Achter het masker van de Israëlische democratie

Jonathan Cook, ‘Blood and Religion. The Unmasking of The Jewish and Democratic State’, Pluto Press, Londen, 2006, 222 blz., 22,50 euro, ISBN 0-7453-2555-6.

Met ‘Blood and Religion’ heeft de Britse journalist Jonathan Cook een boek geschreven dat tot de kern van het Israëlisch-Palestijnse conflict doordringt: namelijk het bestaan van een joods-zionistische staat, die niet van plan is zich in het Midden-Oosten te integreren, geen enkele intentie heeft een echte democratische staat te worden en als belangrijkste strategische doel heeft voor eeuwig, altijd en onomkeerbaar een joodse meerderheid te behouden in een land waar de Palestijnen ooit de meerderheid vormden (en dat in de nabije toekomst opnieuw zullen doen). Kortom, Israël is een apartheidsstaat en met zo’n staat is het onmogelijk om een vredesproces te beginnen, laat staan effectief tot vrede te komen.

Slechts weinig auteurs hebben de politieke moed en de intellectuele eerlijkheid om het probleem vanuit deze essentiële invalshoek te bekijken. Jonathan Cook legt de fundamentele pijlers van de zionistische staat bloot. Hij is correspondent geweest van een stel gerenommeerde bladen als The Guardian, The Observer, The Times, The International Herald Tribune en Le Monde diplomatique. Cook is gehuwd met een Palestijnse en woont al geruime tijd in de Palestijnse stad Nazareth, die sinds 1948 tot het Israëlische grondgebied behoort.

Zonder ‘verdachte’ bronnen

Cook is er zich scherp van bewust dat schrijven over de werkelijke achtergronden van het Israëlisch-Palestijnse conflict een erg delicate onderneming is. Dat blijkt meteen uit de openingsparagraaf van zijn boek. Hij kent de valkuilen op zijn weg. En hij maakt zijn lezers meteen duidelijk hoe de Israëlische hasbara (Hebreeuws voor ‘propaganda’ en ‘desinformatie’) werkt: al wie fundamentele (en zelfs minder fundamentele) kritiek heeft op de staat Israël, is een antisemiet. En hij vertelt er meteen bij hoe hij deze hasbara wil omzeilen.

“Slechts weinige opdrachten zijn uitdagender dan schrijven over Israël”, zo opent Jonathan Cook. “Wie op een intelligente manier wil berichten over de gebeurtenissen of wie een commentaar wil schrijven over het Israëlisch-Palestijns conflict, kan wel eens de indruk krijgen dat alle moeite vergeefs is. De verdedigers van de staat Israël zijn erin geslaagd elk woordgebruik in verband met de universele rechten van de mens en gerechtigheid te bannen uit het debat over de joodse staat. Dat zijn nochtans waarden die we gebruiken om andere problematische conflicten te beoordelen. In het geval Israël is de apologetische cultuur inmiddels stevig ingeburgerd geraakt in het Westen, meer bepaald binnen de Europese en de Amerikaanse joodse gemeenschap. De apologeet beschikt over een goed uitgeteste strategie. Als een criticus van de staat Israël zijn gelijk haalt door een incident of een voorbeeld naar voren te schuiven, staat de verdediger van de staat Israël meteen klaar met een tegenincident en een tegenvoorbeeld, hoe irrelevant ook. Daarmee zal de apologeet suggereren dat zijn opponent zijn dossier niet beheerst of dat zijn motieven verdacht zijn: de antisemitische canard ligt meteen klaar.”

Jonathan Cook weet uit ervaring dat “dit soort praktijken niet echt op kunnen tegen echte, betrouwbare argumenten, maar ze blijven erg succesvolle trucs. De geloofwaardigheid van de criticus kan onderuit gehaald worden door een stroom lezersbrieven of schadelijker nog door hoofdredacteuren die in opdracht werken, zich gedragen als de waakhonden van de media en uiteindelijk beslissen of een bericht of een commentaar al dan niet gepubliceerd wordt. Kritische auteurs die een bijdrage willen leveren tot de mainstream media moeten ofwel een niet te aanstootgevende, verwaterde terminologie gebruiken die aanvaardbaar is voor de apologeten, ofwel eindeloos veel tijd, energie en kostbare ruimte investeren om achteraf kritiek te leveren op de manier waarop hun informatie verdraaid werd. Een en ander heeft tot gevolg dat het debat over Israël overschaduwd wordt door banaliteiten, pedanterieën en obscurantisme. Ik heb getracht deze valstrikken te vermijden. Ik weet dat ik hiermee sommige lezers tegen mij in het harnas zal jagen. Zonder enige twijfel loop ik hiermee het risico van antisemitisme te worden beschuldigd. Waar mogelijk heb ik daarom op de eerste plaats hooggeplaatste Israëlische politici en topambtenaren geciteerd om mijn argumentatie te onderbouwen. Ik haal voornamelijk Israëlische publicaties aan, ook al bevestigen ze gewoon wat ik als reporter zelf heb geobserveerd en ervaren. Het grootste deel van mijn eindnoten verwijzen naar artikelen en interviews uit de Israëlische kranten Ha’aretz en Jerusalem Post. Meestal heb ik niet-Israëlische en Arabische bronnen aan de kant gelaten, niet omdat ik aan hun betrouwbaarheid twijfel, maar omdat ze minder overtuigend zullen klinken voor al wie mijn argumentatie zal trachten te verwerpen.”

‘Israëlische Arabieren’

Jonathan Cook geeft zijn boek een tweede titel mee: ‘The Unmasking of The Jewish and Democratic State’ (de ontmaskering van de joodse en democratische staat). Qua ontmaskering is zijn boek ijzersterk. En eigenlijk had hij even goed kunnen kiezen voor de bijtitel: ‘Waarom Israël geen vrede wil’.

Wat is eigenlijk het grondprobleem van het Israëlisch-Palestijns conflict? Het fundamentele probleem voor de Israëli’s is dat er Palestijnen bestaan. Het Palestijnse volk telt drie belangrijke segmenten. Op de eerste plaats zijn er de Palestijnen die in 1948 na een etnische zuivering zijn verdreven (deze Palestijnen en hun nazaten vormen nog steeds de meerderheid van het Palestijnse volk – meer dan vijf miljoen). Bij deze groep horen uiteraard ook de Palestijnse vluchtelingen van 1967. Vervolgens zijn er de Palestijnen die sinds 1967 onder militaire bezetting leven (twee en half à drie miljoen). En tenslotte zijn er de ‘Israëlische Arabieren’. Ze zijn met meer dan één miljoen en vertegenwoordigen zowat 20% van de Israëlische bevolking. De auteur steekt zijn aversie voor de term ‘Israëlische Arabieren’ niet onder stoelen of banken, omdat hij duidelijk aantoont hoe de staat Israël er alles aan doet om deze belangrijke minderheid binnen de joodse staat niet als ‘Palestijnen’ te bestempelen.

Voor Jonathan Cook is de behandeling die de Palestijnse minderheid ondergaat in Israël “de sleutel om de obstakels te begrijpen, die een vreedzame oplossing van het Israëlisch-Palestijns conflict in de weg staan”. “Het vastberaden verzet van de Israëlische staat en de joodse publieke opinie om een einde te maken aan de discriminatie van de Palestijnen in Israël zelf en hun hardnekkige weerstand om een echte democratische staat te creëren, zijn allesbehalve symptomen van voorbijgaande aard: integendeel ze zijn een onderdeel van de bron van dit conflict. Israël is niet in staat te democratiseren – met andere woorden te zorgen voor een gelijkberechtigde status van joden en Arabieren. Want als het dit zou doen, moet het noodzakelijkerwijze kiezen voor het pad van de ‘Wiedergutmachung’ voor de misdaden die het heeft begaan in 1948: namelijk de massale verdrijving van de inheemse bevolking en de onteigening van het Palestijnse volk. Dat zou meteen het startschot zijn voor een historisch zelfonderzoek”

Democratie en zionisme rijmen niet…

Maar dat is ondenkbaar, aldus Jonathan Cook. Al decennialang “staat een afgetekende meerderheid van Israëlische joden erop dat de rechten van de Israëlische Arabieren streng worden beknot. De jongste jaren zijn de Arabische burgers in Israël de erkenning beginnen eisen van hun Palestijnse identiteit en dringen ze aan op een herdefiniëring van hun land, die ‘een staat van al zijn burgers’ moet worden. Tegelijk staat er dan een duidelijke meerderheid van joden op, die haar steun betuigt aan de ‘transfer’ van de Palestijnen, een eufemisme voor etnische zuivering, die moet gebeuren door de Palestijnen ‘aan te moedigen’ om te emigreren of door hun gewelddadige verwijdering”.

De basisidee van het zionisme staat haaks op de notie van democratie. “Het moderne, zionistische concept van de staat Israël – een staat die tot doel heeft een geprivilegieerde plaats te bieden aan de joden in het Beloofde Land en die plaats met alle mogelijke middelen te verdedigen – ziet diefstal van eigendom van ‘niet-joden’ door de vingers, moedigt het gebruik van repressie en geweld aan tegen afwijkende meningen en sanctioneert de demografische evolutie om een bevolkingsgroep in bedwang te houden, die een bedreiging vormt voor de numerieke superioriteit van de joden. Om de idee van een joodse staat te rechtvaardigen worden desinformatie en verdraaiing van de feiten tot deugd verheven – de Israëli’s noemen dit hasbara. Dit beleid is gerechtvaardigd omdat in de overtuiging van de meerderheid van de joden de aanwezigheid van een belangrijk aantal Palestijnen op hun grondgebied een bedreiging is voor de belangen van de joodse staat als een staat die de joden privilegieert.”

Cook stelt dat de Israëli’s “door twee prisma’s naar de eigen Palestijnse bevolking kijken: veiligheid en demografie.” Hij gaat uitvoerig in op een bijzonder traumatische ervaring die de Israëlische Palestijnen hebben beleefd in 2000, toen de tweede intifada losbarstte en de Israëlische regering onder leiding van de premier van de Arbeiderspartij en voormalig generaal, Ehud Barak, speciale eenheden en scherpschutters inzette tegen betogingen van de Palestijnen in Nazareth, Umm el Fahm en andere Palestijnse steden en gemeenten in Israël. Er vielen toen dertien doden. De Israëlische regering moest een onderzoekscommissie instellen onder leiding van rechter Theodor Or.

Cook beschrijft met een vracht details hoe de top van politie en leger doelbewust en vanuit een diep geworteld racisme bikkelhard is opgetreden tegen de Palestijnse betogers in Israël, terwijl extreem-rechtse joodse betogers op hetzelfde ogenblik met fluwelen handschoenen werden aangepakt.

De commissie Or en het gerechtelijk onderzoek naar de 13 Palestijnse doden zijn een aanfluiting van alle principes waarop een rechtstaat is gebaseerd. Het eindrapport van de commissie Or (met een aantal vrome intentieverklaringen om de situatie van de Israëlische Palestijnen draaglijker te maken en zonder enige sanctie tegen de verantwoordelijken van de bloedige onderdrukking van de Palestijnse betogingen) werd door premier Sharon verticaal geklasseerd. De verantwoordelijken van de politie, die in het rapport met naam werden genoemd, werden door Sharon één voor één gepromoveerd.

Glazen muur, betonnen muur

Heel typerend voor deze onderzoekscommissie (die bijna drie jaar gewerkt heeft) is volgende anekdote. Bij het begin van de werkzaamheden van de commissie gaat het er af en toe heftig aan toe in de gerechtszaal. Palestijnen en Israëlische politie-officieren en -agenten staan geregeld op het punt mekaar in de haren te vliegen. Rechter Or laat daarop in de gerechtszaal een glazen muur bouwen, waardoor beide partijen volkomen van elkaar gescheiden zijn. Fotografen en cameralui, die de zittingen volgen, kunnen deze glazen muur niet in beeld brengen. Voor de buitenwereld lijkt het alsof beide partijen ‘gelijkberechtigd’ in dezelfde gerechtszaal zitten, terwijl de Palestijnen achter een glazen wand worden opgesloten. De parallel tussen hun glazen muur en de betonnen muur voor hun volksgenoten op de Westelijke Jordaanoever ligt voor de hand.

De glazen muur in Israël en de betonnen muur op de Westelijke Jordaanoever hebben echter hetzelfde effect. De glazen muur in Israël sluit de Palestijnen uit, maar moet de buitenwereld doen geloven dat de Palestijnen in Israël zijn opgenomen als burgers met gelijke rechten. De betonnen muur op de Westelijke Jordaanoever sluit de Palestijnen uit (beter: sluit de Palestijnen op in getto’s of openluchtgevangenissen) en aan de buitenwereld wordt de illusie voorgehouden dat de Palestijnen achter deze muur vroeg of laat “een eigen soevereine staat” zullen krijgen.

‘Een staat van alle burgers’

Vanaf 1999 heeft Azmi Bishara, een Palestijnse verkozene in het Israëlisch parlement (Knesset) het politieke programma van de ‘Israëlische Arabieren’ in een korte maar krachtige leuze samengevat: “Israël moet de staat van al zijn burgers zijn”. Een naïeve buitenstaander zal zeggen: dat klopt – elke democratische staat is immers de staat van al zijn burgers”.

Niet zo in Israël. Een louter democratische eis wordt er beschouwd als een bedreiging voor de veiligheid van de joodse staat en voor het voortbestaan van de demografische suprematie van de joden.

