Een diepe voetafdruk

Een herdenking van de moord op pater Walter Voordeckers in Guatemala; (Foto: Arelys Arias Juarez)
Facebooktwittergoogle_plusmail

Na veertig jaar blijft Walter Voordeckers door de straten en achterkeukens van zijn voormalige parochie in Guatemala ronddwalen. Ook hier in België herdenken we hem. Door de lockdown wordt het op 12 mei 2020 een virtuele bijeenkomst. José Roberto Paz Gularte is de zoon van Roberto Paz, advocaat en medewerker van de parochie in de jaren ’70 toen ik daar fungeerde. Ook hij betreurt opgepakte en verdwenen familieleden. In 2014 gaf zoon José Roberto Paz Gularte zijn thesis voor licentiaat in de Geschiedenis – Sectie Antropologie voor de staatsuniversiteit San Carlos de volgende titel mee: ‘Symbolisme in de staatsagressie tegenover de katholieke priester Walter Voordeckers in Santa Lucia Cotzumalguapa gedurende de regering van generaal Romeo Lucas Garcia (1978-1980)’.
Kort na de publicatie schreef ik een vertalende samenvatting.

De invalsoek van de onderzoeker is niet alledaags. Hij benadert zijn onderwerp vanuit het symbool, de symbolische macht, de symbolische geweldpleging en de specialisten in het produceren van die symbolen. De symbolische geweldpleging streeft ernaar – naast de fysische en de economische – om macht door een sociale groep op een andere uit te oefenen en te bestendigen. Voor de symbolische geweldpleging worden onder meer ‘specialisten’ gebruikt. Die zijn doorgaans de staat en zijn instellingen. Theoretici hebben het dan over: ‘het monopolie van de wettelijke symbolische geweldpleging.’ Militairen zullen inderdaad hun krijgsverrichtingen laten gepaard gaan met een hele vracht symbolische elementen die ze op de bevolking afsturen. Om de ongehoorde en gruwelijke repressie van die tijd te begrijpen moet men de ‘Doctrine van Nationale Veiligheid’ zoals die door de Verengde Staten van Amerika gelanceerd werd en waarbij een ‘Interne Vijand’ gecreëerd werd, voor ogen houden. Om de bevolking onder controle te houden werden de ergste vormen van staatsterreur gebruikt, ondermeer talrijke massale bloedbaden. Theoretici hebben het dan over de ‘theatralisatie van het Exces,’ de totale vernietiging. Het doel was de samenleving te onderwerpen aan een Passieve Consensus en een gevoel van onmacht en zwakte bij de bevolking te veroorzaken.

In het westen van het land deden jezuïeten vormingswerk onder de Mayabevolking en de missionarissen van Scheut en de zusters van Jacht-Heverlee onder de mestiezen in de Zuidkust aan de Stille Oceaan. Een groepje jezuïeten richtte in de hoofdstad een centrum op van waaruit het een netwerk beoogde dat de massale inheemse seizoenmigraties enerzijds en de streken van de grote plantages met mestiezen landarbeiders anderzijds met elkaar zou verbinden. In die context ontstond de boerenorganisatie CUC. Begin ’80 kondigt CUC de strijd af voor een opslag van het miserabel loon dat de suikerrietkappers kregen. Er brak een nooit geziene staking uit die verscheidene weken duurde en de oogsten lamlegde. De motivatie van de ‘campesinos’ was ondermeer te vinden in de erfenis van de Oktoberrevolutie van de jaren 1944 tot 1954 en in de Bijbel en de christelijke waardigheid.

