75 jaar 'sociaal pakt'

Wat doen we met de sociale zekerheid?
Het ‘sociaal pakt’ of de ‘Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders’ is op 28 december 75 jaar oud. Dat mag gevierd worden want het heeft ons land – en andere landen in West-Europa eveneens – een periode van welvaart en overleg opgeleverd. Nergens anders in de wereld werd een dermate hoge graad van bescherming voor werknemers en hun gezinnen opgebouwd, behalve in een paar socialistische landen. Hier kwam het kapitalisme nooit in gevaar, wel integendeel.
Met de invoering van het neoliberalisme in de jaren ’80 ontstond er druk op het systeem en sindsdien zijn ‘besparingen’ zowat het enige waarvan een echt refrein werd gemaakt. De laatste jaren wordt het system zelf in twijfel getrokken en gaan er stemmen op om verder te privatiseren en af te bouwen.
De discussie die vorige week plaats vond in België rond de nota van Magnette spreekt boekdelen. Harry Dierckx vatte de belangrijkste punten zeer goed samen in zijn opiniebijdrage in De Morgen. Als een minimumpensioen van 1500 euro, iets waar 80 % van de Belgen voor te vinden is, en de broodnodige verhoging van de bijdragen tot aan de armoedegrens voldoende zijn om Vlaamse politici ‘van hun stoel te laten vallen’, dan is er een ernstig problem. Tel daarbij dat de pensioenleeftijd op 67 jaar behouden blijft en er niet eens sprake is van een bindende klimaatwet, om slechts enkele voorbeelden te noemen, en je beseft dat Vlaanderen heel erg ver is opgeschoven naar de rechterzijde.
We lezen elke dag wel iets in de krant of op facebook over de stijgende armoede of het probleem van de kindarmoede, maar een debat over de verzorgingsstaat – het enige beschikbare instrument om de armoede echt te voorkomen – is er niet. We maken ons met de warmste week weer eens op om ‘arme mensen te helpen’ – maar hun armoede uitroeien, welnee, daar beginnen we niet eens aan.
Vijfenzeventig jaar na het social pakt van 1944 is een debat over de verzorgingsstaat die we willen meer dan broodnodig. Vooral omdat het denken over de vernieuwing ervan wereldwijd wel degelijk gevoerd wordt en in handen is van de rechterzijde. Progressieve krachten vinden het in veel gevallen nog altijd niet nodig eraan te beginnen.
Misschien – en hopelijk – kunnen de jongste voorstellen van de Wereldbank daar verandering in brengen. Wat stelt de Bank voor?
Ten eerste, een ‘minimumgarantie’ voor iedereen aan de onderkant van de maatschappij, een basisinkomen ter aanvulling van de laagste lonen en subsidies om zich een basisverzekering te kunnen aankopen.
Ten tweede een klein restant van ‘verplichte’ verzekeringen met bijdragen, maar zo minimaal mogelijk want die bijdragen die door werknemers én werkgevers moeten betaald worden, ziet de Bank eigenlijk niet zitten.
Ten derde, vrijwillige individuele verzekeringen waarvoor de overheid een stimulans kan geven.
En ten vierde volkomen vrijwillige en individuele verzekeringen.
Dat klinkt in deze samenvatting misschien niet eens zo negatief, maar de ‘kleine lettertjes’ laten wel zien wat er echt mee wordt bedoeld.
In feite blijft de Bank bij haar oude mantra van gerichte armoedebestrijding. Ze noemt het nu zelfs geen sociale bescherming meer, maar ‘risicobeheer’. In haar ogen kunnen de sociale bijstand (onze OCMW’s) en de basisverzekering best met elkaar versmelten.
De band tussen arbeid en sociale zekerheid wordt doorgeknipt, liefst zo weinig mogelijk bijdragen maar wel een ‘risicobeheer’ dat uit de algemene belastingen wordt betaald.
En verder blijft de Bank zich verzetten tégen minimumlonen en tégen regulering van de arbeidscontracten en de arbeidstijd; werkloosheidsuitkeringen en ontslagvergoedingen kunnen best vervangen worden door een individuele spaarrekening (het ‘rugzakje’), tripartiete instellingen zijn niet echt te verdedigen.
Op die manier, zo zegt de Wereldbank, kunnen we tot een ‘nieuw sociaal pakt’ komen, maar waar de Bank over spreekt heeft hoegenaamd niets te maken met een algemeen akkoord tussen overheid, maatschappij en markt. Waar de Bank het over heeft zijn gefragmenteerde sectorale overeenkomsten over kinderbijslag bijvoorbeeld, of over pensioenen. Laat staan dat de Wereldbank het zou hebben over mensenrechten…
Men zou kunnen denken dat dit soort verhalen van de Wereldbank weinig of geen invloed heeft op rijke landen. Dat is een grove misvatting en een fout inzicht in de rol van deze instellingen. Wat de Wereldbank doet, net zoals het Wereld Economisch Forum in Davos, is het opbouwen van een nieuwe mondiale kennis, van een algemene consensus die met mondjesmaat en via de media en onze politici ook bij onze bevolking wordt verspreid. Dertig jaar lang bouwt de Wereldbank al aan een nieuw sociaal paradigma dat ons ideaal van een verzorgingsstaat volkomen ondermijnt. Het ‘Bismarckiaanse model heeft afgedaan’, zo heet het dan. Voortaan regeert de markt en die markt kunnen en moeten we vooral niet in de weg staan. Lage lonen dus, nul-uurcontracten, precaire arbeidsvoorwaarden. De overheid zal bijpassen waar mensen het echt niet meer halen. Of met andere woorden, eens te meer gaan bedrijven vrijuit en de overheid – de belastingbetaler – zal een stukje verantwoordelijkheid over nemen.
Als we niet opletten wordt dit het wereldwijde model. En als jonge mensen van Hong Kong tot Bagdad en tot Santiago de Chile op straat komen is het om te vechten voor een leven met zekerheid, met rechtvaardigheid, met kansen. Kortom, voor een toekomst. Niemand beter dan Greta Thunberg die uitdrukt wat het huidige systeem de jonge mensen ontzegt: een toekomst. Zij heft het over het leefmilieu, maar klimaatrechtvaardigheid en sociale rechtvaardigheid gaan hand in hand. Je zou voor minder op straat komen.
Voor een volledige analyse van de Wereldbankvoorstellen: http://socialcommons.eu/2019/12/08/the-world-bank-and-its-new-social-contract/#more-426 

Visited 7 Times, 1 Visit today

Tags :