De hebzucht van Leopold

(commons.wikimedia.org)
Facebooktwittergoogle_plusmail

Naarmate een groter deel van het Afrikaanse continent werd veroverd, kwamen de Europese mogendheden steeds vaker tegenover elkaar te staan, hetgeen tot kleine en grote conflicten leidde. Teneinde dit proces enigszins in goede banen te leiden, werd in 1884 de Koloniale Conferentie van Berlijn gehouden onder voorzitterschap van de Duitse kanselier Bismarck. De deelnemers spraken er spelregels af met als voornaamste dat een gebied pas formeel kon worden opgeëist nadat er een effectief bestuur, inclusief een voldoende militaire aanwezigheid, was gevestigd. Daartoe volstond een verdrag met een lokaal stamhoofd waarin deze zich onder ‘bescherming’ van een Europese staat stelde en deze exclusieve en veelal verstrekkende rechten toekende. Dat gebied kon dan niet meer door andere staten worden opgeëist. Voorts werd de wens uitgesproken om missie-activiteiten te bevorderen.

Aan deze conferentie namen geen Afrikaanse staten deel. Er was geen enkele Afrikaan aanwezig.

De opdeling van Afrika

in de ogen van de deelnemende mogendheden  was met deze afspraken op de conferentie een goede basis gelegd voor een ordentelijk verloop voor de verdere opdeling van Afrika. De term ‘ordentelijk’ slaat hierbij op de relatie tussen de Europese staten, niet op de relatie Europa Afrika, en ook niet op het gebruik van militair en ander geweld bij het koloniseringsproces zelf. Door het ontbreken van sancties in het stelsel van afspraken kwamen er enkele malen nog conflicten voor, zoals het Fashoda-incident. Hier botsten in 1898 Engelse en Franse troepen met elkaar in het zuiden van Soedan.

Het Franse koloniaal beleid streefde naar de controle over een strook die het gehele continent bestreek vanaf de Atlantische Oceaan via de Sahara tot aan de Rode Zee; van west naar oost dus. Het Britse streven was om een onderbroken strook te bezitten van Egypte tot Zuid-Afrika, van noord naar zuid. Waar beide benaderingen elkaar geografisch sneden, onder andere in Zuid-Soedan, kwam het bijna tot een gewapend treffen tussen Franse en Britse troepen. Het Britse beleid werd overigens ook nog fysiek doorkruist door Duits Oost-Afrika (het huidige Tanzania).

In het algemeen verliep het proces echter zoals de Europese mogendheden zich dat hadden voorgesteld. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog waren er in geheel Afrika slechts drie landen die de jure of de facto geen kolonie waren van een Europese mogendheid: Liberia, de Somalische Derwisjstaat en Ethiopië.

De economisch meest strategische delen van Afrika kwamen in Britse handen. Groot-Brittannië voerde tot 1890 een weinig intensieve Afrikaanse koloniale politiek. Londen wilde als de belangrijkste grootmacht vooral voorkomen dat Egypte in Franse handen kwam. Dat zuidelijk Afrika Brits werden was grotendeels het gevolg van particulier initiatief van Cecil Rhodes, mijnmagnaat in de diamantsector en stichter van de Britse kolonie in Zuid Afrika. In het geval van Nigeria heeft London dit protectoraat te danken aan George Goldie, een bestuurder voor Britse ondernemingen rond de Niger rivier. Wat oorspronkelijk privé beleid was van magnaten of grote ondernemingen werd later staatspolitiek. Ook in Kongo.

Kongo-Vrijstaat

De Belgische koning Leopold II vond België wat te klein voor een grote vorst als hij, droomde al geruime tijd van een kolonie. Leopold zette in 1876 de Geografische conferentie van Brusel op. Uit deze conferentie ontstond de Association Internationale africaine (AIA) die door LeropoldII filantropische en anti-slavernij doelstellingen werd toegemeten. Daarnaast richtte hij zelf nog de Association Internationale du Congo (AIC) op.

Hij volgde met grote interesse de tocht van Morton Stanley door Centraal-Afrika. In 1879-80 sponsorde hij een nieuwe expeditie van de Britse ontdekkingsreiziger, waarbij hij Stanley de opdracht gaf om langs de Kongo stroom handelsposten op te richten, akkoorden te sluiten met lokale leiders en het gebied ten zuiden van de stroom te claimen in naam van de Belgische koning.

Tijdens de Conferentie van Berlijn (184-85), waar hij zelf niet aanwezig was, waar de Europese mogendheden onder mekaar Afrika verdeelden. Wist de Belgische koning Leopold II de grootmachten Engeland, Frankrijk en Duitsland handig tegen elkaar uit te spelen. Op die manier kreeg hij, met zijn AIC, een gebied in handen in het hart van Afrika, 80 keer zo groot als België. Enkele maanden later werd de Association Internationale omgevormd tot Etat Indépendant du Congo, Kongo-Vrijstaat, nadat het Belgisch parlement Leopold II toestemming had gegeven om het hoofd te zijn van “de staat die in Afrika door de Internationale vereniging is gesticht”. In de traditie van het 19de eeuwse imperialisme werd Kongo een echte exploitatiekolonie. Hoewel de uitbouw van zijn kolonie Leopold II aanvankelijk bijna ruïneerde maakte de massale export van ivoor en rubber uit Kongo-Vrijstaat van hem uiteindelijk een uiterst rijk man.

In de periode1885 tot 1908 werden talloze wreedheden gepleegd in de kolonie van Leopold II. Deze gruweldaden kwamen vooral voort uit de opgelegde dwang van het arbeidsbeleid rond de verzameling van rubber voor de export.