De Herinnering

De auteur van de thesis interviewde een aantal inwoners van Santa Lucía over de toenmalige pastoor. Hij was mager, vooral groot, wat de auteur benoemt als de ‘Verticaliteit van het levend Lichaam.’ En dit refereert dan op zijn beurt naar de ‘transcendentie, de ontmoeting met de goden, leven, redding, sublimering, ook actie, beweging, vooruitgang.’ Hij werd herinnerd als iemand die ‘eigenhandig voedsel bracht aan de gevangenen, iemand die meewerkte met de spaar- en leencoöperatieve en met de basisgemeenschappen van de ‘Familia de Dios.’ Maar wat nog het meest bijgebleven is zijn de publieke aanklachten in zijn homilieën tegen het onrecht de arbeiders en ‘campesinos‘ aangedaan. Hij noemde met naam en toenaam de misdadigers van de bloedbaden, verdwijningen van personen en martelpraktijken: met name de militairen en terroristische groepen. En daarnaast wees hij met de vinger naar de grootgrondbezitters die de boerenbevolking uitbuitten. Een van zijn confraters drukte het zo uit: ‘… hij provoceerde en schandaliseerde ondanks de zeer gespannen situatie.’ Walter liet het niet bij woorden. Hij weigerde in bepaalde gevallen de eucharistie te vieren ter gelegenheid van het patroonsfeest op een plantage.

Op die manier doorbrak hij het status quo en de Symbolische Macht van de grootgrondbezitters die door de bevolking traditioneel aanzien werden als feodale heren.
Toen de staking onder de suikerrietkappers uitbrak was Walter in België, maar bij zijn terugkeer ging hij de stakers actief steunen. Een getuige zei: ‘Hij zat niet achter de staking. Maar hij steunde ze, nietwaar, ik herinner me dat hij ze concreet steunde door voedsel te halen bij Caritas voor de families, en dat, natuurlijk, werd hem niet vergeven.’

Naast het feit dat hij de boerenorganisatie steunde was hij bovendien niet langer de Belgische buitenlander, maar was hij tot de gemeenschap gaan behoren. Bovendien was hij een belangrijk element in de sociale context van het stadje, wat voldoende was om hem als ‘Interne Vijand’ te beschouwen.

De agressie tegen een subversief element

De veiligheidsdiensten van de staat zagen Walter als deel van een ‘subversieve organisatie,’ die op haar beurt deel uitmaakte van de lokale macht van de gemeenschap. En dus was het nodig hem te elimineren. Dienaangaande lezen we in de documenten van de Internationale Waarheidscommissie (CEH – 1999): ‘De lokale macht van de gemeenschappen werd in vele streken onderworpen aan nieuwe structuren, zoals de Burgerpatrouilles voor Zelfverdediging, Ontwikkelingspolen en nieuwe evangelische kerken.’ Walter moest uit de weg geruimd worden om drie doelstellingen te bereiken: de boerenorganisatie straffen vanwege haar overwinning tijdens de staking, de katholieke kerk en de religieuzen die de stroming van de bevrijdingstheologie aankleefden een slag toedienen en de gemeenschap onthoofden van haar leiders om de lokale macht te vervangen in de belangrijkste gemeente van de suikerrietindustrie.

Psychologische ingrepen
De menselijke emoties werden onder druk gezet door angst, hoop en verlangens om de ‘vijand’ te overwinnen. In de kunst van de oorlog worden middelen als de verrassing en het opdrijven van paniek of terreur gehanteerd.

Geruchtenmolen
Walter werd afgeschilderd als een slechte mens, vijand van de individualiteit en de traditionele waarden, subversief en communist, die de campesinos tot opstand tegen de landeigenaars aanzette.

Muurschilderingen
‘Buitenlandse communistische priesters,’ ‘Walter’ Go home’ verscheen op de muren van het parochiehuis. Xenofobie? Het paste in de ideologische hersenspoeling van de soldaten door de legerleiding: buitenlandse dreiging, internationaal communisme. Op die manier kwam er een symbolische verplaatsing tot stand van ‘communist zijn’ naar ‘vreemdeling zijn.’ Hier zien we de Symbolische Geweldpleging in volle gang. Het denkbeeld dat de gemeenschap van Walter had, als sociale leider, als spirituele gids en persoon wordt vernietigd en heropgevuld door een Negatieve Andere. Zo wordt hij voor de gemeenschap ontmenselijkt, waardoor zijn uitschakeling gemakkelijker geslikt wordt door de lokale bevolking. Ondanks dit feit bleef de gelovige gemeenschap hem volgen.

Toegang geweigerd en toezicht

Allengs werd hem door de landeigenaars en hun administrators de toegang geweigerd om nog langer religieuze vieringen op hun terreinen te houden. Tegelijk werd Walter voortdurend onderworpen aan toezicht en controles door de veiligheidsdiensten van de staat. In het lijvig rapport van het aartsbisdom Nunca Más staat te lezen: ‘Reeds in 1974 en 1976 begon de militaire controle op de vergaderingen van catechisten in de parochie van Escuintla en van de Puerto de San José.’

Walter werd op twee manieren gecontroleerd. Enerzijds door veiligheidsagenten, met name vanuit het leger of de politie en anderzijds door lokale vrijwilligers, ‘oren‘ genoemd.
Dit soort agressie oefende een nefaste invloed uit ‘op de emotionele gezondheid van Walter, want hij vertoonde symptomen van paranoia.’ Een duidelijk gevolg van de Symbolische Geweldpleging, waarbij de repressieve staat zich aandient als een entiteit met een onmetelijke capaciteit om te infiltreren, te waken en alle ruimten van de gemeenschap te controleren.’ De controle, ook als ze niet constant uitgevoerd wordt, moet wel als permanent ervaren worden. Vandaar de angst van Walter, ‘om nooit te weten wanneer en wie hem aan het bespioneren is.’

Misdaad als voorbeeld

De ontvoering en verdwijning van de Filippijnse collega Conrado de la Cruz (CICM) en de koster van zijn parochie op 1 mei 1980 betekende een vreselijke slag voor Walter en de overige leden van de congregatie van Scheut en de kerk in de zuidkust. In de documenten van het Kantoor voor de Mensenrechten van het Aartsbisdom (ODHAG) staat dat Conrado propagandamateriaal stencilde van de boerenorganisatie CUC, die door de staat beschouwd werd als een guerrillaorganisatie. De congregatie van Scheut publiceerde een aanklacht in de pers, ook de bisschoppenconferentie, de parochie van Tiquisate, het Comité Pro Justicia y Paz en een groep van 140 priesters en leken.

De Psychologische Oorlogsvoering beoogt een sensatie van machteloosheid tegenover de straffeloosheid en onzekerheid te creëren wat betreft het lot van de ontvoerden, waardoor de staat elke verantwoordelijkheid uit de weg kan gaan. Het doen verdwijnen van de lijken beantwoordt, volgens een citaat van De Luna – 2007, aan de militaire tactiek die het Franse leger in Algerije hanteerde, om achteraf aanklachten van de publieke opinie uit de weg te gaan.

Doodsbedreigingen

Die gebeurden bij middel van telefoonoproepen, persoonlijke bedreigingen van een administrator van een plantage, waarbij hij zijn pistool trok en beloofde hem neer te halen indien nodig. Het symbolisch karakter van diens macht vergrootte daar hij kon rekenen op de aanwezigheid van de Militaire Ambulante Politie die de plantage bewaakte. Anonieme dreigbrieven werden in de mandjes van de omhaling voor stoelgeld geworpen. De staatsterreur kende geen scrupules in de strijd tegen de ‘Interne Vijand.’

Veelal eindigden de brieven met de woorden: ‘we kennen je wel.’ Die frase zit vol symbolisme. In verschillende culturen, zoals de Mayacultuur en de judochristelijke, heeft het ‘kennen’ ook de betekenis van het bezitten van en de controle over het object of het subject. Over de muurschilderingen getuigde iemand: ‘… want de sermoenen in de zondagsmissen waren zeer straf, hij riep hen op menselijker te zijn, de salarissen te verbeteren, dat ze de werkman niet uitbuitten, en tegelijk nodigde hij de landarbeiders uit zich te organiseren en hun rechten te verdedigen, dat is de oorzaak van zijn dood. Daarom plaatsten ze de muurschildering Walter communist op het parochiehuis.’

Al die vormen van agressie wogen zwaar op de psychologische gezondheid van Walter. Hij was zeer bang, met nagenoeg de zekerheid dat ze hem gingen vermoorden.
De internationale Waarheidscommissie (CEH) tekende zijn eigen woorden op: ‘Ik heb geweldig veel schrik, want ik ontving reeds bedreigingen, ze willen mij vermoorden en ze zullen mij vermoorden, maar als ze mij willen vermoorden of me meesleuren, ga ik lopen, ik ga me niet laten ontvoeren, ik heb liever een kogel dan ontvoerd te worden (…).

Poging tot ontvoering

Een paar keren voelde Walter dat ze hem buiten lokten met de bedoeling hem te ontvoeren.
‘Behalve in zeer urgente gevallen, zullen de aanhoudingen ’s nachts gebeuren,’ leest men bij Trinquier, een strateeg van de Moderne Oorlogsvoering. Het gebruik van de duisternis om gewelddadige acties uit te voeren heeft ook een symbolische en psychologische betekenis. Ondanks de moderne technologie voelen de mensen zich ’s nachts onzeker en bedreigd.
Net zoals bij de ingreep tegen collega Conrado de la Cruz was de bedoeling van de ontvoering van Walter niet alleen om informatie in te winnen, maar om toe te slaan met het symbolische element dat de verdwijning van een priester teweeg brengt.

De moordaanslag

De veelvuldige agressie die Walter ondervond, zadelde hem op met slapeloosheid.
In april 1980 was hij uit België teruggekeerd en in mei werd hij vermoord, terwijl hij vanuit het parochiehuis de straat overstak naar het postgebouw. De vier moordenaars parkeerden hun wagen dichtbij de kerk en gingen eerst nog in een eethuis ontbijten. Twee onder hen grepen hem vast, maar hij kon zich losrukken en zette het op een lopen. Een derde schoot zeven kogels af in de rug. Onderweg naar het plaatselijk staatshospitaaltje overleed hij door veelvuldig bloedverlies.

In volle dag en voor de neus van veel volk iemand ontvoeren is niet gangbaar. Was het wel de bedoeling hem te ontvoeren? Eerder het psychologisch impact op de bevolking was belangrijk om een sfeer te creëren waarbij niemand veilig is tegenover de staatsterreur. Indien het toch om een gefrustreerde poging tot ontvoering ging, dan was het vooral de bedoeling hem met veel bombarie tegenover de bevolking weg te voeren en hem spoorloos te doen verdwijnen.

Elsa Blair wordt geciteerd. Volgens haar worden extreme gewelddadige acties in gewapende conflicten uitgevoerd op alledaagse plaatsen waar levensbelangrijke activiteiten plaats grijpen en die een sterke symbolische betekenis voor de gemeenschap hebben. In dit concreet geval verliep het scenario in de schaduw van het parochiehuis. Men kan veronderstellen dat het belangrijkste doel erin bestond de actie zo publiek mogelijk uit te voeren. De idee van het Centrum van de stad is hoogst belangrijk. Daar identificeert het individu zich en voelt zich veiliger dan elders. In het gemeentelijk centrum lopen de politieke machten, zoals het gemeentebestuur, de politie, de veiligheidsdiensten, de religieuze instellingen, zoals de kerk en het Huis van de Cultuur samen. De moord op Walter kan geïnterpreteerd worden als de uitschakeling van de spirituele leider in het Huis van de Gemeente en symbolisch verder doorgetrokken in het huis van elk van de bewoners. Met als gevolg: ‘niemand is nog veilig in zijn eigen huis.’

Indien de allereerste bedoeling was om hem levend te pakken en weg te voeren, dan moest het theatrale aspect zo sterk mogelijk zijn. Walter zette het op een lopen. Een van de misdadigers schoot hem in de rug. Er was dus geen oogcontact met het slachtoffer, Walter werd gereduceerd tot object. Het document van het Kantoor voor de Mensenrechten van het Aartbisdom (ODHAG 1998) heeft het over maximale wreedheid waarbij de moordenaar al zijn kogels afvuurt en geen meer overhoudt voor het genadeschot.

Walter was niet dood, maar verloor veel bloed. Wat de ondervraagde ooggetuigen vooral psychologisch aangreep en bijgebleven is, is het bloedverlies. Hij stierf niet aan de kogels, maar aan het bloedverlies. Het impact kon niet erger. Als dat met de spirituele leider van de gemeenschap gebeurt, wat stond dan de rest niet te wachten? Dit alles leidt tot het besluit dat de moordoperatie een Strafoperatie was, om vooral de gemeenschappen te slaan. Daarmee wilde men elke mogelijke vorm van ongehoorzaamheid aan het regime verhinderen.

De deelnemers

Alle geïnterviewden zijn het er over eens dat de moord minutieus gepland werd. Dat blijkt ondermeer uit het wachten en het controleren tijdens de morgenuren. Het type aanvallers deed denken aan een moordeskader, waardoor het regime buiten schot bleef. Maar er kwam wel inzet van veiligheidsdiensten bij te pas, want er was op voorhand informatie ingewonnen omtrent de gewoonten en dagelijkse activiteiten van Walter. Deze planning en opvolging en manier van optreden deden de bevolking besluiten dat het om een actie van het leger ging. De onderneming was te sterk en bovendien afgehandeld in volle vrijheid. ‘De daders liepen rustig naar de wagen na de uitvoering van de moord.’ De deelname van de staat was evident. Het gebeurde allemaal op enkele meters afstand van de standplaats van de Nationale Politie, die geen enkele inspanning leverde om de misdadigers aan te houden.

De beschrijving van de daders door de ondervraagden reikt ook een aantal symbolen aan. De daders waren klein van gestalte, met lelijke smoelen. Dit staat in schril contrast met hoe ze Walter zagen, waarbij het Verticale van de persoon (zijn grote gestalte) opviel. Het duidde op transcendentie, op de ontmoeting met het hemelse, het sublieme, het leven en de redding. Daartegenover stond de figuur van de moordenaars, het Horizontale, het lage, het wereldse, het onzuivere, het beestige.

Achteraf zou juist degene die de schoten loste van de gemeenschap de zoon van de vroegere koster, in militaire dienst, geweest zijn. Door dit verraad kon de staat eventueel de schijn wekken dat niet gelijk welke schurk, maar uitgerekend iemand uit de gemeenschap de moord op zich nam. Hij zelf werd naderhand ook uitgeschakeld. Naast leger en politie wijzen de geïnterviewden ook in de richting van de grootgrondbezitters als belangrijke intellectuele moordenaars.
Samenvattend worden volgens de getuigenissen drie belangrijke daders aangeduid: vooreerst het netwerk van geïnfiltreerde lokale ‘spionnen,’ of de ‘oren, daarnaast het leger en zijn veiligheidsstructuren, die vanuit de militaire zone en de militaire contrainsurgentie G2 in de gemeenschap tegenwoordig waren en de Nationale Politie als medeplichtigen. Daarnaast wordt de mogelijke rol van de grootgrondbezitters ook genoemd als mogelijke intellectuele daders.

De begrafenis

Walter had de wil uitgesproken om bij zijn dood begaven te worden in Santa Lucía en in typische en eenvoudige klederdracht, ‘helemaal in het rood en met een witte broek’. ‘Zijn kist was van dennenhout.’ Ondanks de schrik die er bij velen inzat, werd de uitvaartmis talrijk bijgewoond. Leden van CUC vormden een haag en droegen borden met grote letters mee. Toen de kist voorbijkwam draaiden ze de borden om en vormden de zin: ‘Walter, het leger en de grootgrondbezitters hebben je vermoord.’

Tijdens de ceremoniën was er intimidatie en controle. Agenten van de veiligheidsdiensten en infiltranten werden gesignaleerd. Legercamions stationeerden in de straten. Ook hier is de bedoeling niet ver te zoeken: de aanwezigen schrik aanjagen. De burgemeester, lid van de ultrarechtse Partij ‘Beweging voor Nationale Bevrijding,’ parkeerde zijn wagen in de nauwe straat om de weg naar het kerkhof te belemmeren. Een groep campesinos pakte de wagen op en droeg hem een straat verder weg.

Agressie na zijn dood

De herinnering aan Walter werd belemmerd door dezen die de moord probeerden te rechtvaardigen en de schuld in zijn eigen schoenen te schuiven. Vier dagen na de moord kreeg de bissop van Escuintla een kwalijke brief van grootgrondbezitter Walter Withman, die hem op de vingers tikte omdat hij zijn priesters niet onder controle had.

Op 23 juli 1982 meldde de Nationale Politie aan de toenmalige viceminister van Binnenlandse Zaken Harold Cabrera Enriquez dat ‘de vernoemde religieus vermoedelijk slachtoffer was van een van die subversieve daden (…) niettemin gaan de onderzoeken door.’

Uiteindelijk kwam het erop neer de straffeloosheid als natuurlijk te doen overkomen. De bevolking diende te weten dat de meest gewelddadige vormen gehanteerd werden wanneer het regime in gevaar kwam, ook als daardoor de wetten, waarop de staat zelf zich baseerde, moesten geschonden worden.

Eindbedenkingen

Het gewelddadig gedrag van de staat had te maken met de Doctrine van de Nationale Veiligheid, opgelegd door de Verenigde Staten en met de verdediging van de bevoorrechte positie van de heersende klasse in het land.

Het organisatorisch werk van de katholieke kerk in Santa Lucía en andere plaatsen in de kuststreek mondde uit in de boerenorganisatie Comité de Unidad Campesina (CUC). Hierdoor voegden zich de strijd van de boer in de kuststreek en die van de Maya seizoenarbeider uit de bergstreken aan elkaar. En die georganiseerde krachten slaagden erin de massale staking van suikerrietkappers tot een overwinning te maken en een gevoelige loonopslag van de lamgelegde agro-industrie af te dwingen.

Het pastoraal werk van Walter Voordeckers ging niet uit vanuit een louter persoonlijke opstelling, maar kaderde in het vernieuwingsproces van de pastorale inzet van de katholieke kerk, gekenmerkt door een bevrijdende evangelisatie en een voorkeursoptie voor de armen.
De reeds beschreven kenmerken en eigenschappen van de persoonlijkheid van Walter en zijn invloed in de gemeenschap van Santa Lucía maakten hem tot Interne Vijand en strategisch doelwit om de gemeenschap symbolisch te treffen. Daarop werd een strategie van agressies gepland. De agressies hadden een trapsgewijs karakter en volgden de tactiek zoals gebruikt in Psychologische Oorlogvoering gericht op de massa. Geruchten en muurschilderingen werden gebruikt om de beeldvorming over de priester van de gemeenschap te doen wankelen. Die moest van zijn menselijkheid ontdaan worden en gereduceerd tot Subversieve Misdadiger, die aanslagen pleegde op de gewoonten en de gebruiken van de gemeenschap. Zijn buitenlandse afkomst werd dik in de verf gezet. Hij werd een vreemd element dat niet paste in de lokale omgeving. Zijn pastoraal werk werd in vraag gesteld om hem zo van de gelovigen los te weken.

Openlijke en tegelijk geheime controle werd gehanteerd om hem tegen te houden en hem zwak te doen voelen tegenover een oppermachtige staat.

De ontvoering en de verdwijning van collega Conrado de la Cruz en diens koster Herlindo Cifuentes was bedoeld om aan alle religieuzen van de kuststreek duidelijk te maken hoe hard de repressie straffeloos toesloeg
.
Er volgden doodsbedreigingen, zowel rechtstreekse zoals telefoonoproepen en persoonlijke waarschuwingen als onrechtstreekse zoals geschreven nota’s en de muurschilderingen. Die bedreigingen, samen met een klimaat van hevige spanning en onzekerheid, beoogden Walter en de bevolking van de gemeente lam te leggen.

