Waarom België geen republiek werd

Facebooktwittergoogle_plusmail

De meesten onder ons, zeker de ouderen, hebben er op school nooit iets over gehoord, maar het Koninkrijk België had ook de Republiek België kunnen zijn. Want toen in 1830 de strijd losbarstte voor een onafhankelijk België, ijverden velen voor de oprichting van een republiek. Waarom die er nooit is gekomen beschrijft Els Witte, ererector en emeritus hoogleraar van de Vrije Universiteit Brussel, in een meesterlijk boek waarin over dit thema geen enkele gebeurtenis, ontwikkeling of personage onvermeld blijft. Els Witte volgt de evolutie van de radicale republikeinen, de derde stroming die naast conservatieven (katholieken) en liberalen tussen 1830 en 1850 overal in Europa een rol speelde.

Van 1815 tot 1830 maakte het huidige België deel uit van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden waarvan koning Willem I het staatshoofd was. De voorstanders van een onafhankelijk België hadden tegengestelde meningen over de aard van die nieuwe staat. De meerderheid van adel, kapitalisten en hoge burgerij was net als de katholieke kerk voor het behoud van de monarchie. Er waren ook kapitalisten en anderen die voor het behoud van het Koninkrijk der Nederlanden waren. Dat waren de orangisten. Daarnaast was er, zoals in andere Europese landen, een radicale stroming waartoe de voorstanders van de republiek behoorden. Bij die republikeinen liepen de meningen over het toekomstige België sterk uiteen. Er waren de gematigden, die eventueel vrede konden nemen met een republikeinse of constitutionele monarchie, maar er waren ook de radicalen die de doelstellingen van de Franse Revolutie nastreefden en niet alleen een republiek wilden, maar het Verlichtingsdenken aanhingen dat de rede centraal stelt en een wereld zonder God mogelijk maakt.

Vandaar dat die radicalen voor de scheiding van kerk en staat waren, hoewel ze verdeeld waren over België als seculiere staat. Ze maakten ruimte voor het atheïsme, maar kwamen ook op voor godsdienstvrijheid, voor de oprichting van scholen door de overheid, voor de vrije meningsuiting, voor de spreiding van kennis en opleiding, voor gelijkheid (maar over de gelijkheid man-vrouw werd niet gerept, ook niet als het over het algemeen stemrecht ging), voor de afschaffing van de voorrechten (van de adel) en voor de erkenning van de universele mensenrechten. De radicalen waren tegen de afschaffing van de eigendom, maar waren wel gewonnen voor progressieve belastingen en zware successierechten.

Hoewel sommige radicalen qua sociale achtergrond, status en vermogen dicht bij de hogere burgerij stonden, bestond de meerderheid van de groep uit typische middenklassers. Van contacten tussen de radicalen en de arbeidersklasse was geen sprake. Pas als er tegen het leger van Willem I moest worden gevochten, ronselden de radicalen strijders bij arbeiders en sociaal zwakkeren.

Nog voor het uitbreken van de revolutie in september 1830 trad het regime van Willem I repressief op tegen tenoren van de radicaal-republikeinse beweging. Zo verdween Louis de Potter al vlug in de gevangenis en later werd hij samen met Jules Bartels en Jean-François Tielemans tot ballingschap veroordeeld. Verbanning was trouwens een straf die ook door het jonge koninkrijk België werd toegepast tegen opposanten, ook tegen buitenlandse revolutionairen (vooral Fransen en Polen) die hun Belgische geestverwanten kwamen steunen. Karl Marx en zijn vrouw Jenny, die naar België waren uitgeweken en aan de Belgische postrevolutionaire strijd deelnamen, ondergingen hetzelfde lot.

Verdeelde radicalen

Belangrijk in de actie van de radicalen was de oprichting van de Réunion centrale tijdens de tweede week van september 1830 in Brussel. Het ging om een club radicalen die zich afscheidde van de oppositie die binnen de legaliteit wou blijven. Ook in andere steden werden dergelijke clubs opgericht. Zij gingen voor revolutie, republiek en democratie. Om de republiek te vestigen moest de Oranjedynastie opzij worden geschoven. Na de gevechten van 23-26 september 1830 en de terugtrekking van het leger van Willem I werd op initiatief van de Réunion centrale het Voorlopig Bewind opgericht. Als bleek dat de republiek niet haalbaar was, nam het politieke belang van de clubs af. Uit vrees voor een machtsgreep door Louis De Potter, die zichzelf op een bepaald ogenblik tot president van de Republiek België wou uitroepen, werd hij aan de kant geschoven en werd de Association nationale opgericht die hetzelfde programma had als de centrale. Maar toen Leopold I op 21 juli 1831 de troon besteeg, moesten de radicalen hun strijd via de parlementaire oppositie voortzetten. In het Nationaal Congres (parlement) kreeg Leopold van Saksen-Coburg 152 stemmen tegen 44.

Katholieke democraten maakten eveneens deel uit van de groep der radicalen. Zij waren geïnspireerd door het sociaal christendom van twee Fransen, de priester Félicité Robert de Lamennais en Henri de Saint-Simon. De radicale Belgische priester-leraar Désiré Dehaerne werd op verzoek van de koning door de bisschop afgezet en ook het Vaticaan liet zich niet onbetuigd. In twee officiële documenten veroordeelde de paus het programma van Lamennais die contact zocht met de vroege arbeidersbeweging.

