Overbevolking, het grote taboe

sdr
Facebooktwittergoogle_plusmail

Bijna acht miljard mensen leven er op deze aardbol. Dat is twee keer zoveel als in 1970, vijftig jaar geleden. Dat was ná mei ’68, vóór de eerste V.N. Conferentie over ontwikkeling en milieu en vóór het Verslag van de Club van Rome over ‘De grenzen aan de Groei’. De inleiding tot dat verslag begint met een citaat van Oe Thant, Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties: ‘Ik [kan] alleen maar concluderen dat de V.N. misschien nog maar tien jaar hebben om … de bevolkingsexplosie in toom te houden …’.

Dat is dus niet gebeurd. Op de V.N.-conferenties Rio+10 en Rio+20, respectievelijk in Johannesburg in 2002 en Rio de Janeiro in 2012 werd het ‘bevolkingsprobleem’ zelfs niet vermeld. Zou het kunnen dat het plots is verdwenen? Spreken over ‘overbevolking’ is erg conservatief, zo las ik enkele weken geleden op facebook. Zou het? Waarom zo’n taboe?

Gisteren zag ik op televisie beelden uit Sri Lanka waar olifanten agressief worden tegen mensen die hun territorium gebruiken. Als – wat niet bewezen is – het coronavirus uit het leefmilieu komt dat door mensen wordt geschonden, is dat dan niet ook omdat er gewoon te véél mensen zijn die meer leefruimte nodig hebben?

Ik wil in dit artikel een pleidooi houden om de groeiende wereldbevolking wel degelijk als een probleem te zien voor het overleven van de soort en voor het samenleven met andere levende wezens. Tegen 2050, het jaar dat onze netto CO2-uitstoot tot nul zou moeten herleid zijn, kunnen er meer dan 10 miljard mensen naar land, water en voeding snakken.

Rare draai

Een deel van het taboe dat vandaag op de discussie over overbevolking rust, heeft wellicht nog steeds te maken met de belangrijkste auteur die het ooit aankaartte: Thomas Malthus. Voor hem was het duidelijk: hoe meer je arme mensen zou helpen, hoe sneller ze zich zouden voortplanten en hoe sneller de voedselproductie zou achter blijven. Kortom, hongersnood. Stel dat je de armen helpt, zodat ze elke dag vlees kunnen eten. De vraag naar vlees zal toenemen en de prijs zal dus stijgen. Er verandert dan niets. Idem met de lonen. De armen moeten begrijpen dat de lonen pas kunnen stijgen als het aantal armen afneemt. Alle armen laten werken, lukt trouwens niet, want er is gewoon geen vraag naar datgene wat ze produceren. Je kan er dus beter voor zorgen dat arme mensen niet trouwen en geen kinderen maken. Stel dat een kind voor zijn tiende sterft, dan heb je het tien jaar lang voor niets gevoed. Neen, de overheid moet zich vooral niet inlaten met de armen, en af en toe een goede epidemie kan helpen om de bevolking niet al te snel te laten groeien. Sinds Malthus’ tijd is de bevolking verzevenvoudigd!

Hoewel deze standpunten nog steeds gedeeld worden door een behoorlijk conservatief bevolkingsdeel, zal men ze toch niet meer hardop durven uiten. In deze tijd van humanisme en mensenrechten heeft eenieder recht op een waardig leven. Formeel gezien althans.

Dat er een verband bestaat tussen de voedselproductie en de bevolkingsgroei was echter ook in de twintigste eeuw een overtuiging. Maar volgens een van de meest toonaangevende auteurs van de 20ste eeuw, Josué de Castro, was veel van de honger in de wereld  een gevolg van het contact met de westerse beschaving. Overal waar volken met de blanken in contact kwamen, veranderde het dieet en ontstond er ondervoeding. Voor hem was honger en ondervoeding vooral een probleem van distributie, en niet van productie, zoals A.K. Sen dat later ook zou stellen. En voor hem is honger de oorzaak van overbevolking, en niet omgekeerd. Als zoveel jonge kinderen hun vijfde verjaardag niet halen, bestaat er geen andere keuze dan erg veel kinderen maken. Verbetering van het dieet, aldus de Castro, leidt altijd tot een daling van de bevolkingsgroei.

