in het teken van de strijd tegen terrorisme en ter ondersteuning van allerlei anti-AIDS en ontwikkelingsinitiatieven, is een overduidelijke bevestiging van het groeiende belang van het Afrikaanse continent in het Amerikaanse buitenlandse beleid.

Met de te verwachten stijging van de vraag naar olie in gedachten zien economische analisten in het West-Afrikaanse oliepotentieel een manier om de wispelturige internationale oliemarkt te stabiliseren. Het zou handelaars en consumenten een veiligheidsmarge geven om beter te kunnen omgaan met crisissen zoals de recente stakingen in Venezuela of de oorlog in Irak. Alhoewel de gebeurtenissen van 11 september 2001 de noodzaak van een Amerikaanse heroriëntatie vergrootten was West-Afrika al een geopolitieke prioriteit voor 11 september. Dit werd in 2000 reeds bevestigd door de oliebedrijven op een bijeenkomst met het Afrika-comité van het Amerikaanse parlement. Deze besprekingen werden trouwens mede georganiseerd door het ‘Institute for Advanced Strategic and Political Studies’ (IASPS). Een think-tank opgericht in 1984 in Israël (sterk gelieerd met de rechtse Likoed-partij), die er sinds zijn ontstaan voor ijvert de petroleumbanden met de Saoudi’s zoveel mogelijk door te knippen.

In zijn ‘National Energy Policy Report’ (mei 2001) stelde vice-president van de Verenigde Staten en olie-man Cheney de volgende beleidslijnen voor: "we verwachten dat West-Afrika de snelst groeiende olie en gas leverancier zal worden voor de Amerikaanse markt. Afrikaanse olie is van hoge kwaliteit en heeft een laag zwavelgehalte wat het zeer geschikt maakt voor de raffinaderijen aan de Oostkust van de Verenigde Staten".

Afrika en de Opec

Aan de Afrikaanse oliereserves is bovendien nog een belangrijk politiek voordeel verbonden: buiten Nigeria is geen enkel olieproducerend land op het Afrikaanse continent lid van de Organisatie voor Petroleumexporterende landen (OPEC) (2). Al sinds de oliecrisis van de jaren zeventig is het een betrachting van Amerika om de greep van de OPEC op de oliemarkt te verzwakken. Een gelijkaardig efficiënt en marktbepalend samenwerkingsverband bestaat voorlopig niet in zwart Afrika en de Verenigde Staten heeft al lichte druk uitgeoefend op Nigeria om uit de OPEC te stappen. Volgens Robert Murphy een Amerikaanse staatsadviseur voor Afrika is de kans zeer gering dat politieke onenigheid of geschillen tussen de Afrikaanse oliestaten een ideologische of regionale bijklank zouden krijgen, die zou kunnen resulteren in een gezamenlijk embargo van alle leveranciers.

Bush en Blair zetten hun zinnen op de Afrikaanse olievoorraden

Niet alleen de Amerikanen zien de enorme potentie in van de Afrikaanse oliereserves. Volgens documenten die in handen kwamen van de Britse krant ‘The Guardian’ werken de regeringen van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten samen om de toevoer van olie uit nieuwe Afrikaanse bronnen te kunnen verzekeren. De beslissing tot coöperatie op dit vlak is vorig jaar in april genomen door Bush en Blair tijdens een privé-bijeenkomst op de Texaanse ranch van de Amerikaanse president. Het rapport dat de ‘The Guardian’ kon inkijken werd in juli dit jaar opgesteld door VS-minister van commercie Don Evans en VS-minister van energie Spencer Abraham. Het verduidelijkt op welke manier de twee regeringen de verschillende elementen van hun buitenlands- en energiebeleid verweven hebben tot een concrete gemeenschappelijke analyse. Beide landen “zijn een reeks gecoördineerde acties overeengekomen die hun gezamenlijke objectieven moeten bewerkstelligen in de wereld”.

De grote Amerikaanse en Britse energiebedrijven hebben een geprivilegieerde toegang gekregen tot deze discussies tussen het Witte Huis en Downing Street. In het rapport, officieel gekend onder de naam ‘US-UK energy dialogue’ staat het volgende: “Wij hebben een aantal cruciale olie- en gasproducerende landen geïdentificeerd in de West-Afrikaanse regio waarin onze twee regeringen en onze grote olie- en gasmaatschappijen zouden kunnen samenwerken aan het verbeteren van de investeringscondities. Het zorgen voor ‘good governance’ en sociale en politieke stabiliteit kunnen de energietoevoer op lange termijn veilig stellen”.

