Kind van de Kolonie

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het boek, “Dochter van de dekolonisatie”, van Nadia Nsayi bestaat uit vier delen, ook al blijkt dat niet uit de structuur. Op de auteur haar familiegeschiedenis volgt het verhaal van wat tegenwoordig haar coming of age heet, hoe een Lingalasprekend Congolees meisje van vijf dat in 1989 voet op Belgische bodem zet zo’n twintig jaar later uitgegroeid is tot een politicologe met internationale politiek als aandachtspunt en met bijzondere belangstelling voor Congo. In het derde deel volgen we haar in haar beroepsleven, eerst als parlementair assistent van CD&V-senator Els Schelfhout en daarna negen jaar lang als beleidsmedewerker bij Broederlijk Delen en Pax Christi, met Centraal-Afrika als werkgebied. In het vierde en laatste deel van het boek gaat Nsayi dieper in op de dekolonisatieproblematiek.

In haar familiegeschiedenis staat haar grootvader, Arthur Clerebaut, centraal. Een volksjongen uit Lessen, steenkapper, soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog, die na afloop als koloniaal naar Belgisch Kongo trekt. In 1921 is dat. Hij blijft er waarschijnlijk tien jaar. Eind 1928 bevalt een Kongolese vrouw van hun zoon, Marcel, die Arthur ruim zeven maanden later officieel erkent.

Dat kolonialen kinderen verwekken bij Kongolese vrouwen is tamelijk gebruikelijk, de erkenning veel minder. De dubbelbloed verliest zijn moeder op jonge leeftijd en groeit zoals zovelen in een schoolkolonie op. Achteraf onder Mobutu maakt hij carrière in de administratie, waarin hij topfuncties bekleedt. Vanwege de president zijn missive om een Zaïrese naam aan te nemen vervelt Marcel Clerebaut tot Nsayi. In 1984 ziet zijn jongste dochter het levenslicht, Nadia, de auteur van “Dochter van de dekolonisatie”. Wanneer hij sterft, emigreert Nadia met haar moeder naar Brussel. In 1989 is dat.

Nsayi verweeft dat verhaal met de geschiedenis van wat eerst Kongo Vrijstaat en daarna achtereenvolgens Belgisch Kongo, Congo en Zaïre heet. Als je enigszins op de hoogte bent van wat er zich in die ongeveer honderd jaar in dat Centraal-Afrikaanse land afgespeeld heeft, leer je nauwelijks wat bij. Maar het is intrigerend om het leven van koloniaal Clerebaut in die historische context geplaatst te zien. Nsayi schrijft het zo: “Familieverhalen illustreren dat de kolonisatie niet alleen ging over ideologieën en instituties maar ook over hun impact op mensen van vlees en bloed. Witte machtige mannen in West-Europa namen grote beslissingen met verregaande gevolgen voor zwarte volkeren in Midden-Afrika. De beslissingen hadden zelfs een invloed op ‘gewone’ witte burgers die als militair, ambtenaar, missionaris, dokter, ondernemer… alleen of met vrouw en kind naar de kolonie verhuisden.”

Zo tilt Nsayi de familiekroniek tot een hoger niveau. Die aanpak stelt haar in staat om zich veel vragen te stellen over de gang van zaken in de koloniale periode. Hoe heeft haar opa zich gedragen tegenover de Kongolezen, wat waren zijn motieven om zich daar tien jaar lang te vestigen, hoe was zijn verhouding met de piepjonge moeder van hun kind? Die techniek, vragen stellen, past ze het hele boek door toe, zij het bepaald niet altijd met hetzelfde verfrissende resultaat. Het sluit aan bij wat wel meer mensen zich afvragen over het koloniale avontuur van familieleden. Ik was veel te jong om mijn tante en mijn oom, die ik als tramchauffeur kende in Brussel en als liefhebber van gueuze, te vragen waarom zij in ’s hemelsnaam naar de kolonie getrokken zijn en wat ze daar uitgespookt hebben. Ook ik moet het bij vragen houden.

Opgroeien in België

Het tweede deel van “Dochter van de dekolonisatie” geeft de lezer vooral inzage in Nadia Nsayi’s groeiproces. Hoe ze sociale en taalbarrières moet overwinnen om zich een plaats te veroveren in de Belgische samenleving. Hoe ze geleidelijk aan ook de “witte” kant ervan exploreert – Nsayi cultiveert het hele boek door het woord “wit”, zoals dat tegenwoordig gebruikelijk is in kringen van de militante Afrikaanse diaspora, en dat is niet bedoeld als een compliment –, wanneer ze in een pleeggezin in Landen terechtkomt en daar school loopt.

