Afghanistan, een aanhoudende schending van het volkenrecht

Voor sommige landen is het VN charter kennelijk niet bindend. Er is tot op heden ook nog altijd geen algemene erkende definitie over “terrorisme”. Niemand betwist het feit dat de aanslagen van 11 september 2001 in de VS een zware misdaad zijn volgens de normen van het volkenrecht. Deze misdaden moesten dan ook op dit vlak, het niveau van het internationale volkenrecht, vervolgd worden met de daartoe beschikbare en voorziene juridische en politionele middelen van samenwerking onder de landen. We moeten tot onze spijt vaststellen dat hieromtrent praktisch niets werd ondernomen.

In de plaats begonnen de VS en Groot-Brittannië en hun meelopers op 7 oktober 2001 een militaire oorlogsinterventie tegen een soevereine lidstaat van de VN, Afghanistan. Cynisch noemden ze hun interventie ” Operation Enduring Freedom – 0EF”. Met deze oorlog hebben de interventionisten een zware overtreding gepleegd tegen de fundamentele principes van het geldend internationaal volkenrecht. Artikel 2 alinea 4 van het VN charter bepaalt dat het dreigen met en het aanwenden van geweld in de internationale betrekkingen ten strengste verboden zijn. Het was en is een agressieoorlog die volgens de verklaring van de VN en volgens de principes van het volkenrecht van 1970 en de algemeen erkende definitie over agressie van 1974, als een misdaad tegen de wereldvrede moet beoordeeld worden.

In het artikel 51 van het VN charter is het recht op individuele en collectieve zelfverdediging tegen een gewapende aanval verankerd, maar dit artikel is in het geval van Afghanistan niet van toepassing. Afghanistan heeft geen gewapende aanval op de Verenigde Staten gepleegd. De terroristische aanslagen van 11 september 2001 kunnen pas als een aanval van Afghanistan bestempeld worden wanneer de terroristen in opdracht en met bescherming van de Afghaanse regering gehandeld hebben. Hiervoor liggen echter geen duidelijk bewijzen voor. De verantwoordelijkheid van de toenmalige Taliban-regering is bijgevolg een zwakke veronderstelling. Hierdoor vervalt dan ook de juridische basis voor het besluit van de NAVO-raad van 12 september 2001, waarmede de alliantie de onderlinge solidariteit afkondigde volgens het artikel 5 van het NAVO verdrag. Dit artikel 5 verplicht de lidstaten van de westers militaire alliantie tot onderlinge bijstand in geval van een gewapende aanval op een lidstaat. Wat in verband met Afghanistan zeker niet het geval was. Bijgevolg is het besluit van de NAVO-raad niet in overeenstemming met de bepalingen van het NAVO-verdrag zelf. Tot op de dag van vandaag is dat besluit nog steeds niet herroepen.

De VN Veiligheidsraad heeft als hoofdverantwoordelijkheid te waken over de handhaving van de wereldvrede. Ze moet de internationale veiligheidsproblematiek ernstig onderzoeken en bijgevolg was het haar plicht om het oorlogsoptreden van de VS te verhinderen en te veroordelen. De raad heeft dit niet gedaan, maar heeft ook de oorlog geen legitimatie verstrekt. De resolutie 1368 van 12 september 2001, aangenomen 1 dag na de aanslag, benadrukt in de preambule haar vastberadenheid om met alle middelen de bedreiging van de vrede en de veiligheid door terroristische daden te bestrijden en de erkenning van het recht op zelfverdediging. In de besluitvorming van de resolutie geeft de raad geen groen licht voor militaire sancties tegen Afghanistan. Ze beroept zich op het hoofdstuk VII van het VN charter dat handelt over de mogelijke juridische wettelijke basis voor het uitvaardigen van militaire sanctiemaatregelen. De resolutie zegt terecht dat deze terroristische daden een bedreiging zijn voor de internationale vrede en veiligheid, ze roept alle staten op om de daders, organisatoren en sponsors van deze daden te vervolgen en te berechten. Maar in de resolutie 1368 is er absoluut geen sprake van een toelating voor een oorlog tegen Afghanistan door de VN-veiligheidsraad.

