In Colombia is het geweld niet in quarantaine

bron: Wikicommons
Facebooktwittergoogle_plusmail

“Het geweld is niet in quarantaine” is een zin die voortdurend herhaald wordt door sociale, milieu- en mensenrechtenleiders in Colombia.

Volgens mensenrechtenorganisaties zijn sinds 25 maart, de datum waarop het hele land in lockdown ging omwille van de corona-dreiging, al meer dan 21 sociale leiders vermoord. Rurale gemeenschappen en grassroots-organisaties zeiden van bij het begin dat de COVID-19 maatregelen, net zoals de pandemie zelf, hen nog kwetsbaarder zouden maken dan ze al waren.

Al op 18 maart stuurden 120 rurale gemeenschappen en organisaties brieven naar de verschillende gewapende groepen in het land -waaronder de nationale strijdkrachten, guerrilla’s en paramilitairen- waarin ze opriepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren en een humanitair akkoord. Deze brieven werden opgesteld nog voor VN-secretaris-generaal António Guterres opgeroepen had tot een mondiaal staakt-het-vuren. Sommige lokale gemeenschappen zijn de brieven rechtstreeks gaan afgeven aan leden van paramilitaire organisaties die actief zijn in hun territoria. Van alle Colombiaanse gewapende groepen kondigde alleen de ‘Ejército de Liberación Nacional’ (ELN) een unilateraal staakt-het-vuren voor de maand april af als een reactie op COVID-19. Op 24 april richtten opnieuw honderden vertegenwoordigers van rurale gemeenschappen zich tevergeefs rechtstreeks tot president Duque met een oproep tot een algemeen staakt-het-vuren en een humanitair akkoord. Helaas werd ook het staakt-het-vuren van het ELN eind april opgeheven wegens een gebrek aan bereidheid van de regering om een dialoog aan te gaan met de guerrilla-groep.

Colombia is de meest gevaarlijke plaats op aarde om een sociale leider te zijn.

Voor wie de recente geschiedenis van het land een beetje kent, was het niet moeilijk om te voorspellen dat de pandemie en de quarantaine-maatregelen zouden leiden tot meer geweld in Colombia. In de afgelopen maanden was er al een toename van aanvallen en dreigingen tegen sociale leiders – een stijging die niet werd gestuit door de pandemie, integendeel. Volgens de NGO Indepaz werden er dit jaar op 24 april al 84 sociale leiders en 24 ex-strijders van de FARC-EP vermoord. Sinds de ondertekening van het Vredesakkoord tussen de Colombiaanse regering en de belangrijkste guerrillabeweging FARC-EP (2016) werden al 400 sociale leiders vermoord. Dit trieste cijfer maakt van Colombia de meest gevaarlijke plaats op aarde om een sociale leider te zijn. Velen zeggen dat dit de echte pandemie is waar Colombia onder lijdt. De reactie van de overheid op deze ernstige situatie bestaat vooral uit ontkenning. Een paar maanden geleden stelde de Colombiaanse minister van Binnenlandse Zaken, Alicia Arango, nog dat er “meer mensen sterven bij gsm-diefstallen dan van een mensenrechtenverdediger te zijn”.

Grond als oorzaak van geweld

Het Vredesakkoord van 2016 was een moment van hoop voor het land, aangezien het een einde moest maken aan het conflict tussen de overheid en de FARC-EP dat meer dan 50 jaar aanhield. Het kostte het leven aan meer dan 260.000 mensen en dreef bijna 8 miljoen mensen op de vlucht. Een van de belangrijkste oorzaken van het conflict was de strijd om de controle over grond en natuurlijke bronnen. Ook vandaag is dit nog altijd de belangrijkste reden voor geweld in het land. Kleine boeren, en inheemse en afro-Colombiaanse gemeenschappen proberen de gronden die hen werden afgepakt voor grootschalige monocultuur en ontginningsprojecten, evenals het opleggen van de coca-teelt, terug op te eisen en te beschermen. Land speelt zo’n cruciale rol in het Colombiaanse conflict, dat Hoofdstuk 1 van het Vredesakkoord volledig gaat over de implementatie van een uitgebreide rurale hervorming. Het is, niet verrassend, een van de onderdelen van het akkoord waarbij het minst vooruitgang is geboekt. Het Landfonds dat in dit verband werd opgericht, heeft nog geen hectare grond verdeeld. De 3 miljoen hectare grond die volgens het Vredesakkoord moet verdeeld worden, heeft het Landfonds zelf nog niet eens kunnen verwerven. Tegelijk werd er met 212.000 hectare nog nooit zoveel coca geteeld in Colombia als in 2019. (In 2012 ging het nog om 78.000 hectare.) Naar schatting werd daarmee 951.000 kilogram cocaïne geproduceerd, een kleine stijging ten opzichte van 2018. Dit toont aan dat de historische oorzaken van geweld in Colombia dezelfde blijven.

Geen controle

Ondanks het Vredesakoord met de FARC-EP waren er volgens het Internationaal Comité van het Rode Kruis, maar liefst vijf conflicten aan de gang in Colombia eind 2018, waaronder conflicten met guerrilla’s (o.a. de ELN en FARC-EP dissidenten) en met paramilitaire groepen/drugskartels zoals de ‘Autodefensas Gaitanistas de Colombia’ (AGC). In 2019 registreerde het Rode Kruis 355 slachtoffers van explosieven en landmijnen, 25.300 gedwongen verhuizingen en 918 schendingen van het internationaal humanitair recht.