Het gebied waarover sprake in het document is de Golf van Guinea met de landen Nigeria, Sao Tome, Equatoriaal Guinea en Angola. Maar ook Gabon, Kongo, Kameroen, Soedan en Tsjaad, dat via pijpleidingen (dwars door de Kameroense regenwouden) opgepompte olie tot aan de Atlantische kust wil voeren, zijn opkomende olie en gas producerende landen.

De politieke en sociale stabiliteit in de regio die volgens het duo Bush en Blair de toevoer van olie moet veilig stellen is echter een zeer fragiele werkelijkheid. Alle boven vernoemde West-Afrikaanse landen hebben gemeen dat er een enorme armoede heerst onder de bevolking. In landen zoals Nigeria, Gabon en Angola, waar al tientallen jaren geleden met olie- en gasontginningen begonnen werd, hebben alleen de grote Westerse bedrijven en een handvol Afrikaanse machthebbers zich kunnen verrijken. Sinds het begin van de exploitatie heeft de olieproductie in geen enkel opzicht bijgedragen tot de algemene economische ontwikkeling van de regio en de vermindering van de armoede. Integendeel de landen in kwestie zitten nu nog dieper in de schulden en de levensomstandigheden van de bevolking zijn nog slechter dan voorheen. Armoede en schrijnende ongelijkheid blijven de voedingsbodem bij uitstek voor politieke en sociale instabiliteit. Opstanden, geweld, etnische conflicten en corruptie ondermijnen het groeipotentieel van de energiesector in de regio. In Nigeria bijvoorbeeld exploiteren Shell (sinds 1958) en ChevronTexaco (sinds 1963) al jarenlang grote olievelden langs de Niger-delta in samenwerking met de Nigeriaanse nationale oliemaatschappij. Terwijl de opeenvolgende Nigeriaanse staatshoofden duidelijk de vruchten plukten van de oliewinning in het land leeft de bevolking tot vandaag in erbarmelijke omstandigheden. De totale ontvangsten van petroleum tussen 1973 en 2002 worden geschat op zo’n 340 miljard dollar. Toch steeg tussen 1980 en 1996 de armoede van 28% tot 66 %. Tweederde van de populatie moet vandaag overleven met minder dan 1 dollar per dag.

Het ongenoegen dat leeft bij de bevolking uit zich in allerlei sociale onlusten. Protest van werklozen en bestormingen van bedrijven door lokale bevolkingsgroepen zijn bijna dagelijkse kost voor de oliebedrijven in Nigeria. In maart moesten zowel ChevronTexaco als Shell hun activiteiten aan de Niger-delta tijdelijk stilleggen wegens gewelddadige uitbarstingen en zelfs kidnapping van personeel. In november dit jaar werden er nog 18 werknemers van een dochtermaatschappij van Chevron gegijzeld door een groep mannen die op die manier hun eis voor werk en geld wilden ondersteunen.

De oliebedrijven doen beroep op de Nigeriaanse strijdkrachten om de protesten zonodig op gewelddadige wijze te onderdrukken. Zo doodden Nigeriaanse troepen in 1998 twee van de tientallen bezetters van een boorplatform voor de kust. De soldaten waren op het platform afgezet door piloten in dienst van ChevronTexaco in helikopters van een ChevronTexaco dochtermaatschappij.

Naast armoede en werkloosheid zijn de oorzaken van geweld in de Niger-delta complex maar het staat vast dat de aanwezigheid van de oliebedrijven de rivaliteit tussen de lokale stammen alleen maar heeft doen toenemen. De verschillende etnische groepen bekampen elkaar om de eigen toegang tot petro-dollars te maximaliseren.

Stijgend geweld en noodgedwongen onderbrekingen van de olie-exploitatie als gevolg ervan, leidden regelmatig tot een plaatselijke dalende productie. Toch wegen de oliebelangen van onder andere ChevronTexaco in het chaotische West-Afrikaanse land ruimschoots op tegen de zorgen veroorzaakt door etnische vijandigheden, sociale onrust en armoede. Het bedrijf heeft er grote toekomstplannen en laat zich niet uit het lood slaan door de aanhoudende kritiek van mensenrechtenorganisaties.