Pas na jaren begint Nsayi belangstelling te vertonen voor haar moederland. Eerst trekt ze met haar moeder op familiebezoek, tijdens reizen die daarop volgen verbreedt ze haar horizon. Het helpt haar bij haar studiekeuze. Als ze afstudeert, is het voor haar zonneklaar dat ze haar beroepsactiviteiten op Congo af wil stemmen. Haar opvoeding en opleiding, schrijft ze, maakt van haar een van die “meertalige bruggenbouwers tussen verschillende culturele leefwerelden… mensen die niet alleen Vlaming, Brusselaar, Congolees, Belg, Europeaan of Afrikaan zijn. Ze zijn een combinatie van dit alles omdat hun culturele identiteit veelzijdig is”.

Een gezaghebbende stem

Een jaar of negen, tot na de zomervakantie van afgelopen jaar, werkt Nadia Nsayi voor Broederlijk Delen en Pax Christi. Ze bouwt, vooral in Congo, een netwerk op, van voornamelijk jongeren en activisten, die opkomen voor meer democratie en betere levensvoorwaarden. In België groeit ze uit tot een gezaghebbende stem binnen de ngo-wereld, een lobbyiste die niet afgeeft, zich laat horen op radio en televisie en geregeld in haar pen kruipt om in vrije tribunes aan te klagen wat er mis gaat in haar moederland en wat ze van de Belgische beleidsmakers verwacht.

Maar wie erop rekent dat dit deel van “Dochter van de dekolonisatie” de lezer een beter begrip bijbrengt van de complexe politieke situatie komt bedrogen uit. Nsayi blijft de methode van de vraagstelling aankleven, ze overstijgt ze nauwelijks. Zelfs als ze een boeiend vraagstuk aanraakt als b.v. hoe prioritair verkiezingen moeten zijn, als de eerste bekommernis van een grote meerderheid van de kiezers overleven is, verschuilt ze zich achter de mening van anderen, gelardeerd met haar vragen. Ze laat daarin wel uitschijnen welke richting haar denken uitgaat maar dat had meer mogen zijn dan één paragraaf.

Idem dito voor de passage waar de auteur de verregaande vervalsing van de resultaten van de presidentsverkiezingen van december 2018 onder de loep neemt. Kan ze met haar kennis van zaken echt niets meer vertellen dan dat het duidelijk is “dat de heren (nvdr: de nieuwe president Tshisekedi en zijn voorganger Kabila) een politieke deal hebben gesloten voor een coalitie”. Is dat alles wat we te weten komen? Iemand met haar netwerk en terreinkennis moet de lezer toch diepgaander inzicht kunnen verschaffen. Opnieuw een zwaktebod. Neen, deze bladzijden in het boek zijn een gemiste kans, Nsayi brengt enkele verhalen zonder veel analyse die de lezer de ogen had kunnen openen. Als de reactie is dat dit boek een andere bedoeling had, dan is mijn antwoord (of liever, mijn vraag): waarom dan die kwesties aanraken, en op zo’n onbevredigende manier?

Overigens, één voorval in het boek, waarbij ik nauw betrokken was, sluit de auteur – alweer – af met enkele vragen. Het antwoord dat ze insinueert, raakt kant noch wal.

Sorry is niet genoeg

In de laatste veertig bladzijden van “Dochter van de dekolonisatie” komt Nsayi ter zake. Excuses zijn één ding, om tot een grondige dekolonisering van onze samenleving te komen is er veel meer nodig, is haar stelling: “Ik zie verontschuldigingen als een eerste stap in een proces van heling, verzoening en herstel”. Zo komt ze aardig dicht bij de oprichting van een waarheids- en verzoeningscommissie, zoals er in Zuid-Afrika één opgericht is na de apartheid. Dus eerst te boek stellen wat er allemaal fout gegaan is en dan zoeken naar nieuwe samenlevingsvormen.