Onder de radicalen ontstonden al vlug tegenstellingen. Carrièremakers aanvaardden een postje aangeboden door de regering. Anderen liepen over naar de orangisten. De radicalen kleefden dan ook niet dezelfde ideologie aan. Zo waren de katholieke democraten wel voor de republiek gewonnen, maar die mocht niet op Franse revolutionaire leest zijn geschoeid. In de rest van de samenleving was de tegenstand tegen de republiek behoorlijk groot. Het buitenland speelde ook een belangrijke rol. Het eiste dat België een monarchie zou worden. De oprichting van een republiek zou oorlog betekenen.

Water in de radicale wijn

Dat de radicalen moesten vaststellen dat ze wel in staat waren geweest de revolutie te beginnen, maar niet om ze tot een goed einde te brengen, was een harde klap. Nog tijdens het Voorlopig Bewind moesten ze heel wat water bij de wijn doen. Bij de eerste Belgische verkiezingen braken ze helemaal niet door in steden en gemeenten, noch in het Nationaal Congres. Ze moesten vrede nemen met de keuze van dit Nationaal Congres voor een constitutionele monarchie met beperkte koninklijke macht. Het afglijden naar rechts was begonnen. Bij het opstellen van de Belgische grondwet in 1831 kwamen tal van radicale eisen niet eens aan bod: gratis onderwijs, afschaffing van de doodstraf, een progressief belastingstelsel. Waar de radicalen het recht om aan verkiezingen deel te nemen aan een zo laag mogelijke cijns (bezit) wilden koppelen, voorzag de Belgische kieswet in een hoge kiescijns en voor de Senaat zelfs in een bijzonder hoge cijns, wat in het voordeel van de rijke adel speelde. Van de radicale eis om alle macht aan de volksvertegenwoordiging toe te vertrouwen kwam evenmin iets in huis. De volksvertegenwoordiging moest de wetgevende macht met de regering delen. Overheidsambtenaren mochten nog altijd parlementslid worden en de seculiere staat moest met katholieke eisen rekening houden.

Hoewel republikeinen en radicalen na de revolutie van 1830 steeds meer wegdeemsterden, probeerden sommigen toch een nieuw elan mogelijk te maken door contact te zoeken met de jonge arbeidersbeweging. Zo steunden ze de zogenaamde Meetingbeweging met hun kritiek op de sociale onrechtvaardigheid, op de armoede in de arbeiderswereld, op het lot van armen, op de onderdrukking door de rijken en op de plaag van het financiële kapitalisme. Ze pleitten voor gelijke middelen voor iedereen om in gelijke behoeften te voorzien, voor welzijn voor iedereen, voor gemeenschap van eigendom en voor een staat die de productiemiddelen in handen heeft en ten behoeve van de hele samenleving optreedt. Radicalen en republikeinen beten in het zand toen ze zich moesten neerleggen bij de protocollen die tijdens de Londense conferentie werden opgesteld: België moest afstand doen van Limburgse en Luxemburgse gebiedsdelen en een neutraal land worden. De stemming over die protocollen betekende het einde van een radicale vertegenwoordiging in het Nationaal Congres.

Rode republiek

De groep van radicalen en republikeinen breidde zich na 1840 opnieuw uit, maar werd ook steeds heterogener. Sommige overlopers keerden terug, terwijl de radicalen ook sociaal-progressieve orangisten, antiklerikalen en flaminganten voor zich probeerden te winnen. Maar de ideeën van Karl Marx, die toen in Brussel verbleef, werden niet op applaus onthaald. De middenklasse die sterk vertegenwoordigd was in het radicale milieu wou van geen revolutionair elan weten. Als Marx tijdens een bijeenkomst van de Brusselse Association démocratique verweten werd dat zijn ideeën luchtkastelen waren, nam hij ontslag uit die organisatie vlak voor in Parijs de sociale revolutie van 1848 uitbrak. Zo zorgde Marx voor een breuk in het Belgische radicalisme.

Mede omdat binnen de radicale beweging van eenheid geen sprake was, kwam het in België in 1848 niet tot een revolutie. Er waren wel betogingen en opstoten, maar die waren niet tegen de toen al gevestigde machtsstructuren opgewassen en leidden alleen maar tot een harde repressie. De meeste sociaal-progressieve liberalen verlieten toen de radicale verenigingen, papten aan met het doctrinaire liberalisme en verdedigden zelfs de monarchie. Republikeinen werd meer en meer verweten communisten te zijn. Maar niet getreurd, vanaf september 1848 probeerden republikeinse clubs de beweging nieuw leven in te blazen. De belangrijkste activiteit van die clubs was het organiseren van banketten. In publicaties en redevoeringen pleitten de clubs voor de ‘rode republiek’, de republiek van het volk, waarbij naar het devies van de Franse Revolutie werd verwezen: vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid.

Een en ander vertaalde zich in volgende eisen: algemeen (mannen)stemrecht, afschaffing van de Senaat, verkozen rechters, gratis verplicht onderwijs ingericht door de staat, belastinghervormingen, afschaffing van de doodstraf, recht op arbeid, sociale voorzieningen voor zieke en oudere arbeiders, verkoop van basisvoedsel tegen de kostprijs, bouw van modelwijken voor arbeiders enz. Maar andere socialistische of communistische basisprincipes kwamen niet aan bod. Een ruk naar links kwam er dus niet. Het verzet tegen democratische en sociale republikeinen nam na 1848 zelfs toe. Een zware repressie (doodstraffen die weliswaar in zware gevangenisstraffen werden omgezet) dunden de republikeinse gelederen uit. Clubs, banketten en congressen stierven een stille dood. Einde van de radicaal-republikeinse beweging.

Els Witte –  – Polis – 2020 , isbn 978-94-6310-507-1 431 blz. – 27,50 euro

Belgische Republikeinen – Radicalen tussen twee revoluties (1830-1850)
Els Witte
Polis
2020
448, €27,50
978-94-6310-507-1