De aanwezigheid van rubberbedrijven zoals ABIR (Anglo Britain Industrial Rubber company) verergerde het effect van natuurrampen zoals hongersnood en ziekte. ABIR was opgericht met Brits en Belgisch kapitaal maar tegen het einde van de eeuw bleven alleen de Belgische aandeelhouders over. Het ABIR-systeem van belastinginning dwong mannen uit de dorpen om rubber te verzamelen wat betekende dat er minder of geen mankracht ter beschikking was om op de uitgeputte velden te werken. Wat resulteerde in lagere opbrengsten, een probleem dat nog werd verergerd door de bedrijfswachters die gewassen en vee stalen.

Samen met epidemische ziekten en hongersnood droegen de gepleegde wreedheden bij aan een scherpe daling van de Congolese bevolking. De omvang van de bevolkingsdaling gedurende deze periode wordt geschat tussen 1 en 15 miljoen. Volgens hedendaagse schattingen is de bevolking van de Vrijstaat in de periode van het begin van Leopold tot de overname door de Belgische staat gehalveerd geworden.
De conferentie van Berlijn wees de regio Kongo toe aan een private ‘liefdadigheidsorganisatie’ (AIC), geleid door Leopold II, die al lang ambitie had voor koloniale expansie. Het grondgebied toegewezen aan de Belgische koning overschreed 2.600.000 km², maar te midden van financiële problemen werd de kolonie beheerd door een klein aantal beheerders uit Europa, maar bleef de kolonie onrendabel en verkeerde de Kongo-Vrijstaat aan de rand van het faillissement. Door de opkomst van de auto-industrie kwam er  enorme vraag naar rubber die overvloedig aanwezig was op het grondgebied zorgde voor de radicale verschuiving in de jaren 1890 door de winning van rubber en voor de export.

Force publique

Om de winning en export van rubber te vergemakkelijken werd de meerderheid in de vorm van concessies aan private bedrijven gegeven. In de periode 1891-1906 mochten de bedrijven doen wat ze wilden met vrijwel geen gerechtelijke inmenging, met als gevolg dat volop dwangarbeid werd gebruikt om het rubber zo goedkoop als mogelijk te verzamelen en de winst te maximaliseren. Men kan stellen dat Leopold II met de rubberhandel uit zijn kolonie het grote lot gewonnen had. Een inheems paramilitair leger, met zwarte soldate en blanke officieren, werd opgericht, de “Force Publique”, om het koloniaal arbeidsbeleid te handhaven. Als individuele werknemers of dorpsgemeenschappen weigerden deel te nemen aan de rubberwinning, volgden gruwelijke straffen, werden hele dorpen met de grond gelijkgemaakt. Werden handen of oorlellen afgekapt. Deze afschuwelijk wreedheden hadden internationaal bekend. Deze praktijken werden ook uitgevoerd door de soldaten van de Force Publique. Ze kregen opdracht om voor elk schot dat ze afschoten ook de handen of de oorlellen van hun slachtoffers in te leveren, om zo de afgevuurde kogel te rechtvaardigen, (kogels ingevoerd tegen hoge kosten uit Europa). Omdat men geloofde dat ze anders de munitie zouden gebruiken voor de jacht. Bijgevolg werd de rubberquota gedeeltelijk betaald volgens de afgehakte handen. Het aantal afgeschoten kogels moest overeenkomen met het aantal afgehakte handen. Het afhakken van handen, oren of neuzen was zeker ook een middel om andere te intimideren die in volle angst werkten om de opgelegde quota te halen. De exploitatie van rubber vereiste geen investeringen in technologie, bemesting of dure apparatuur, zij vereiste enkel arbeiders en slaafse opvolging van de bevelen.

De hebzucht van Koning Leopold II was grenzeloos, zonder enige moraliteit. De kolonie maakte het mogelijk om winst te maken op korte termijn, gebaseerd op grote menselijke offers. De kolonisator wilde resultaat op korte termijn. Deze grenzeloze hebzucht is zeker een rationelere benadering dan een zogenaamd project op lange termijn van ontwikkeling en menselijke emancipatie. De Vrijstaat van Leopold II was een koloniaal genocidesysteem, veroorzaakt is door menselijk handelen in dienst van de Belgische monarch.

Belgisch Kongo

De kritiek op Leopold II werd steeds sterker in internationale kringen. De rubberexploitatie stond onder druk door de opkomst van de synthetische rubber. In 1908 werd de Kongolese Vrijstaat overgenomen door de Belgische overheid. Dat veranderde voor de Kongolezen maar weinig. De functionarissen die voorheen voor de Vrijstaat werkten bleven op post na de annexatie. Er kwam meer nadruk te liggen op de mijnontginning: koper, goud, tin. In plaats om de Congolezen rechtstreeks te verplichten om te werken voor de koloniale ondernemingen, gebruikte de Belgische overheid een dwangbelasting die de Congolezen opzettelijk onder druk zette om werk te vinden bij Europese werkgevers om de nodige middelen te verwerven om de belasting te kunnen betalen.

Even voor de Eerste Wereldoorlog zei de Belgische socialist Louis de Brouckère hierover: “We hebben de annexatie van Kongo gestemd en we dachten een kolonie te hebben. Vandaag stellen we vast dat de kolonie ons heeft. We zijn toegetreden tot de kring van de wereldmachten, maar deze toetreding heeft niets veranderd aan de kleine omvang van het land die anderen lachwekkend over komt. En de groten zullen ons niet laten doen. We moeten mee, we moet hun beweging volgen, bewapenen wanneer zij het zeggen, kosten maken wanneer zij het zeggen, we moeten dansen op hun muziek.”

het eerste deel van dit artikel “De Europese wedloop om Afrika” vindt u hier