Generaal en premier van de Arbeiderspartij, Ehud Barak, vatte deze grondhouding van de zionisten perfect samen. “Wij worden geconfronteerd met een problematisch fenomeen, met een poging om het democratisch proces te gebruiken om de fundamenten van de staat te ondermijnen. Zij roepen op tot een binationale staat, die uiteindelijk zal leiden tot een staat met een joodse minderheid.”

Met ‘zij’ bedoelde Barak Azmi Bishara en zijn politieke partij, de Nationaal Democratische Vergadering. Volgens Barak zijn de ‘Arabische’ Knessetleden de “speerpunt om Israël van binnenuit te verzwakken en indien mogelijk te vernietigen.”

Cook citeert uit een interview van Barak met de New York Review of Books:

“Zij zullen aansturen op een binationale staat en de natuurlijke, demografische evolutie zal uiteindelijk leiden tot een staat met een moslimmeerderheid en een joodse minderheid. Dat hoeft niet noodzakelijk te leiden tot een verdrijving van de joden. Maar het zal wel de vernietiging van Israël als joodse staat betekenen. Ik geloof dat dit uiteindelijk hun ware visie is. Zij zullen hier niet vaak openlijk over spreken. Maar het is wel degelijk hun overtuiging.”

De kritische, Israëlische ‘nieuwe historicus’, Avi Shlaim, had het in volgende bewoordingen over Barak: “elke ontwikkeling in de regio, met inbegrip van het vredesproces, wordt bekeken vanuit het smalle perspectief van de Israëlische veiligheidsnoden. En deze noden worden tot in het absurde opgeblazen, om niet te zeggen dat ze onverzadigbaar zijn. Het is niet echt een overdrijving te stellen dat Barak de diplomatie benadert alsof ze de uitbreiding van de oorlog is met andere middelen.”

Cook citeert Barak, die zegt dat de ‘Israëlische Arabieren’ de “vijfde colonne” zijn, “het tweede front”, “de binnenlandse vijand”. Opvattingen die uiteraard gedeeld worden door die andere voormalige generaal, Ariel Sharon.

Democratie – in de strikte zin van het woord: een staat voor al zijn burgers – wordt in Israël als een bedreiging van het zionistische project beschouwd. Van 1996 tot 2001 (tijdens drie nationale verkiezingscampagnes) konden de Israëli’s rechtstreeks hun premier verkiezen. Uiteindelijk werd dit systeem afgeschaft omdat de ‘Arabische’ kiezers te veel gewicht in de schaal begonnen te leggen. Het was namelijk één van de zeldzame keren dat de Israëlische Palestijnen een beslissende stem in het kapittel hadden over de (voor hen overigens volstrekt onbelangrijke) vraag of de volgende premier door Likoed of door de Arbeiderspartij zou worden geleverd.

Cook haalt toppolitici van Likoed en de Arbeiderspartij aan die hun bezorgdheid uitspreken over de toenemende impact van ‘Arabische kiezers’: “vroeg of laat beslissen zij mee over het vredesproces, de onderhandelingen met de Palestijnse leiders in de bezette gebieden, hebben zij een beslissende stem als het gaat over het vastleggen van definitieve grenzen van de staat Israël.”

Barak en Sharon waren er rotsvast van overtuigd dat Yasser Arafat een strategie met twee sporen volgde. In de bezette gebieden organiseerde hij de intifada (ook al klopt daar volgens de rapporten van de Shin Beth – de binnenlandse veiligheid van de staat Israël – niets van. Arafat werd overweldigd door de tweede intifada en deed aanvankelijk alles om deze opstand te stoppen). Aan de andere kant manipuleerde hij de ‘Israëlische Arabieren’ met hun eis voor ‘een staat voor alle burgers’.

‘Liberale’ pers en ‘nieuwe historici’

Ook de verlichte, ‘liberale pers’ in Israël beschouwt de eis tot reële democratie van de Israëlische Palestijnen als een levensbedreigend gevaar. De media beïnvloeden de Israëlische publieke opinie, waarvan een verpletterende meerderheid achter de zionistische leiders staat. Sharon werd in februari 2001 met 67% van de stemmen tot premier verkozen. Op hetzelfde ogenblik bleek uit een belangrijke opiniepeiling dat eenzelfde percentage van de Israëlische bevolking zich uitsprak voor de radicaalste van alle maatregelen tegen het Palestijnse volk: de transfer – een eufemisme voor een herhaling van de etnische zuivering van 1948.

Uzi Benziman, een topjournalist van de ‘liberale’ krant Ha’aretz (die over de beste bronnen beschikt binnen het leger en de veiligheidsdiensten), schreef zonder verpinken: “in de ogen van het leger en vermoedelijk ook van de Shin Beth, is het discours van de Arabische burgers over democratisering en een staat voor alle burgers het ideologisch equivalent van de Palestijnse zelfmoordbom.”

Voor Cook is dat één van de opmerkelijkste trends in de publieke opinie: de geest van 1948 is weer volledig ‘in’. Eén van de sterkste illustraties hiervan is de ommezwaai die de nieuwe historicus Benny Morris heeft gemaakt – algemeen beschouwd als een ‘linkse’, die in de jaren ’80 als eerste op basis van Israëlisch bronnenmateriaal heeft aangetoond dat Israël in 1948 is ontstaan als gevolg van een etnische zuivering. Morris is inmiddels een fervente aanhanger geworden van de ‘transfer’ van alle Palestijnen. Hij is van oordeel dat “Ben Goerion in 1948 de job niet volledig heeft afgewerkt”.

Dat Arafat een twee sporenstrategie zou hebben gehad, wordt door Cook op een vrij eenvoudige manier doorprikt. Barak had tijdens de verkiezingscampagne van 2003 geen schijn van een kans tegen Sharon als hij niet kon rekenen op de ‘Arabische stemmen’ in Israël. Tijdens de campagne deed hij een aantal ‘gestes’ om het Palestijnse electoraat voor zich te winnen. Maar te laat. De leiders van de Israëlische Palestijnen riepen op tot een boycot van de verkiezingen. Arafat riep de Palestijnen in Israël op om voor Barak te stemmen – omdat hij geloofde dat hij beter zaken kon doen met de Arbeiderspartij dan met Likoed. Slechts 18% van de Palestijnse kiezers ging stemmen en Barak kreeg een geweldige dreun. De ‘vijfde colonne’ had met andere woorden Arafat straal genegeerd.

Het vredesproces ontmaskerd

Met de bezetting van de Palestijnse gebieden in 1967, palmde de staat Israël het laatste deel van het historische Palestina in. Qua gebiedsuitbreiding en verdere stap naar het ‘Grote Israël’ (Eretz Israel) kon deze veroveringsoorlog tellen. Het fundamentele probleem waarmee de zionisten vanaf het begin kampten, bleef echter onopgelost: de staat Israël – samen met de bezette gebieden – zou niet lang een ‘joodse’ staat zijn.

Jonathan Cook analyseert het ‘vredesproces’ en de Oslo-akkoorden vanuit deze vaststelling. Wat was het Osloproces? Het was een politieke keuze van de Arbeiderspartij om de Palestijnse leiders aan de tafel te krijgen en te doen instemmen met de erkenning van de staat Israël als een zionistische staat en met een volledige boedelscheiding – een strakke scheiding tussen Israëli’s en Palestijnen op zeer dubieuze gronden. Oslo was niet gebaseerd op het internationaal recht of de VN-resoluties, maar op vage afspraken voor een herschikking van de Israëlische troepen, de niet-ontmanteling van de zionistische kolonies en de belofte dat er na vijf jaar besprekingen over het definitief statuut van de bezette Palestijnse gebieden zouden komen.

Israël heeft de uitvoering van de Oslo-akkoorden systematisch gedwarsboomd. Cook toont aan dat Rabin eigenlijk nooit echt overtuigd is geweest van de haalbaarheid van een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. Voor de buitenwereld toonde hij zich een voorstander van een Palestijnse staat. In de feiten bleef hij echter een tegenstander. Eén van zijn onderhandelaars, Yossi Beilin (een als vredesduif en ‘linkse’ politicus bekendstaande leider van de Meretzpartij), was wel een vurig aanhanger van de oprichting van een Palestijnse staat, maar met precies dezelfde argumenten waarmee Rabin en Barak (binnen de Arbeiderspartij) en Sharon (binnen het rechtse,Likoedblok) zich tegen een Palestijnse staat kantten.

Jonathan Cook citeert Yossi Beilin, die elke stap in het Osloproces van nabij heeft meegemaakt. “De echte vraag die ik me de voorbije tien jaar elke dag heb gesteld is wat er zal gebeuren als er een Arabische meerderheid bestaat ten westen van de Jordaan. Wat zal er gebeuren als het aantal Arabieren, dat Israëlisch staatsburger is, en het aantal Arabieren, dat onder Israëlisch bestuur is geplaatst, het aantal joden overtreffen? Dat ogenblik is heus niet zo ver meer af. Als die dag aanbreekt en we beschikken niet over een grens, breekt de hel los. Ik wil er niet eens aan denken wat er op dat moment zal gebeuren. Het zal in ieder geval het einde zijn van de zionistische idee. Wat ik dus zeg is dat een Palestijnse staat de reddingsboei is voor de joodse staat.”

Naarmate het Osloproces verzandde en de kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever (vooral onder Labourpremiers) steeds sneller voortschreed (sinds Oslo tot het begin van de tweede intifada – of van 1993 tot 2000 – was onder respectievelijk Rabin, Peres, Nethanyahu en Barak het aantal kolonisten op de Westbank nagenoeg verdubbeld van 100.000 kolonisten tot 191.000), werd het plan voor de oprichting van een Palestijnse staat opgegeven.

De zionisten stuurden aan op volledige afscheiding, zonder verder overleg met de Palestijnse leiders, dus met eenzijdige stappen. Jonathan Cook legt heel dit proces bloot. Hij laat daarbij alle belangrijke politieke leiders en adviseurs van de regering aan het woord laat. Dat streven naar unilaterale stappen is geen monopolie van Ariel Sharon. Cook toont zeer goed gedocumenteerd aan dat onder Rabin en Barak de plannen voor de bouw van de muur rond de Westelijke Jordaanoever vorm kregen. Hij stelt een beetje spottend vast dat niemand “kan zeggen wie het peterschap over de muur nu echt mag claimen: Rabin postuum (hij werd in 1995 vermoord) of Barak?” Feit is echter dat onder Sharon de bouw van de muur werd aangevat en dat hij van de gelegenheid gebruik maakte om het traject ervan nog dieper op Palestijns grondgebied te laten doordringen (om nog meer grond en waterbronnen van de Palestijnen in te palmen en later definitief te annexeren).

Eenzijdige koers van Sharon

In 2005 ging Sharon zelfs over tot een nieuwe unilaterale stap – die in heel de Westerse wereld verkeerd werd ingeschat en werd toegejuicht als “een Israëlische toegeving”: de terugtrekking (disengagement) van kolonisten en bezettingstroepen uit de Gazastrook. Dit soort disengagement was al gepland door Rabin. Trouwens, zo toont Cook aan, Ehud Barak was de eerste die in de praktijk aantoonde dat disengagement uit gebieden waar Israël het veel te moeilijk had om zich te handhaven, voortaan tot het Israëlische beleid moest horen. In 2000 trok hij zich hals over kop terug uit het Zuid-Libanese wespennest, waar honderden Israëlische soldaten waren gesneuveld bij niet aflatende schermutselingen met de guerrilla van Hezbollah.

De afscheiding werd een ideologische (racistische) keuze van het zionisme, die stilaan door alle belangrijke politieke fracties wordt gedragen en door de meerderheid van de Israëli’s wordt toegejuicht en gesteund. Wanneer Sharon zijn troepen en kolonies terugtrekt uit Gaza in 2005 (zonder evenwel de omsingeling van de Gazastrook en de permanente bewaking van de Palestijnse bevolking op te geven), verklaart hij aan een stel journalisten, dat hem naar Washington begeleidt:“er bestaat geen enkele reden om ons achter veiligheidsargumenten te verschuilen. Het gaat hier om het voortbestaan van de staat Israël. De joden beschikken slechts over een klein land en moeten er alles voor doen opdat dit land in de toekomst een joodse staat blijft. We kunnen Gaza niet eeuwig behouden. Er leven daar een miljoen Palestijnen en hun aantal verdubbelt met elke nieuwe generatie.”

Zijn vice-premier en veteraan van de Arbeiderspartij, Shimon Peres, dacht er precies hetzelfde over. Tijdens een interview voor het BBC-programma Newsnight verklaarde hij: “wij trekken ons uit Gaza terug omwille van de demografie”.

Sharon was trouwens van plan om zijn disengagementpolitiek verder te zetten. Alleen heeft hij het vanwege zijn plotselinge hersenbloeding aan zijn opvolger moeten overlaten. Sharon en Olmert zijn bereid een aantal kolonies op de West Bank af te stoten om de essentie van de kolonies (de grote blokken, die strategisch gelegen zijn en waar de meerderheid van kolonisten is gevestigd) te behouden.

De Palestijnen zullen dan verder moeten overleven in hun bantoestans.

En ook hier citeert Cook veel belangrijk volk: op termijn hopen de zionisten dat het in deze Palestijnse getto’s en enclaves zo moeilijk wordt dat de meeste Palestijnen van ellende zullen emigreren naar betere oorden.

‘Weg met de road map’…

Jonathan Cook wijst nog op een ander aspect van de terugtrekking uit Gaza, dat wellicht nergens in de westerse pers aan bod is gekomen. Door zich terug te trekken uit Gaza, wilde Sharon kost wat kost het ‘road mapplan’ van George Bush kelderen. De Amerikaanse president had dit plan uitgedokterd in nauw overleg met het beruchte ‘kwartet’ (de VN, de Europese Unie, de VS en Rusland). Bush bleef daarbij uitgaan van ‘onderhandelingen’ en zelfs van de oprichting van een Palestijnse staat. En Sharon (net zoals de leiders van de Arbeiderspartij) waren niet langer van plan met de Palestijnse leiders rond de tafel te gaan zitten. Arafat had afgedaan – zijn opvolger eveneens en met Hamas kon er al helemaal niet gepraat worden.

Dus charmeerde generaal Sharon Bush met een “moedige, eenzijdige stap”. De terugtrekking uit Gaza werd in die termen door Bush toegejuicht. En wat later bleek dat de stunt van Sharon zijn doel niet had gemist. Bush gaf zijn fiat aan de de facto annexatie van de grote kolonieblokken op de West Bank. Van een “viable, contiguous, sovereign and independent Palestinian state” was er in het Witte Huis na de terugtrekking uit Gaza geen sprake meer.

Op 2 oktober 2005 schreef Bush in een brief aan Ariel Sharon: “in het licht van de nieuwe realiteiten op het terrein, met inbegrip van de belangrijke, reeds bestaande Israëlische bevolkingscentra, is het onrealistisch te verwachten dat het eindresultaat van de onderhandelingen over de final status een volledige terugkeer naar de wapenstilstandslijnen van 1948 zal zijn.”

Om zich terug te trekken uit Gaza en om nieuwe unilaterale stappen te zetten (namelijk de uittekening van (voorlopig) definitieve grenzen van de staat Israël – het belangrijkste programmapunt van de regering Olmert) was Sharon bereid zijn eigen Likoedpartij op te blazen om samen met Shimon Peres de nieuwe partij ‘Kadima’ op te richten. Het politieke establishment bestaat niet langer uit links en rechts (zoals dat meestal in de mainstream pers wordt genoemd). De politieke elite bestaat voortaan uit leiders die slechts één doel voor ogen hebben: de Palestijnen verder marginaliseren (en liefst doen capituleren), de essentie van de zionistische kolonies consolideren en definitief bij Israël inlijven en ervoor zorgen dat Israël een zuiver joodse staat blijft.

‘Israëlische Arabieren’ in de tang

De keuze voor ‘eenzijdige stappen’ en het opgeven van het ‘onderhandelingsproces’ zal ook zeer verregaande gevolgen hebben voor de ‘Israëlische Arabieren’. Cook mag zelfs zonder enige overdrijving een prediker in de woestijn worden genoemd. De mainstream media – maar ook de alternatieve media, die zich kritisch buigen over het Israëlisch-Palestijnse conflict – berichten zelden of nooit over Israël zelf en over de manier waarop de Palestijnse minderheid er wordt behandeld.

Het vastleggen van (voorlopig) definitieve grenzen van de staat Israël, zoals de Kadima-Labourregering van Ehud Olmert, Shimon Peres en Amir Peretz in haar programma heeft ingeschreven, zal gepaard gaan met een nog scherpere ‘ethnic separation’ binnen de staat Israël.

Wat is de bedoeling? Als de ‘internationale gemeenschap’ Israël uiteindelijk dwingt een Palestijnse staat te aanvaarden (in de bantoestans achter de muur en in Gaza) zal Israël de ‘little triangle’ met belangrijke Palestijnse bevolkingsconcentraties, zoals Umm el Fahm, afstoten en onder Palestijns gezag plaatsen. En de Palestijnen in Galilea zullen een status krijgen die kan worden vergeleken met die van de joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever vandaag. De kolonisten wonen op dit ogenblik immers op vreemd grondgebied, maar zijn Israëlische staatsburgers. Ze zijn onderworpen aan het Israëlisch recht en nemen deel aan de Israëlische verkiezingen. De Palestijnen in Galilea zullen op dezelfde manier vreemden worden in Israël. Ze zullen onder het gezag van de Palestijnse regering worden gesteld, Palestijnse paspoorten hebben, onderworpen zijn aan de Palestijnse wetgeving en deelnemen aan Palestijnse verkiezingen.

Inmiddels moet er echter een doorgedreven ‘judaïsering’ komen van hun gebieden. In de praktijk gebeurt dit nu al in ijltempo: Galilea en de Negevwoestijn worden verder gekoloniseerd. Het is niet toevallig dat de veteraan Shimon Peres in de nieuwe regering ‘minister voor de ontwikkeling van Galilea en de Negev is’.

In de Negev – waar 150.000 Palestijnen leven, voornamelijk bedoeïenen – zal een dertigtal nieuwe steden en gemeenten worden gebouwd. De settlers die uit Gaza zijn teruggetrokken in de zomer van 2005, worden aangemoedigd om zich in de Negev en in Galilea te vestigen. Vanaf 2000 werden deze ‘judaïseringsplannen’ opgenomen in het regeringsdiscours. Cook citeert Ariel Sharon: “als wij vandaag al grondgebied ruilen met de Palestijnen, waarom hen dan onbewoonde gebieden geven als we land kunnen transfereren waarop Arabieren leven?”

Jonathan Cook beschrijft hoe Avigdor Lieberman, een voormalige directeur-generaal van de Likoedpartij en kabinetschef van Likoedpremier Nethanyahu, voor deze judaïseringsplannen en voor de transfer van de ‘triangle’ actief is gaan lobbyen in Washington. In december 2004 kreeg hij voor deze plannen de steun van de voormalige minister van Buitenlandse Zaken, Henry Kissinger.

Maar er is meer. In april 2004 schreef George W. Bush een brief aan Sharon:

“wij begrijpen ook dat in de context van een twee statenoplossing Israël het van groot belang acht nieuwe ontwikkelingskansen te scheppen voor de Negev en Galilea.”

Een jaar later, tijdens hun onderhoud in Texas, besprak Bush dit thema opnieuw met Sharon. “Eerste minister Sharon is ervan overtuigd dat de ontwikkeling van de Negev en Galilea van vitaal belang is voor een stralende, economische toekomst van Israël. Ik ondersteun dit streven en we zullen samenwerken om deze plannen te realiseren,” aldus de Amerikaanse president. Geen loze belofte. Na de terugtrekking van de Israëlische kolonisten uit Gaza in de zomer van 2005, kreeg het kabinet Sharon een niet onbelangrijk presentje van de Amerikaanse regering: 2,1 miljard dollar extra hulp, waarvan het grootste deel voorzien is voor de ‘ontwikkeling van Galilea en Negev’.

‘Onmogelijke vrede’

Jonathan Cook is ervan overtuigd dat de politieke elite anno 2006 in Israël geen onderscheid meer maakt tussen ‘links’ en rechts. Ze staat nagenoeg ‘en bloc’ (met enig luidruchtig verzet van de oude kern van Likoed, die Sharon niet is gevolgd, en extreem-rechts, dat vooral sterk staat onder de militantste kolonisten) achter dezelfde politiek van “zuiverheid” van de joodse staat en van joods demografisch overwicht binnen eenzijdig vastgelegde staatsgrenzen. Cook wordt in die mening gesterkt door professor Arnon Sofer. De man is een van de belangrijkste ‘veiligheidsadviseurs’ in Israël en gaat er prat op al meer dan 32 jaar in dienst te staan van het Israëlische leger (“100% van de legercommandanten zijn ooit mijn studenten geweest”, aldus Sofer).

“In het Israëlische politieke spectrum is er niet langer een linker- of een rechterzijde”, weet Sofer. “Het zijn de joden tegen de Arabieren. Het brede centrum staat achter de idee van een volledige scheiding. Als het over deze scheiding gaat, denk ik alleen maar aan de joodse kant. Ik trek mij niet langer iets aan van de Palestijnen.”

Sofer is een belangrijk ‘denker’ van de huidige zionistische elite, met uitgesproken en overduidelijke meningen. “Het is onmogelijk over vrede te praten als binnen enkele jaren 6,5 miljoen joden tussen meer dan 10 miljoen Arabieren leven. Of als er heel binnenkort 2,5 miljoen straatarme mensen in Gaza leven, in een gevangenis. Het zal vreselijk worden. Weldra zal iedereen nog van Gaza horen. Het Westen praat eindeloos over vrede. Maar ik zeg het duidelijk: nee, vrede is onmogelijk.”

De zomer van 2006 heeft alvast duidelijk aangetoond dat professor Arnon Sofer geen charlatan is. “De hel brak los” in Gaza en in Libanon…

Jonathan Cooks ‘Blood and religion. The Unmasking of the Jewish and Democratic State’ is een belangrijk boek voor al wie het Midden-Oostenconflict in zijn echt kader wil kunnen plaatsen.

(Uitpers, nr.79, 8ste jg., oktober 2006)