Op de keper beschouwd is het eerste deel van het werk nagenoeg gebeurd. Neem “Rood Rubber. Koning Leopold II en zijn Kongo” van Daniel Vangroenweghe, “De Kongostaat van Leopold II. Het verloren paradijs: 1876-1900” van A.M. Delathuy en het onlangs verschenen “Veroverd. Bezet. Gekoloniseerd. Congo 1876-1914” van Zana Etambala (de recensie vind je op Uitpers sinds 15 april, die drie werken belichten de historische feiten op een glasheldere manier. Voeg voor de economische facetten “Congo. De impact van de kolonie op België“ van Guy Vantemsche eraan toe en put uit de schat aan informatie, die te vinden is in “Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis” van Frans Buelens. Al die werken staan in de bibliografie van “Dochter van de dekolonisatie”, je hoeft ze maar te raadplegen en de inhoud onder ogen van het grote publiek te brengen. Voor het hoofdstuk over Lumumba is er het uitstekende rapport van de parlementaire Lumumbacommissie, in boekvorm verschenen onder de titel “Lumumba. De complotten? De moord”.

Het probleem is dus niet zozeer de waarheid te achterhalen, die is bekend, maar de volgende stap te zetten. Dat is in België nooit gebeurd. Na de goedkeuring van het Lumumbarapport in de Kamer had minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel initiatieven in uitzicht gesteld maar die zijn nooit van de grond gekomen. Zo is er van het Fonds Patrice Lumumba, voor conflictpreventie en de opbouw van een rechtsstaat in Congo, nooit meer wat gehoord. Daar schort hem het schoentje en is er werk te verrichten.

Terug naar de dekolonisering. Op het moment dat je denkt: maak dat nu eens concreet, raakt de auteur op dreef. Ze pleit voor precieze acties in de cultuursector, het onderwijs en de media, op de arbeidsmarkt en op het vlak van handel en ontwikkelingssamenwerking. Discussie over koloniale stadsbeelden in het stadsbeeld, een betere samenwerking van het AfricaMuseum in Tervuren met de Afrikaanse diaspora, een vernieuwde aanpak in het onderwijs van de geschiedenis van het Belgische kolonialisme met gebruik van Afrikaanse bronnen, de discriminatie die hoogopgeleide jongeren met wortels in Congo ondervinden bij de zoektocht naar een baan uit de weg ruimen, de geldstromen naar Congo op een andere leest schoeien. Nsayi gaat op een en ander ruim in, in het slot van het boek maakt ze de titel waar.

Lang niet iedereen zal het met al die voorstellen eens zijn maar de ideeën die de auteur aanbrengt, bieden ongetwijfeld gespreksstof aan. Ze stelt het met overtuiging: “De samenleving heeft nood aan een sereen debat over hoe we best met het verleden omgaan”. Nu is het kwestie om naar een platform te streven waar dat gesprek daadwerkelijk plaatsheeft. Als Nsayi haar ideaal van bruggenbouwer waar wil maken en haar ervaring als lobbyiste en militante wil verzilveren, dan is er daar een taak voor haar weggelegd.

Sinds ruim een half jaar is Nsayi werkzaam op het MAS, het Museum aan de Stroom in Antwerpen. Ze is er curator beeldvorming van de tentoonstelling “100 x Congo. Een eeuw Congolese kunst in Antwerpen”, die op 2 oktober haar deuren opent. Er zijn honderd voorwerpen uit Congo te bekijken. Tijdens de koloniale periode zijn ze in de verzameling van Antwerpse musea terechtgekomen, die in 2011 in het MAS opgegaan zijn. Nsayi wil het publiek informeren over wie die objecten maakte, wat hun betekenis was , hoe ze in Antwerpen beland zijn en waar hun toekomst ligt. Benieuwd hoe ze haar denkbeelden over dekolonisering in de praktijk brengt.

Toemaatje

Over dat bruggenbouwen. Deze recensie is geschreven door een journalist met decennia professionele ervaring en terreinkennis, aangescherpt door lectuur, zowel van historische als wetenschappelijke, politieke en economische geschriften, en misschien zelfs wat levenswijsheid. Een journalist, die zich niet de mond laat snoeren omdat hij behoort tot de groep van “oudere, witte mannen”, voor wie de auteur misprijzen opbrengt. Een journalist, die kennis van zaken belangrijker inschat dan leeftijd of huidskleur.Tot spijt van wie het benijdt, Nadia Nsayi.

Dochter van de dekolonisatie
Nadia Nsayi
EPO
2020
220
Guy Poppe (°1946) is gewezen radiojournalist bij de openbare omroep VRT. Bij het brede publiek is hij vooral bekend als Afrikaspecialist.