Integendeel, algemeen directeur van ChevronTexaco, David O’Reilly verdedigt zich door te stellen dat zijn bedrijf aanzienlijke inspanningen doet om de levensomstandigheden van de lokale bevolkingsgroepen te verbeteren. Sinds het begin van de jaren negentig investeerde zijn bedrijf een bedrag van 90 miljoen dollar in de ontwikkeling van de lokale gemeenschappen. Geld dat diende voor water en elektriciteit, wegen, hospitalen, scholen en beurzen. Deze ‘nobele kosten’ zijn natuurlijk minimaal te noemen als men ze vergelijkt met de miljarden die jaarlijks geïnvesteerd worden in de oliewinning zelf of met de miljarden rechtstreekse winst die er mee te verdienen vallen.

Het bedrag dat Westerse oliemaatschappijen doorgaans investeren in de ontwikkeling van de regio waarin ze opereren is een peulenschil, een doekje voor het bloeden, terwijl het bloeden voor een groot stuk mede wordt veroorzaakt door de aanwezigheid en de activiteiten van de oliebedrijven zelf. Het is een cijfer waarmee ze kunnen uitpakken tegenover de critici en waarmee ze het imago hoog proberen te houden tegenover de meer bewuste consument, die meestal niet genoeg op de hoogte is om het bedrag te kunnen relativeren. Waarom zouden oliemaatschappijen ook meer investeren in een stabiele omgeving? Een grote spreiding van de boringen minimaliseert immers de risico’s. Of zoals O’Reilly het spitsvondig verwoordt: “But we don’t put all our eggs in one basket. We’re in multiple areas and multiple countries” (3). Het komt er dus op neer dat productievermindering door sociale onrust in één deel van de regio gerust opgevangen kan worden door andere productie-eenheden.

Incompetente Afrikaanse staatsleiders?

De oliebedrijven in West-Afrika hebben trouwens nog een andere troef die de risico’s van politiek en sociaal instabiele regio’s beperken. De meeste boringen gebeuren immers in het water langs de kustlijnen, ver weg van de mensen en hun problemen.

Het is duidelijk dat de grote Westerse oliemaatschappijen, die onder de auspiciën van hun politieke leiders in Afrika opereren, alleen maar geïnteresseerd zijn in het daar heersende klimaat van wild kapitalisme en niet in het verbeteren van de levensomstandigheden van de omliggende gemeenschappen. Hoewel Bush maar al te graag met een beschuldigende vinger wijst in de richting van incompetente Afrikaanse staatsleiders zou regelgeving gericht op het vergroten van de sociale rechtvaardigheid dit winstgevende klimaat alleen maar kunnen inperken. Zo lang het werkbaar blijft, d.w.z. zolang er geen verliezen dreigen is het streven naar een sociaal en politiek stabiele regio zeker geen prioriteit.

Corruptie

Een ander obstakel dat de ontwikkeling en de stabiliteit van de olieproducerende Afrikaanse landen in de weg staat is de verregaande corruptie. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) heeft vastgesteld dat in Angola elk jaar een vijfde van de staatsinkomsten, vooral afkomstig van oliecontracten, verdwijnt (een bedrag van 1miljard dollar op een totaal van 5 miljard).

Zowel in Angola als in Soedan zorgde de strijd om olieproducerende gebieden bovendien voor het in stand houden van de langst durende gewelddadige conflicten van het Afrikaanse continent. Het waren bijvoorbeeld de miljoenen petrodollars van onder andere ExxonMobil in het bezit van president José Eduardo dos Santos die de burgeroorlog konden doen aanslepen tot in de late jaren negentig.

Alhoewel de ‘US-UK energy dialogue’ het heeft over politieke en sociale stabiliteit waarschuwen verschillende niet gouvernementele organisaties (NGO’s) dat de nieuwe olierush alleen maar zal leiden tot meer conflicten, corruptie en pollutie. Sommige Afrikaanse regeringen zullen waarschijnlijk miljarden petrodollars ontvangen. De vrees bestaat dat zij dit geld gewoon in eigen zakken zullen steken of verkwisten aan megalomane projecten of militaire aankopen in plaats van het te gebruiken voor de strijd tegen de armoede.

Equatoriaal Guinea

In het kleine Equatoriaal Guinea hebben de petroleuminkomsten zich vermenigvuldigt van 3 miljoen dollar in 1993 tot een geschatte 730 miljoen dollar in 2003. Het landje heeft de snelst groeiende economie ter wereld, maar het heeft ook één van de meest repressieve en corrupte regeringen ter wereld. De ‘Los Angeles Times’ rapporteerde niet lang gelden dat Amerikaanse oliemaatschappijen meer dan 300 miljoen dollar gedeponeerd hebben op bankrekeningen in Washington die uitsluitend door de president van Equatoriaal Guinea gecontroleerd worden.