Na de bezetting van Kaboel en de val van de Taliban-regering, stemde de VN-veiligheidsraad de resolutie 1386 op 20 december 2001. Deze bevatte eveneens geen uitdrukkelijke toestemming met terugwerkende kracht van de oorlog, maar met deze resolutie werd wel een bezettingsregime aan het land opgelegd. Wat absoluut in tegenstrijd is met het volkenrecht omdat de motivering uitmondt op een agressieoorlog tegen Afghanistan. In het kader van hoofdstuk VII van het VN charter werd met deze resolutie de ISAF (International Security Assistance Force) opgericht, die de Afghaanse “autoriteit” moet ondersteunen en sedert 2003 volledig onder NAVO-bevel ageert. In realiteit werd samen met de Amerikaanse Operation Enduring Freedom de oorlog actief verder gevoerd.

Oorlogsmisdaden

In deze oorlog werden door alle partijen zeer ernstige inbreuken tegen het humanitair oorlogsrecht begaan. Er zijn vooreerst de inbreuken van de bezettingsmacht tegen de conventie van Genève 1949 en de bijhorende notulen van 1978, over de behandeling van krijgsgevangenen, de bescherming van de burgers in oorlogstijd bij internationale en interne, gewapende conflicten. Ook werd er zwaar gezondigd tegen het protocol over de civiele en politieke rechten van 1966, tegen de akkoorden over het verbod of de beperking van het inzetten van conventionele wapens die buitensporig lijden zonder onderscheid veroorzaken, en tegen het folterverbod van 1984. Zo een ernstige inbreuk en oorlogsmisdaad is de luchtaanval op een tankwagen in de omgeving van Kundus, die door een Duitse officier werd bevolen. Volgens de NAVO inschatting verloren bij deze luchtaanval 142 burgers het leven en vielen er vele gewonden. Er zijn voldoende redenen om aan te nemen dat het hier om een ernstige inbreuk gaat van het artikel 51van het 1ste aanvullend protocol – of beter gezegd van artikel 13 van het 2de subsidiair protocol – dat bepaalt dat de burgerbevolking of de burger in het algemeen beschermd moeten worden voor de oorlogshandelingen en de mogelijke gevaren. De Duitse autoriteiten hebben er van afgezien om een diepgaand onderzoek in te stellen.

Interventieverbod

Negen jaar na het begin van deze oorlog moeten we vaststellen dat de interventie-oorlog van de VS en bondgenoten nog altijd voortduurt. Het bezettingsregime blijft voortduren ondanks de zogenoemde afghanisering van het conflict en het overdragen van de verantwoordelijkheden aan de Afghanen. Onder een dergelijk regime is het voor de Afghanen onmogelijk hun recht op zelfbeschikking te verwezenlijken.

Deze oorlog heeft dus in feite geen grond in het volkenrecht. Bijgevolg is de gewapende weerstand van de Taliban tegen de bezetter, bij inachtneming van het geldend oorlogsrecht, legitiem omdat het de uitoefening van de zelfverdediging is tegen een buitenlandse agressor. Bovendien heerst er in het land een burgeroorlog tussen de door de bezetter aangestelde regering enerzijds en de Taliban en andere verzetsbewegingen anderzijds. De bezettingsmacht blijft zich in naam van de geïnstalleerde regering met gewapend geweld in deze strijd mengen. Dat is een contradictie met het volkenrecht en het interventieverbod. Het is een algemeen volkenrecht verplicht principe dat men zich militair niet mengt in de interne conflicten. In dit intern Afghaanse conflict worden meer en meer Pakistan en andere landen uit de regio verwikkeld. Het is een gordiaans kluwen van geweld geworden, dat niet door buitenlands militair optreden kan opgelost worden aangezien dit er zelf deel van uitmaakt. De buitenlandse troepen moeten het land verlaten, er moeten onderhandelingen op gang gebracht worden tussen de strijdende partijen met deelname van de Taliban, en de buitenlandse hulp voor de wederopbouw moet worden opgedreven. Dergelijke werkwijze beantwoordt aan het volkenrechtprincipe qua oplossingen van geschilpunten.

De NAVO top in Lissabon had hier geen oren naar en is vastbesloten om het oorlogsavontuur verder op te drijven.

(Uitpers nr. 127, 12de jg., januari 2011)

 

Bron:Professer Gregor Schirmer Volkenrechtjurist

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 31 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook