Gaten in het groene denken?

Facebooktwittergoogle_plusmail

Overbevolking kan een ernstige bedreiging vormen voor het bereiken van de mooie doelstellingen die in Parijs en diverse ‘Green New Deals’ werden vastgelegd.

Vreemd genoeg rust er op de discussie daarrond een groot taboe. Deskundigen blijven het aanhalen, politici en vooral progressieve academici blijven het ontkennen of uit de weg gaan. Vruchtbaarheid blijft, vooral voor mannen, blijkbaar een erg moeilijk thema.

Dat is helaas niet het enige probleem met het denken van groene en progressieve mensen. Er zitten in het politiek correcte ecologische denken nog een paar andere gaten. Deskundigen kennen die problemen zeer goed, in het dagdagelijkse debat mag je ze nauwelijks vermelden.

Windmolens en zonnepanelen

Er was heel wat herrie enkele weken geleden toen de nieuwe film van Michael Moore over de aangerichte ecologische schade in omloop werd gebracht. In zijn film toont deze linkse cineast hoe veel van de groene verhalen, zoals over wind- en zonne-energie of over biomassa helemaal niet kloppen. Bovendien toont hij aan dat veel milieubewegingen gefinancierd worden door stichtingen van de grote vervuilers en hun multinationals.

Niets nieuws onder de zon, maar het mag blijkbaar niet gezegd worden. ‘Gelukkig’ voor de groene helden gebruikte Moore in zijn film wat materiaal dat hopeloos achterhaald is en daarom niet meer erg correct. Maar dat verandert niets aan zijn boodschap die zeer juist blijft.

Bernard Mazijn, academicus en directeur van het Instituut voor Duurzame Ontwikkeling, wijst de kritiek op de film van Michael Moore af. De kosten voor het produceren van elektriciteit mogen dan wel degelijk gezakt zijn, maar dat komt volgens hem vooral door delokalisatie. Wereldwijd blijft de vraag naar energie stijgen. Electrische auto’s zijn verre van duurzaam en de ‘carbon capture and storage’, het opvangen en opslaan van CO2, blijft vooralsnog een hype. Het inpalmen door steeds meer mensen van de beschikbare habitat is inderdaad een probleem.

De Wereldbank gaf onlangs een verslag uit over wat er nodig is om volledig over te schakelen op nieuwe en ‘schone’ energie en dat geeft geen al te fraai beeld. De wind en de zon mogen dan gratis energie leveren, je moet ze nog wel kunnen opvangen en weer verdelen. En dat betekent dat je windmolens en zonnepanelen moet bouwen en daar heb je grondstoffen voor nodig die ontgonnen moeten worden. Of met andere woorden, ambitieuze klimaatplannen mogen populair zijn, ze vergen een steile klim van de vraag naar ertsen.

Vandaag staat de mijnbouw in voor 11 % van het totale energieverbruik en 70 % van alle mijnbouwprojecten gebeurt in regio’s met een nijpend tekort aan water.

Indien we de doelstelling van maximaal 2 ° temperatuurstijging willen halen, dan is er tegen 2050 in totaal meer dan drie miljard ton ertsen nodig. De productie van grafiet, lithium en kobalt moet met 450 % stijgen in vergelijking met 2018. Over de bouw van de infrastructuur is dan nog niets gezegd.

Andere ertsen die minder spectaculair stijgen maar nog wel ontgonnen moeten worden zijn ijzer, koper, aluminium, chroom, lood, mangaan, molybdeen, nikkel, zilver, titaan, zink en vanadium. De ontginning van deze grondstoffen kan zware ecologische en sociale gevolgen hebben en daardoor kan de populariteit van de ‘schone’ energie snel dalen. De protesten die er nu al zijn tegen het extractivisme in bijvoorbeeld Latijn Amerika spreekt boekdelen over de dilemma’s die ons te wachten staan. Je kan geen schone energie willen en tegelijk mijnbouw afwijzen.

Er zal veel aandacht moeten gaan naar de mogelijkheden om deze grondstoffen te recycleren en te hergebruiken maar dat is niet voor de korte termijn. Het afvalbeheer wordt een reusachtig moeilijke opdracht.

Lage koolstoftechnologie klinkt erg aantrekkelijk, maar eens te meer kan het schone lucht bij ons betekenen en erg veel milieuschade elders. De vraag moet dan gesteld worden of het geen lood om oud ijzer wordt. De energievoorziening moet volledig ontkoold worden, schrijft Peter Tom Jones in ‘Terra Reversa’, het meest wetenschappelijke boek over ecologie in Vlaanderen, maar kan dit wel?

Alles digitaal

Lange tijd werd de indruk gewekt dat als alle vuile en vervuilende productieprocessen verdwijnen en meer en meer digitaal kan worden gewerkt, we een hele sprong vooruit maken voor een schoner milieu. Maar ook die ballon wordt beetje bij beetje doorprikt.

Sociale bewegingen gaan te keer tegen de luchtvaart, vliegvakanties zijn uit den boze, maar al deze boodschappen gaan via whatsapp en facebook de wereld rond, er worden youtube filmpjes gemaakt om aan te tonen hoe vervuilend en onbelast dit wel is en als die klus is geklaard gaan de activisten in hun luie stoel naar een internetfilm kijken. Op dat ogenblik hebben ze evenveel vervuild als de brave ziel die met moeder de vrouw een weekje vakantie op Tenerife neemt. Of zo ongeveer.

Want niets is zo energieverslindend als digitaal. ‘Steenkool is de koning van het internet’ zo wordt wel eens gezegd, en als het geen steenkool is, dan is het zeldzame aarde, je weet wel, die grondstoffen waar grotendeels in China maar ook in Oost-Kongo naar gezocht wordt. Zeldzame aarde waarvan de ontginning zware metalen in het water, de bodem en de lucht achter laat. Of met andere woorden, de ontginning van wat nodig is voor onze smartphones en computers is verre van ecologisch duurzaam. Om over kinderarbeid nog te zwijgen.

Het aandeel van digitale technologie in de CO2 emissies is tussen 2013 en 2018 gestegen van 2,5 tot 3,7 % van het totaal, en dat is meer dan de hele luchtvaartindustrie.

Voor de productie van 1 US$ waarde in bitcoin, is twee keer zoveel energie nodig als voor 1 US$  koper, goud of platinum.

Er wordt nu al elk jaar 50 miljoen Ton e-waste geproduceerd, en dat wordt grotendeels gedumpt in het zuiden, waar naamloze arbeiders zich ziek werken aan het ontmantelen van de toestellen die we veel te snel weggooien.

Het is dus verre van zeker dat onze digitale wereld ons geruisloos naar een groene en faire omgeving leidt, wel integendeel. Hoe meer we naar zachte muziek kunnen luisteren en onze documenten op de cloud kunnen onderbrengen, hoe meer we vervuilen. Geef mij dan maar een echt strand met echte duinen en een echte zee, zelfs ver van hier.

Vooral vragen

Tijdens de afgelopen periode van lockdown waren de straten leeg, de lucht was schoon. De industrie blies geen kwalijke rook uit en de vliegtuigen bleven op stal.

Misschien was dat de wereld die we nodig hebben? Misschien, zo schreef The Economist, maar het was verre van wat nodig is om de doelstellingen van het Akkoord van Parijs te halen. De CO2 uitstoot was nauwelijks 17 % lager dan in dezelfde periode vorig jaar. We weten het dus: de klimaatcrisis kan niet worden opgelost door auto’s, vliegtuigen, treinen en enkele fabrieken te laten stoppen. Mensen kunnen grote gedragsveranderingen aanvaarden – eventjes? –, dan nog zijn we pas aan 10 % van wat nodig is om de klimaatverandering voldoende af te remmen.

Ik ben lang niet deskundig in ecologische vraagstukken. Ik lees een paar boeken over het onderwerp, ik lees internationale tijdschriften met bijdragen over ecologie en duurzame ontwikkeling, ik probeer te volgen wat nodig is en wat we kunnen doen.

En meer en meer, jaar na jaar, bekruipt me het onhebbelijk gevoel dat jan-met-de-pet om de tuin wordt geleid.

Overbevolking is een probleem, maar we kunnen het niet bespreken en er ook weinig aan doen. Schone energie is nodig, maar ligt niet voor de hand omdat ze veel vervuilende mijnbouw vergt. Digitale economie is geen oplossing, omdat ze energieverslindend is. De vele suggesties die ons worden gedaan van minder vlees eten tot liever de trein dan het vliegtuig – laat staan de eigen groentekweek – zijn een peulschilletje op het grote bord van wat nodig is.

Er is waterschaarste, de zeeën verstikken in het plastic, de ontbossing ontneemt ons onze longen, een dreigende klimaatverandering kan de aarde verschroeien.

Wat doen we dan? Hoe ver kunnen en willen mensen gaan in de noodzakelijke veranderingen? Wat betekent het meest optimistische scenario voor mensen in het rijke Noorden, de grote vervuilers? Wie de rampen overziet van drie maanden lockdown – werkloosheid, faillissementen, wegkwijnende stadscentra – wordt bleek bij de gedachte van minder opwarming. Als je bovendien groenen en progressieven gelooft die stellen dat technologische oplossingen niet deugen want ‘eco-modernistisch’ zijn, dan ga je je toch al bijna terug trekken in je hol met een grote kans er nooit weer uit te kunnen.

Want, eerlijk, als we al weten wat nodig is, wat is de strategie die ons daar kan brengen? Daar lees ik dus niets over. Alle auteurs leggen min of meer uit wat nodig is, maar niemand vertelt hoe je dat bereikt. Enkel de al vermelde Peter Tom Jones legt de theorieën over gedragsverandering uit. Maar is dat voldoende? Kan je verwachten dat een bevolking die redelijk welstellend is, vrijwillig gaat afzien van alles wat het leven leuk maakt? Auto’s – elektrische auto’s zijn hoegenaamd geen oplossing, dat weten we intussen wel -, vliegtuigen, winkelen, restaurants, leuke woningen en tweede verblijven, citytrips, een jaarvakantie aan het strand, vlees, sinaasappelen, bananen en koffie uit de tropen? Hoever moet dat gaan als ondertussen verder staal wordt geproduceerd en de mijnen blijven werken om al die zonne-en windenergie mogelijk te maken? Moeten we afzien van smartphones en computers? Echt?

Zie ik het nu te zwart? Waarom? Er zijn bibliotheken vol geschreven over de dreigende milieucrisis, maar niemand die precies uitlegt met hoeveel en welke activiteiten we terug moeten schroeven. Er is een de-growth beweging die nooit eens uitlegt wat er kan groeien en niet kan groeien. Er is een beweging tegen vrijhandel, maar niemand die kan zeggen wat nog kan verhandeld worden en wat niet. Er is een beweging tegen het extractivisme, maar niemand die er bij vertelt dat géén mijnbouw ook géén telefoons en tablets betekent.

Eerst moet het kapitalisme weg, zeggen sommige linksen. ‘Binnen dit systeem’, zo hoorde ik Greta Thunberg zeggen, is er geen oplossing mogelijk. Maar zijn daarmee ook de chemie en de pesticiden weg? Hebben olifanten dan vanzelf meer ruimte om te leven? Zullen ze dan in China hygiënischer omgaan met schubdieren en vleermuizen? En naar welk ander systeem gaan we dan? Ecosocialisme klinkt goed, maar ook daar ontbreken de essentiële antwoorden.

Voortdurend wordt gezegd dat neen, het niet terug naar vroeger is, maar zullen we nog wasmachines en elektrische fornuizen kunnen gebruiken? Moeten we op hout koken? Met acht miljard?

Dit is geen pleidooi om dan maar niets te doen, integendeel. Er is namelijk veel meer nodig van datgene wat we nu al doen, maar wat precies, en vooral hoe? De tijd dringt, zo lijkt me.

Is het de kracht van de illusie die tegen houdt? Zie ik iets essentieels over het hoofd? Ik wil zo graag geloven dat er goede en haalbare oplossingen zijn waar me ons met z’n allen kunnen achter scharen. Maar ik zie ze niet.

We zitten behoorlijk in de penarie, als je’t mij vraagt. Een goede oorlog, dan maar? Of een echte pandemie? Bbbrrrr …

 

 

 

 

 

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.