Ontwikkeling

Na de tweede wereldoorlog werd de bevolkingsgroei hoofdzakelijk in verband gebracht met ontwikkeling. Als je keek naar de economische groei in Afrika b.v. , dan zag je dat die wel behoorlijk was, maar grotendeels teniet werd gedaan door het groter aantal monden dat moest gevoed worden. Uitgedrukt per hoofd van de bevolking bleef het resultaat dus ondermaats.

In diverse teksten van de Verenigde Naties uit de jaren ’50 en ’60 zie je referenties naar de demografische ontwikkeling, maar slechts zelden met aanbevelingen voor een specifiek beleid. En ook niet iedereen was overtuigd dat dit nodig was. In een deskundigenverslag van 1951 bijvoorbeeld, waar onder meer Arthur Lewis aan meewerkte, lees je dat er geenszins geld voor gezinsplanning nodig is. In de V.N.-resolutie met het programma voor het tweede ‘decennium voor ontwikkeling’ (1970) wordt er wel gewag van gemaakt. Landen moeten hun demografische doelstellingen opstellen en aan ontwikkelde landen plus internationale organisaties wordt gevraagd om, indien gewenst, steun te geven voor gezinsplanning.

In de resolutie over het ‘Derde ontwikkelingsdecennium’ wordt verwezen naar de tekst die op de bevolkingsconferentie van Boekarest werd aangenomen (1974). Daar werden aanbevelingen goedgekeurd en lees je dat de bevolkingsgroei eventueel wel een ‘cirkel van ellende’ kan veroorzaken. Wat is het belang van een samenleving: meer of minder mensen? Maar eveneens dat er geen consensus is over het feit dat een snelle demografische ontwikkeling een hinderpaal voor ontwikkeling kan zijn. Elk land moet zelf beslissen en zijn eigen beleid voeren.

Op de conferentie van Belgrado van de UNFPA in 1965 werd nog gesproken over de angst en de bedreiging die uitgaan van een te sterke bevolkingsgroei, hoewel er tegelijk werd gezegd dat de koloniale uitbuiting een even grote bedreiging vormde.

De Franse ontwikkelingsdeskundige René Dumont die van meet af aan erg kritisch stond t.a.v. het landbouwbeleid in Afrika zowel als in Cuba wees er herhaaldelijk op dat het vooral de verminderde mogelijkheden voor braaklegging waren die zouden volgen op een te snel groeiende bevolking.

In de millenniumdoelstellingen van 2000 en in de Doelstellingen voor Duurzame Ontwikkeling van 2015 lezen we hoegenaamd niets meer over bevolking. Het ‘probleem’ is verdwenen.

Ondertussen was de hulp die voor programma’s voor gezinsplanning gegeven werd met de helft verminderd.

Milieu

Toch was ‘het probleem’ geenszins verdwenen. Op de grote VN-Bevolkingsconferentie van Caïro in 1994 werd de bevolkingsgroei niet langer in verband gebracht met de economische groei maar wel met het milieu.

Dat kwam o.m. door het verslag van de Club van Rome van 1972, de eerste V.N.-conferentie over Ontwikkeling en Milieu (1972) en later het Brundtlandverslag over ‘duurzame ontwikkeling’ (1987).

Voor we gaan kijken wat die teksten zeggen is het goed er nogmaals aan te herinneren dat de wereldbevolking toen precies half zo groot was als nu.

De bevolkingsgroei was superexponentieel, zo lezen we bij de Club van Rome, en daar valt op korte termijn weinig aan te doen.

Op de eerste VN-milieuconferentie wordt er op gewezen dat de natuurlijke bevolkingsgroei een probleem kan zijn voor het behoud van het leefmilieu. Het bevolkingsbeleid mag evenwel geen afbreuk doen aan de mensenrechten als er ingrepen nodig zijn om te beletten dat de ontwikkeling of het leefmilieu gehinderd worden. Er wordt daarom aanbevolen dat de Wereldgezondheidsorganisatie regeringen helpt met steun voor gezinsplanning, wanneer die daar om vragen. Op die manier kunnen de ernstige gevolgen van een bevolkingsexplosie voor het leefmilieu voorkomen worden.