Binnen deze context brengt een opgelegde quarantaine de lokale gemeenschappen en sociale leiders nog meer in gevaar. Het feit dat mensen zich niet mogen verplaatsen, betekent dat ze een veel gemakkelijker doelwit vormen voor gewapende groepen. In rurale gebieden bewegen de gewapende krachten zich vrij en maken ze gebruik van de restricties om een nog grotere controle over de territoria te verwerven. Op verschillende plaatsen, bijvoorbeeld in de regio Putumayo, hebben de gewapende groepen zichzelf ook de taak toegeëigend om de quarantaine af te dwingen bij de bevolking. Als er al een antwoord komt van de regering, beperkt die zich tot het sturen van meer legertroepen, geen enkele civiele aanwezigheid. Het feit dat nationale en internationale instituties, zoals het Bureau van de Ombudspersoon (de overheidsinstantie ter bescherming van de mensenrechten), het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties en allerlei mensenrechtenorganisaties niet naar de rurale gebieden mogen door de quarantainemaatregelen, maakt de situatie alleen meer erger. Zij leveren immers een belangrijke bijdrage aan de bescherming van gemeenschappen louter door hun aanwezigheid. Ze zetten normaal gezien ook verificatiemissies op poten eenmaal er een dreiging is geuit of een aanval is gepleegd. Alle recente gevallen van geweldpleging zullen nu simpelweg bijdragen aan de enorme straffeloosheid in het land.

Humanitaire impact

In Colombia staat de teller momenteel (de ochtend van 6 mei) op 8613 bevestigde gevallen van corona-besmetting en 378 doden. Maar er vallen ook veel slachtoffers -ook dodelijke- door de maatregelen die ingevoerd werden om corona te bestrijden. Een rechtstreeks gevolg van de quarantaine in Colombia is de humanitaire impact van de opgelegde opsluiting op afgelegen rurale gemeenschappen. Volgens het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken (OCHA) zijn alleen in de regio van Alto Baudó ten minste 3083 individuen (824 families) behorend tot 23 inheemse en Afro-Colombiaanse gemeenschappen volledig afgesloten van basisdiensten, toegang tot voedsel, proper drinkwater, enz. De inwoners van Ibudó en Padadó in het noorden van het westelijke departement Chocó zitten in een gelijkaardige situatie. Gezondheidsproblemen waarmee deze afgesloten gemeenschappen geconfronteerd worden, verergeren doordat ze zich niet naar medische centra kunnen begeven en er van de overheid uit geen medische diensten voorzien worden. Zo sterven er heel wat meer mensen aan perfect behandelbare ziektes. In het rurale gebied Buenaventura zouden in april binnen een week tijd 3 inheemse kinderen gestorven zijn omdat ze afgesloten waren van de buitenwereld door de COVID-19 maatregelen.

Er vallen slachtoffers -ook dodelijke- ten gevolge van de maatregelen die ingevoerd werden om corona te bestrijden.

Ook in de steden is de humanitaire impact van de COVID-19 maatregelen groot. De lockdown is heel strikt. In de hoofdstad Bogotá -die 7,5 miljoen inwoners telt- mogen mensen uitsluitend naar buiten om basisgoederen zoals voedsel en medicijnen te kopen. Mondmaskers zijn overal en altijd verplicht. Per gezin mag maar 1 persoon tegelijk boodschappen doen. Op even dagen zijn dat de vrouwen en op oneven dagen de mannen. Sinds begin mei mag er tussen 6 en 8 uur ’s ochtends gesport worden buiten (fietsen en lopen), maar alleen in een zeer beperkte straal rond het huis en zonder gezelschap. Wie betrapt wordt op het overtreden van de maatregelen kan een boete krijgen van 222 euro, het equivalent van het minimummaandloon in het land. De vele daklozen in de steden moeten zich schuil houden en zoveel mogelijk uit het zicht blijven van de ordediensten. Ook de vele miljoenen mensen die in de informele industrie werken in Colombia (meer dan 60% van de werkende bevolking) worden zwaar getroffen. Het gaat om straatverkopers, vuilnisverzamelaars en allerlei andere activiteiten die buiten de regulering van de overheid vallen. Deze werkende armen zijn zonder inkomen gevallen en kunnen niet genieten van een structureel sociaal opvangnet of uitkeringen. De regering beloofde bij de invoer van de quarantaine voedselhulp voor de armsten, maar midden april wachtten de meesten nog steeds op bijstand. In de arme zuidelijke wijken van de hoofdstad leidde de onhoudbare situatie al meerdere malen tot straatprotest. De burgemeester erkende de vertragingen in de levering van hulp. Ondertussen zijn mensen in steden en dorpen begonnen met rode doeken uit hun ramen te hangen om te signaleren dat ze honger lijden.

Net zoals in veel andere Latijns-Amerikaanse landen is er in de Colombiaanse gevangenissen een chronisch overbevolkingsprobleem, wat de gedetineerden extra kwetsbaar maakt voor de pandemie. Op 21 maart braken er tegelijkertijd opstanden uit in verschillende gevangenissen in het land uit protest tegen de overbevolking en het daarbij horende risico op corona-besmetting. In de beruchte Modelo-gevangenis van Bogotá kwamen daarbij 23 mensen om het leven en vielen er meer dan 80 gewonden. Op 24 april startten de gedetineerden in de Picota-gevangenis een hongerstaking. Ze eisten onmiddellijke maatregelen tegen de overbevolking. Er zijn ondertussen effectief corona-gevallen gesignaleerd in gevangenissen. Zo waren er op 30 april al 314 besmettingen en 1 overlijden vastgesteld in de Villavicencio-gevangenis.

Dit artikel verscheen eerder op Vrede.be