Afghanistan : bij strijd om olie steekt het niet nauw

De Amerikanen strijden in Afghanistan om zeer concrete waarden, met voorop olie en aardgas. In die strijd steekt het absoluut niet nauw wie de bondgenoten zijn, onder wie oorlogsmisdadigers en extreme fundamentalisten. Andere waarden moeten desnoods sneuvelen, zoals de persvrijheid.

Met de opmars van de zogenaamde ‘Noordelijke Alliantie’ (die allesbehalve een alliantie is), is duidelijk geworden dat die opmars vooral te danken was aan de Amerikaanse bombardementen op de stellingen van de Taliban. De Amerikanen steunen vooral op de Oezbeekse krijgsheer Rashid Dostum. Turkije, lid van de Nato, bemiddelde tussen die krijgsheer en zijn Amerikaanse bondgenoot. Dostum was na de zege van de Taliban aan boord van zijn privé-jet (in een van de armste landen van de wereld) naar Turkije gevlucht.

Dostum is typisch voor het soort chefs met wie de Amerikanen werken. De man heeft jarenlang als een wrede tiran over Mazar-i-Sharif en omgeving geheerst. Hij maakte carrière tijdens het bewind van de (communistische) Democratische Volkspartij dat hem naar de Sovjet-Unie stuurde voor een militaire opleiding. Hij werd generaal van het regeringsleger en bouwde zich als chef van een eigen troepenmacht een imperium uit in Mazar-i-Sharif. Toen hij in 1992 het tij zag keren en bovendien misnoegd was over promoties in het leger, keerde hij zich tegen het regime. Ineens werd hij een bondgenoot van de Mudjaheddin die hij jarenlang wreedaardig had bestreden.

Dostum werd nadien berucht voor zijn wisselende bondgenootschappen. De ene keer met Ahmed Sjah Massoed, toen heerser in Kabul, de andere keer ertegen. Het is zeker Dostums ambitie niet om in Afghanistan een democratisch bewind met respect voor mensenrechten in te stellen. Hij is zeker niet de onbetwiste leider van de Oezbeken (ca 8 % van de bevolking), want in datzelfde gebied is er o.m. de concurrentie van Piram Qul die dicht bij Massoed stond en betere contacten heeft met Pathaanse chefs.

Veel andere ‘geallieerden’ zijn van hetzelfde kaliber. Mohammed Fahim is in theorie de militaire leider van de Noordelijke Alliantie, in feite van (een deel van) het Tadzjiekse deel ervan. Fahim was op het einde van de jaren ’80 de nummer twee van de geheime dienst van een regime dat toen veel weg had van een militaire dictatuur. Hij was de adjunct van Mohammed Najibullah die door een staatsgreep president werd tot hij in 1992, na het verraad van Dostum, van de macht werd verdreven.

Abdul Rassoul Sayyaf, een Pathaan, is een andere pion in de oorlog tegen de Taliban. Sayyaf vindt bovengenoemde «bondgenoten » goddeloze communisten met wie hij niet wil samenwerken. Hij werd in de lente van 2001 door de Pakistaanse geheime dienst gepolst als mogelijk premier van het Taliban-bewind! Dat is niet zo verwonderlijk, want inzake fundamentalisme zit hij op dezelfde golflengte als de Taliban. Hij stichtte twintig jaar geleden een van de extremistische bewegingen van de Afghaanse islam, de Ittihad-i-Islami, die evenals de Taliban sterk onder invloed staat van het radicale wahhabisme, wat niet vreemd zal zijn aan het feit dat hij altijd op gulle financiële steun uit Saudi-Arabië kon rekenen.

Hij kan een grote rol spelen, want de Amerikanen hebben Pathaanse leiders nodig om Pakistan gerust te kunnen stellen. De Pakistaanse militairen voelen zich bijna omsingeld omdat de Noordelijke Alliantie steun krijgt van India. Zij oefenen sterke druk uit ten gunste van Pathaanse chefs.