Met list en bedrog werd herhaaldelijk gepoogd om hem – volgens het boekje van de moderne oorlogvoering – bij avond op te pakken. Door de anonimiteit van mogelijke agressors en een oeroud menselijk gevoel van kwetsbaarheid die de nacht inspireert werden de mensen van zijn onmiddellijke omgeving vervuld van onzekerheid. Het feit dat de operatie plaatsgreep op klaarlichte dag en in het aanschijn van veel volk doet meerderen besluiten dat op die fatale dag de poging tot ontvoering een vermomming was om de impact op de bevolking extra te verzwaren. Sterke symbolische impact ging uit van de ‘plaats delict,’ namelijk het centrum van het stadje, beschouwd als het centrum van de bevolking en met uitbreiding van de haard; het centrum ook als symbolische vluchtheuvel.

De symboliek van het excessief geweld van de openbare executie van Walter gaat gepaard met het langdurig karakter van de toegebrachte pijn door de herhaaldelijke afvuring in de rug. De getuigenissen tonen nog altijd aan dat de intellectuele moordenaars dienen gezocht te worden bij de grootgrondbezitters en hoge legerofficieren. Terwijl ze de materiële en verhullende daders gaan zoeken onder de repressieve diensten van de staat zoals lokale spionnen en nationale militairen en politieagenten.

De tactiek van de agressie duurde tijdens de begrafenis voort. Zij die het waagden aanwezig te zijn werden gecontroleerd en geïntimideerd. De staat, die de richtlijnen van de Psychologische Oorlogsvoering volgde, liet Walter opvoeren als de verantwoordelijke van zijn eigen dood. Daarnaast werd geen enkele vorm van onderzoek rond de moord ingesteld.
De verschillende vormen van agressie waren vooral bedoeld om de gemeenschap schade toe te brengen om de directe macht van de repressieve staat en de daarmee gepaard gaande straffeloosheid duidelijk te stellen. De staat moest als natuurlijk aanvaard worden, ook in zijn despotische geweldpleging, zelfs wanneer hij het masker opzette van de doodseskaders, want iedereen wist maar al te goed dat leger en politie er achter zaten. De bevolking herkende zichzelf in de agressies die Walter incasseerde. Tenslotte was hij hun spirituele en lokale leider, wat hem sterk bond aan de collectiviteit van Santa Lucía Cotzumalguapa. Zijn dood lijkt op een rituele moord waarbij de meest geliefde persoon eruit gepikt wordt om het ‘goddelijke geweld,’ in dit geval van de Repressieve Staat, over hem heen te gooien.

Uiteindelijk moest de hele gemeenschap gestraft worden, voor de zware doodzonde die begaan werd door de staking in de kuststreek: de grote overwinning van de boerenbeweging. En tegelijk de grote nachtmerrie van de heersende klasse.

Guido De Schrijver is:

Coördinator van de steungroep ‘Solidair met Guatemala’
Lidorganisatie van het Europees Netwerk van Oscar Romero Comités
Lidorganisatie van EU-LAT Network

Ik verbleef 15 jaar in Guatemala als missionaris van Scheut (CICM) van 19964 tot 19679. Onder meer werkte ik enkele jaren in de parochie van Santa Lucía Cotzumalguapa (waar Walter Voordeckers een paar jaren later vermoord werd). Daar kende ik toen Roberto Paz de vader van de persoon wiens thesis ik vertalend samenvatte. Na mijn terugkeer naar België (maart 1979) werkte ik 20 jaar in Brussel voor de pastoraal met Latijns-Amerikaanse gemeenschappen en stichtte het Comité voor Rechtvaardigheid en Vrede (later en tot nu genoemd: 'Steungroep Solidair met Guatemala.')