Anticiperend op de vrees voor verregaande corruptie stelt de ‘US-UK energy dialogue’ dat het van cruciaal belang is dat de Verenigde Staten en Groot-Brittannië anticorruptie- en transparantie-initiatieven steunen.

De aankondiging van de Nigeriaanse president Olesegun Obansanjo, in november dit jaar, dat hij het totale bedrag van de petroleuminkomsten van de staat publiek zal maken wordt dan ook positief onthaald. Dit is zonder meer een unieke beslissing die de rekenschap van de regering ten opzichte van de bevolking misschien kan vergroten. Helaas is het ook een alleenstaande beslissing die nog effectief ten uitvoer gebracht moet worden.

Corruptie kan echter niet alleen bestreden worden door een vereiste attitudeverandering bij de Afrikaanse leiders. Ook de grote oliemaatschappijen moeten hun manier van werken in Afrika radicaal wijzigen.

Hoe kunnen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië de Afrikaanse leiders een preek geven over ‘good governance’ als hun eigen bedrijven (in het geval van de Bush-administratie vrij letterlijk te nemen) misbruik, maken van een moreel corrupt klimaat en het op die manier mee in stand houden.

De organisatie ‘Publish What You Pay’(4) ijvert, zoals de naam laat vermoeden, voor de vrijwillige publicatie van de totale sommen die grondstoffenexploiterende bedrijven overmaken aan de landen waarin ze opereren. Dit bedrag omvat belastingen, officiële royalty’s aan commissies en andere premies (privé) en omkoopsommen overgemaakt in ruil voor het verkrijgen van vergunningen en concessies. Hoewel dit een interessant initiatief is, blijkt de vrijwillige publicatie van betalingen een nogal naïeve doelstelling. Zonder verplichtende regelgeving komt er helemaal niets van in huis. Bedrijven die zouden rapporteren waar hun geld naartoe gaat zouden immers lucratieve contracten verliezen aan bedrijven die hun betalingen wel afschermen en zo geen rekenschap hoeven af te leggen. Westerse bedrijven halen maar al te graag het argument van de concurrentiele belangen en de vertrouwelijke afspraken aan om de weigering tot ontsluiting van de betalingen kracht bij te zetten. Een verplichte bekendmaking van de steekpenningen van grote oliemaatschappijen aan Afrikaanse autoriteiten zou nochtans een duidelijker beeld geven van hun rol in de corrosieve corruptie van de regio.

Voorspellingen

De meest conservatieve schattingen voorspellen dat de ‘olie-rush’ de Afrikaanse regeringen ongeveer 200 miljard dollar zullen opleveren de komende tien jaar. Zonder echte maatregelen ter vergroting van de transparantie en verantwoording in de olietransacties met Afrika, zal dat geld alleen maar oogsten wat Bush nu net beweert tegen te willen gaan, namelijk conflicten, instabiliteit en corruptie.

(Uitpers, nr. 50, 5de jg., februari 2004)

Bronnen:

GHARBI Samir, ‘La malédiction de l’or noir’ in Jeune Afrique l’intelligent, 16-22 november 2003, nr. 2236.

EVANS, HENCKE, ‘Blair and Bush set sights on Africa’s oil’ in Guardian Weekly, 20-26 november 2003.

www.arabicnews.com

www.globalpolicy.org

www.iags.org

www.africanoil.com

www.monde-diplomatique.fr

www.publishwhatyoupay.org

Jeune Afrique l’intelligent, 16-22 november 2003, nr. 2236.

Voetnoten :

(1) Conferentie van de Verenigde Naties voor Handel en Ontwikkeling.

(2) De ‘Organization of Petroleum Exporting Countries’ werd opgericht in 1960 om het oliebeleid van de 12 grootste olieproducerende en exporterende landen op elkaar af te stemmen. Door middel van productiequota’s kan de organisatie de globale olieprijs manipuleren. Wordt de prijs volgens de olieproducerende landen te laag dan worden er gewoon minder vaten olie geproduceerd waardoor de prijs naar omhoog wordt getrokken en omgekeerd.

(3) We leggen niet al onze eieren in dezelfde mand. We zijn aanwezig in verschillende gebieden en in verschillende landen.

(4) Publish What You Pay is een initiatief dat gelanceerd werd in juni 2002 en de steun geniet van ongeveer 150 NGO’s, de United Nations Development Program (UNDP), de wereldbank en van het Europees Parlement.

Visited 11 Times, 1 Visit today

Tags :