In het Brundtlandverslag van 1987 tenslotte staat dat de bevolkingsgroei in sommige landen veel te groot is om met de beschikbare hulpbronnen te worden gehandhaafd. Het gaat dan niet zozeer om de cijfers, maar om de beschikbaarheid van die hulpbronnen. Er wordt opgeroepen om daar dringend iets aan te doen.

Agenda 21, goedgekeurd op de beroemde conferentie van Rio in 1992 spreekt over een combinatie van factoren: groei van de bevolking, niet duurzame productie en consumptie, grote druk op de draagkracht van de planeet en het gebruik van land, water, lucht, energie, en zo meer. Willen we dat onder controle houden, dan moeten we ook rekening houden met de demografische trends.

Vreemd genoeg werd dit in Johannesburg en Rio (Rio + 10 en + 20) niet langer vermeld.

IPCC, het deskundigenpanel dat zich over de klimaatverandering buigt, vermeldt het probleem daarentegen nog steeds. In een rapport van 2019 van de werkgroep over landgebruik staat dat de bevolkingsgroei een nooit eerder geziene druk uitoefent op het gebruik van land en zoet water.

De cijfers

Dit té korte overzicht van hoe de afgelopen vijftig jaar werd gedacht en gesproken over de demografische ontwikkelingen doet de indruk ontstaan dat er wel degelijk een probleem is, dat deskundigen er voortdurend op wijzen, maar dat politici dat liever niet doen.

Een eerste reden daarvoor kan de enorme verbetering zijn in de zogenaamd ‘demografische transitie’.

De bevolking mag dan sinds Malthus verzevenvoudigd zijn en sinds de jaren ’70 verdubbeld, in alle ontwikkelde landen ligt het aantal kinderen per vrouw onder de 2,1, dit is het cijfer dat nodig is om het bevolkingscijfer in stand te houden. In de Europese Unie ligt het op 1,6, in de Verenigde Staten op 1,8, in Oost-Azië op 1,8 en in China op 1,6. In Latijns Amerika ligt het op precies 2,1.

Dat zijn echter niet de regio’s met de hoogste bevolking en er zijn elders nog wel degelijk problemen: in Zuid-Azië tellen we 2,5, in Indië 2,4, in de Arabische landen 3,4 en in zwart Afrika 4,9. De daling sinds 1960 is echter enorm: respectievelijk komen deze landen of regio’s van 6,9, 5,9, 6,9 en 6,6. Voor de hele wereld zitten we nu op 2,5 en in 1960 was dat nog 5,4.

In diezelfde periode van dalende geboortecijfers is de totale bevolking met 2,4 keer verhoogd, de graanproductie met 3,8, de veehouderij met 3,5 en de visserij met 4,9.

Het gaat dus wel de goede kant uit, maar met een dergelijke evolutie komen we in 2100 nog altijd aan een totaal van 11 miljard mensen. Het probleem zal niet langer de mogelijke honger zijn, want zelfs met agro-ecologie kan die bevolking makkelijk – en beter – worden gevoed. Maar wat met het gebruik van land en water?

In 1961 had elke mens gemiddeld 0,37 ha beschikbaar, in 2015 was dat nog 0,19 ha. In 1961 kon elk individu beschikken over 13.400 m3 water, in 2014 nog slechts over 5.900 m3. Er kan weinig twijfel over bestaan dat de bevolkingsgroei het ecologisch probleem een flinke kater bezorgt.

En daar komt helaas nooit een antwoord op. Natuurlijk kan men stellen dat het grootste probleem er een van verdeling en uitbuiting is, maar toch blijft het één aarde met een beperkte hoeveelheid land en water die over steeds meer miljarden mensen moeten verdeeld worden. Er komt een ogenblik waarop het te weinig zal zijn om iedereen een waardig leven te bieden. Trouwens, en dat lijkt me de hamvraag, hoeveel moet de rijke bevolking in het Noorden die zich nu bijna alle hulpmiddelen toeëigent, afstaan om ook de rest van de wereld goed te laten leven? En hoe kom je zo ver?

Het spreekt ook voor zich dat in een overbevolkt Afrika waar de ecologische druk zich nu al laat voelen, de emigratie naar het Noorden zal toenemen. Staan wij hiervoor open? Tot hoever?

Dat zijn de vragen die vooralsnog geen antwoord hebben. En die er m.i. ook geen kunnen krijgen.

Que faire?

Bovendien is het één ding om vast te stellen dat er wel degelijk sprake is van overbevolking, het is een geheel andere vraag wat je daaraan kan doen? Zoals gesteld dalen de geboortecijfers en zal de bevolking op zeker ogenblik gaan dalen, maar kunnen we zo lang wachten? De V.N. werken met twee scenario’s. In het ene scenario blijven de geboortecijfers wat ze zijn en zullen we in 2050 met 10,8 miljard rondlopen en in 2100 met 16,3 miljard. Zakken de geboortecijfers tot 1,75 in 2050 dan zijn we in 2050 met 8,8 miljard en in 2100 met 7,3 miljard.

Het enige wat je kan doen om de evolutie te versnellen is méér contraceptie beschikbaar maken en vrouwen meer macht geven om zelf te beslissen. Maar je ziet zo wie hier tegen is. Op elke VN-conferentie ontstaat er een coalitie van de Heilige Stoel, uitgesproken katholieke en strenge islamlanden. In de Verenigde Staten is de angst om vrouwen te helpen zo groot dat President Reagan er in 1984 de ‘gag rule’ heeft ingesteld: ontwikkelingsorganisaties mogen geen enkele steun verlenen aan bewegingen die abortus goedkeuren of de reproductieve rechten van vrouwen bepleiten. De regel werd in 1993 weer ingetrokken maar in 2001 heringevoerd en door President Trump nog versterkt.

En meer macht voor vrouwen? Daar zijn zelfs mannen in het oh zo moderne West-Europa niet van overtuigd, zo mocht ik herhaaldelijk vaststellen op lezingen en op facebook. Dat er in alle beschavingen en in alle tijden middelen voorhanden waren voor contraceptie en vruchtafdrijving, wijst er op dat vrouwen slechts zelden voorstanders zijn van vijf en meer kinderen. Hoe natuurlijk voortplanting van de soort ook is, kinderen blijven tegelijk het uitgesproken instrument om vrouwen aan de lijn te houden. En dat geven mannen niet graag toe.

Bovendien lees je bij zowat alle radikaal groene denkers – zie de aanhangers van Wolfgang Sachs en de auteurs van het recente ‘Pluriverse’ – een absolute afkeer van contraceptie en gezinsplanning. Kindertjes zijn blijkbaar nog steeds een godsgeschenk. De natuur moet natuur blijven.

Mensen die vandaag blijven herhalen dat het probleem van de overbevolking niet bestaat, denken nog in de patronen van zestig jaar terug, toen het enkel om honger of economische groei ging. Vandaag gaat het om de draagkracht van de aarde én over de eerlijke verdeling van wat beschikbaar is. Wie me een antwoord op die vraag kan geven, wil ik graag uitnodigen voor een retourtje Afrika.

Het is zonder meer waar dat het ecologisch probleem vooral een gevolg is van de niet-duurzame productie- en consumptiepatronen in het Noorden, maar de vraag rijst hoe je dat Noorden tot ander gedrag kan dwingen? En daarnaast rijst op termijn ook het algemene probleem van hoeveel miljard mensen deze aarde kan dragen, samen met al die andere levende wezens die net zoveel rechten hebben.

Sommigen stellen dat het coronavirus een gevolg is van mensen die het leefmilieu van vleermuizen en pangolins hebben geschonden. Dat zou kunnen, maar wat als die mensen weinig andere keuze hebben dan steeds meer aarde in beslag te nemen?

In een volgend artikel wil ik hier graag nog verder op ingaan en kijken naar het falen van de ecologische beweging, tot nog toe.

 

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.