Daar vinden we onder andere Pir (een eretitel) Sayyed Ahmed Gailani, chef van een zeer belangrijke feodale clan die verwant is met ex-koning Zahir Sjah. Hij is naast (zeer rijke) clanchef ook nog de leider van een soefi-genootschap dat wijd verspreid is en hem een extra-aureool geeft. Maar zelfs binnen zijn clan wordt hij betwist door andere feodale heren.

Om de Pakistaanse militairen te plezieren, kunnen de Amerikanen ook de steun zoeken van

twee andere krijgsheren uit Kandahar. Mollah Naqib was tot aan de komst van de Taliban in 1994 de grote krijgsheer van Kandahar en als Pathaan lid van de Jamiat-i-Islami van Massoed en ‘president’ Burnuhaddin Rabbani. Van deze laatste, die intussen weer op het toneel verscheen, wordt vaak gezegd dat hij uitblinkt door zijn volslagen gebrek aan enig zicht op de toekomst van het land. Naqib kon onder het Taliban-bewind rustig voortleven van het fortuin dat hij als commandant had opgebouwd in de strijd tegen de Sovjettroepen…

Ook in Kandahar zit Haji Bachar, een man die zeer rijk werd in de opiumhandel en die de Taliban betaalde om zijn concurrenten uit te schakelen. Er is ook nog gewezen gouverneur Gul Agha die in diezelfde regio een grote troepenmacht heeft en afwachtte wie zou winnen om zich, tegen betaling, aan de zijde van de overwinnaars te scharen.

Intussen speelt Gulbuddin Hekmatyar, eveneens Pathaan, in reserve. Hij zit al een tijdje in Iran, al was hij tot 1994 dé man van de Pakistaanse geheime dienst en van de CIA. Ook Hekmatyar moet inzake fundamentalisme niet onderdoen voor de Taliban. Maar zijn anti-Amerikaanse posities maken hem niet direct geliefd bij Washington, alhoewel op dat vlak niets is uit te sluiten. Want Washington heeft op het Afghaanse terrein al raardere sprongen gemaakt.

Het ruikt hier naar olie

Ook na de opmars van de Taliban in 1994 wisselde Washington met groot gemak het geweer van schouder. Fundamentalist Hekmatyar werd gedropt ten gunste van de fundamentalistische Taliban. Want Hekmatyar was er niet in geslaagd na de zege van de Mudjaheddin in 1992 de macht in Kabul te veroveren en een regime te vestigen dat volledig rekening zou houden met de belangen van Pakistan en de Verenigde Staten die de beweging van Hekmatyar zo gul gesteund hadden.

De Amerikaanse belangen waren niet louter diplomatiek. Oliemaatschappijen zagen na de implosie van de Sovjet-Unie het belang in van Afghanistan als doorvoerland voor de grote olie- en aardgasrijkdommen uit de nieuwe staten in Centraal-Azië. Vooral de maatschappij Unocal was erg actief in het overleg met de Taliban. Het was opvallend hoe die Taliban, met grote militaire bijstand van de Pakistani, in hun eerste opmars een gebied veroverden dat zich uitstrekte van de olierijke staat Turkmenistan tot Pakistan, precies een regio waar een pijpleiding kon doorlopen van de olie- en aardgasvelden tot Karachi. Unocal bekwam dat de Amerikaanse diplomatie die toenadering tot de Taliban volop steunde.

Om een pijpleiding te leggen, was het echter noodzakelijk dat er een stabiel regime kwam dat het land volledig controleerde. En dat was niet het geval, de oorlog bleef ook na de inname van Kabul door de Taliban in 1996 aanslepen. Washington mikte op de Uno om Afghanistan te pacifiëren. De Amerikanen beseften dat dit niet kon zonder de medewerking van de grensstaten van Afghanistan die allemaal bij de oorlog betrokken waren en zonder Rusland dat troepen aan de grens had en de troepen van Massoed actief ondersteunde. Vandaar de formule 6 (grensstaten, waaronder China) plus 2 (VS en Rusland) die de Uno in haar bemiddelingen gebruikte.

