Afkeer van Bush stuwt Kerry

Verjaagt de Democraat John Forbes Kerry bij de presidentsverkiezingen in november de Republikein George W. Bush uit het Witte Huis? In de aanloop naar de resem voorverkiezingen op Supertuesday 2 maart twijfelde nauwelijks iemand er aan dat Kerry de kandidaat wordt waarmee de Democraten Bush hopen te verslaan. Kerry’s kans om daarin te slagen ligt vooral bij het feit dat veel Amerikanen de bende van Bush beu zijn.

Ze ergeren zich over de manier waarop die de rijken begunstigde en de vrijheden inperkte, maar ook over het bedrog waarmee zij haar oorlog tegen Irak doordrukte en het imago van de VS in de wereld besmeurde. Daarmee speelt de buitenlandse politiek een ongewoon grote rol in de campagne. En dat is een sterk punt voor Kerry.

Maar de senator uit Massachusetts is geen duif. Net als Bush wil hij de macht van Amerika wereldwijd vergroten, ook als hij daar militaire interventies voor nodig acht. Maar dat gebeurt volgens hem beter multilateraal: met inschakeling van de Verenigde Naties (als "internationale gemeenschap") of in overleg met andere grootmachten, al dan niet in het raam van de Navo. Het princiep van niet-inmenging, vastgelegd in het VN-handvest, lijkt evenmin aan Kerry besteed, weggeveegd door retoriek over "bevordering van democratie" en "oorlog tegen terrorisme" waarmee het Amerikaans machtsstreven nu wordt ingekleed.

Risico’s

De politicus werd op 11 december 1943 geboren als zoon van een niet onbemiddeld Amerikaans diplomaat. Tot zijn voorouders aan moeders kant behoorde de Forbes-familie, destijds rijk gewoden in de handel tussen Boston en China.

In 1966 studeerde Kerry af aan de gerenommeerde Yale-universiteit, waar hij deel had uitgemaakt van het geheime genootschap Skull and Bones, hetzelfde genootschap waar vader en zoon George Bush toe hebben behoord. In die club wist men dat Kerry niet altijd de doodernstige, wat saaie jongeman was waar hij voor doorging, maar dat hij ook wel eens risico en gevaar opzocht. Zo bekwaamde Kerry zich bijvoorbeeld in luchtacrobatie, en vloog hij in 1967 (hij was toen al bij de marine) in een riskante stunt onder de Golden Gate brug van San Francisco. In het vliegtuigje zat ook Kerry’s boezemvriend én Skull and Bones-collega David Thorne. Diens zus Julia werd in 1970 Kerry’s eerste vrouw – het echtpaar scheidde formeel in 1988. In 1995 trouwde de politicus met zijn huidige vrouw, Teresa Heinz, weduwe én ruim 600 miljoen dollar-erfgename van ketchupkoning John Heinz, tevens Republikeins senator.

Vietnam

In 1968 vertrok Kerry naar het oorlogstoneel in Vietnam. Het werd een gebeurtenis die van hem een oorlogsheld maakte (Zilveren Ster voor moedig gedrag, Bronzen Ster voor redding van een kameraad), een status die hij nu uitspeelt in het patriottisch opbod waarmee Bush kritiek op zijn militaire avonturen probeert te smoren. Tegelijk maakte Kerry’s verblijf in Zuidoost-Azië hem tot een fervent tegenstander van de Vietnam-oorlog. Als gedecoreerd veteraan richtte hij in 1971 mee Vietnam Veterans against the War op. Die organisatie hield dat jaar in Washington een protest, waarbij de veteranen hun medailles op de trappen van het Kapitool wierpen (Kerry zou niet zijn medailles, maar alleen zijn strepen hebben weggeworpen).

Door dat protest, en door zijn getuigenis over de oorlog voor het Congres, werd Kerry een nationale figuur. Voor het Congres laakte hij de oorlogsmisdaden van Amerikaanse soldaten in Vietnam, die, zo getuigde hij, "verkrachtten, oren afsneden, telefoondraden rond geslachtsdelen bonden en er stroom opzetten, lichamen opbliezen, ledematen afsneden, voor de lol honden en vee doodschoten, voedselvoorraden vergiftigden, en het platteland van Zuid-Vietnam verwoestten". Beroemd werd zijn uitspraak: "Hoe kan je iemand vragen om als laatste te sterven voor een foute beslissing (de oorlog in Vietnam)?"

Kerry begon de ambitie te koesteren om zelf in het Congres te zetelen. Dat zag hij aanvankelijk als logische voortzetting van zijn activisme ter beëindiging van de Vietnam-oorlog. Maar de manier waarop hij voor zo’n politieke loopbaan een uitgangspunt zocht, leverde hem het verwijt op een opportunist te zijn. Daarnaast kwam hij bij nogal wat kiezers over als een wat afstandelijke, bijna hautaine politicus. Pas in 1985 slaagde hij erin senator te worden voor Massachusetts, wat hij tot dusver is gebleven.

Nicaragua

In 1986 trad Kerry opnieuw nationaal op de voorgrond, bij een parlementair onderzoek naar een andere anti-communistische kruistocht, de stille oorlog van de regering van Ronald Reagan tegen de verkozen sandinistische regering in Nicaragua. Voor die oorlog richtte Washington een legertje van contra-revolutionairen (contra’s) op, die in Nicaragua sabotage en terreurdaden pleegden. Het bleek dat de Amerikaanse CIA met rechtse Cubanen en Nicaraguanen drugssmokkel hielp verhandelen om de contra’s te financieren. Kerry vreesde voor zoiets als een herhaling van Vietnam: het Witte Huis dat parlement en opinie misleidde (zoals nu opnieuw voor de oorlog tegen Irak).

De vrees bleek gegrond. Kerry’s onderzoek toonde dat onderminister van Buitenlandse Zaken Elliott Abrams en Vietnamveteraan luitenant-kolonel Oliver North het parlement en de opinie hadden misleid over de financiering en bewapening van de contra’s. Abrams en North liepen een veroordeling op, maar kregen amnestie van vader Bush (Abrams werkt nu op het Witte Huis van zoon Bush).

Kerry’s rapport uit 1989 over de financiering van de contra’s met drugsgeld vertelde niet de hele waarheid omdat het zich beperkte tot het besluit dat de regering, vooral de CIA, alleen maar de andere kant had opgekeken bij de drugshandel.

Maar het was voldoende om de Republikeinse regering in last te brengen. Het kwam op een moment dat de regering-Reagan, onder druk van de frustratie bij de Amerikaanse bevolking over haar onvermogen om een eind te maken aan de drugshandel in eigen land, een "oorlog tegen drugs" in het buitenland verklaarde, militaire interventies tegen buitenlandse drugsbazen en coca-boeren inbegrepen.

In het licht van de huidige zogeheten ,,oorlog tegen terrorisme’’ is het ook nuttig om weten dat de Amerikaanse regering in 1986 door het Internationaal Gerechtshof in Den Haag veroordeeld werd wegens terrorisme in Nicaragua (bomaanslagen, mijnen in havens); Washington legde de uitspraak naast zich met een beroep op de "nationale veiligheid".

Met de dubbelzinnigheid die hem ook in de kwestie-Irak zal kenmerken, schaarde Kerry zich aanvankelijk achter de "oorlog tegen drugs" waarmee Reagan militaire en paramilitaire interventies in het buitenland opzette om "de drugshandel aan te pakken". Later, in 1990, kwam Kerry op die steun terug, hij vroeg die militaire opties nog eens goed te bekijken "voordat de lijkenzakken naar dit land terugkomen".

Bekendheid verwierf Kerry ook door een onderzoek dat voortvloeide uit dat naar de contra-drugsconnectie: het bleek dat de Panamese leider Manuel Noriega, voormalig helper van de CIA, drugsgeld witwaste via de BCCI (Bank of Credit and Commerce International), een internationale bank met wortels in het Nabije Oosten. Bij de CIA, die de bank soms gebruikte voor haar eigen activiteiten, was de bijnaam van de bank Bank of Crooks and Criminals International. Kerry’s onderzoek begon in 1988 en droeg drie jaar later bij tot de sluiting van de BCCI. Tot ongerustheid van heel wat top-Democraten die "bevriend" waren met de bank (zoals ex-minister van Defensie Clark Clifford, ex-president Jimmy Carter, en diens begrotingsdirecteur Bert Lance). Onder druk vanuit zijn Democratische Partij trad Kerry uiteindelijk zeer toegeeflijk op. Hij was "geschokt..en verrast" door de ontdekking dat Clifford en andere prominente Democraten zich hadden ingelaten met de BCCI, zei Kerry later, maar hij had er zich bij neergelegd.

Buitenlandse interventies

Kerry, als goed Democraat een tegenstander van de doodstraf, was misschien een vredesmilitant in de nasleep van de oorlog tegen Vietnam. Maar mettertijd toonde hij zich voorstander van militaire interventies in andere landen. Zo steunde hij de Amerikaanse invasies in Grenada (1983), Panama (1989) en Somalië (1992), en de Navo-interventie in Kosovo (1999). Na de terreuraanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington verklaarde Kerry zijn steun aan de "oorlog tegen terrorisme" die Bush uitriep. Zo sprak hij zich uit voor het gebruik van geweld in Afghanistan. En ook de oorlog die de bende van Bush in 2003 tegen Irak begon, kreeg zijn steun . Nu wringt hij zich in bochten om die steun voor Bush’s Irak-avontuur te verantwoorden. De aanvalsoorlog en de bezetting zelf veroordeelt hij niet. Wel laakt hij Bush omdat die de wapeninspecteurs van de VN hun werk niet liet afronden, en omdat die geen echte coalitie kon oprichten. Het is koren op de molen van zijn tegenstanders, die hem een "kameleon-senator" noemen, die vooral zichzelf vooruit wil brengen.

(Uitpers, nr. 51, 5de jg., maart 2004)

Visited 6 Times, 2 Visits today

Tags :