Met de aan Osama Bin Laden toegeschreven aanslagen op VS-ambassades in Afrika in augustus 1998, lagen de kaarten voor Washington weer anders. Washington onderhandelde met de Taliban over de uitlevering van Bin Laden en de vorming van een ‘nationale regering’. Ook de chef van de Saudische geheime dienst, prins Turki al-Faysal, ging minstens twee keer met Talibanchef mollah Omar onderhandelen over die uitlevering. In ruil beloofde Washington dat het Taliban-regime op termijn internationaal zou worden erkend – alleen Pakistan, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten erkenden dat bewind ondanks het feit dat het jarenlang onafgebroken 90 procent van het grondgebied in handen had. (In België geldt de regel dat men staten en geen regimes erkent, maar dat gold niet voor Cambodja waar het bewind van de Rode Khmers jarenlang erkend bleef en gold ook niet voor Afghanistan). Een Uno-resolutie met sancties tegen het Taliban-bewind voerde mee de druk op.

De Taliban-chefs in Kandahar gaven toe aan enkele eisen van de Uno (en de VS), onder meer door de opiumproductie te verbieden, maar kregen niets in ruil. Dat verklaarde mee de verwoesting van de boeddhabeelden in Bamiyan begin 2001. Zowel de Uno als de VS herleidden hun eis feitelijk tot de uitlevering van Bin Laden.

Na het aantreden van George W. Bush begin 2001 werden de contacten met de Taliban opgevoerd. Tussen maart en augustus kwamen delegaties van de Taliban naar Washington, waar ze in de zomer werden ontvangen door Christina Rocca, een gewezen kopstuk van de CIA voor de regio Pakistan-Afghanistan die jarenlang instond voor de contacten met Hekmatyar en andere chefs van het verzet. De Taliban kregen een wortel voorgehouden: doorbreken van het isolement en grootscheepse hulp voor de wederopbouw, en er werd met een stok gezwaaid: militaire interventie. In beide scenario’s kwam het voor Washington op hetzelfde neer: een bevriend regime in Kabul (om het even met wie) dat het land controleert, zodat er werk kan worden gemaakt van een pijpleiding. Een van de huidige topadviseurs van Bush inzake Afghanistan is Zalmay Khalizad, een man van Unocal die van 1995 tot 1998 met de Taliban onderhandelde over het traject van een pijpleiding.

In die periode, na het aantreden van Bush, werd weer het idee gelanceerd van een ‘Loya Jirga’, een grote vergadering van clanchefs, om in Afghanistan tot een nationale regering te komen. Het idee om de ex-koning weer naar voor te schuiven, dateert van enkele maanden vóór de aanslagen van 11 september.

Muilband

Al die zaken zijn gekend, ze staan in officiële Uno-rapporten. Toch heeft een zeer groot deel van de Amerikaanse media daar niet over gerept, uit een patriottische reflex die elke kritische benadering in de weg stond. "Een patriottisch post-Vietnam syndroom", zegt Freimut Duve, ‘toezichter’ van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa inzake persvrijheid. (Le Monde 7.11.2011). "Zodra een land vindt dat het in een oorlog zit, wordt de vrijheid van informatie in dat land beknot", zegt hij, verwijzend naar het feit dat drie journalisten werden ontslagen omdat hun werkgever hun berichtgeving negatief vond. "Er zal ooit een zelfkritiek moeten worden gemaakt voor de wekenlange totale stilte". Duve verwijst bij voorbeeld naar het quasi ontbreken van elke verwijzing naar de steun die Washington de Taliban verleende.

Duve merkt op dat de Europese media kritischer waren dan de Amerikaanse, "ook al waren er reacties van ‘raak niet aan onze Amerikaanse partner’".

Het Amerikaans bewind heeft ook getracht buiten eigen land de media te muilbanden. Op Amerikaans verzoek verbood de Pakistaanse regering op 6 november de dagelijks persconferenties van de Taliban-gezant en zijn tolk in Islamabad. Want dat was kwalijke propaganda tegen een bevriend land. Tegelijk zetten de Amerikanen een grootscheepse propagandacampagne op touw om de Pakistaanse pers onder druk te zetten. Ook in andere landen trachtte de VS-ambassade kritische stemmen te smoren.

(Uitpers, december 2001)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 37 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook