Syriëgangers vast, Den Haag vrijuit

Een foto van een pickup-truck zoals geleverd door Nederland aan de gewapende groepen, met daarin gephotoshopt de voormalige minister Bert Koenders van Buitenlandse Zaken die de steun aan de groepen in gang heeft gezet.
Facebooktwittergoogle_plusmail

Het Nederlandse kabinet steunde terroristen in Syrië. Maar dit bleef onbestraft. De enigen die voor de rechter werden geleid waren teruggekeerde Syriëgangers. Hoe kan dit?

Op 26 mei 2017 verscheen een artikel van mijn hand met de titel Steunt Nederland terroristen in Syrië? Ik moest het toen nog bij een vraagteken laten, omdat toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders mij geen namen wilde noemen van de strijdgroepen die hij bevoorraadde met pickup-trucks, nachtkijkers, communicatieapparatuur en overig ‘niet-dodelijk’ materieel. Het enige wat hij erover kwijt wilde was dat het om ‘gematigde gewapende oppositie’ ging, die de steun van Nederland hard nodig had “om te voorkomen dat deze wordt weggedrukt tussen Assad, ISIS en Al Nusra.” Want niet alleen zei hij af te willen van ISIS en Al Nusra, de Syrische tak van Al Qaida – ook de Syrische regering moest omver worden geworpen.

Hoe kon ik alsnog de namen achterhalen van de door Koenders gesteunde strijdgroepen? WOB-adviseur Roger Vleugels ontraadde mij een beroep te doen op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). Dat zou mij veel tijd en geld kosten en niks opleveren, omdat, zo zei hij, mijn vragen waarschijnlijk raakten aan staatsgeheim.

Pas in september 2018, vijf maanden nadat minister Stef Blok van Buitenlandse Zaken het steunprogramma had beëindigd omdat er bijna niks meer over was van de ‘gematigde gewapende oppositie’, werd duidelijk waar het kabinet drie jaar lang mee bezig was geweest. Dagblad Trouw en actualiteitenprogramma Nieuwsuur onthulden in een reeks artikelen en uitzendingen de namen van negen van de 22 strijdgroepen die sinds 2015 door de Nederlandse regering waren gesteund. Daaronder was Jabhat al-Shamiya, ook wel genoemd Levant Front, een organisatie die het Openbaar Ministerie (OM) beschouwt als ‘salafistisch’, ‘jihadistisch’ en ‘een criminele organisatie met terroristisch oogmerk’. Ook was steun verleend aan groepen die nauw samenwerkten met terreurgroepen, alsook aan groepen die zich volgens mensenrechtenorganisaties schuldig hadden gemaakt aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Plus: er waren Nederlandse hulpgoederen terecht gekomen bij Al Qaida en mogelijk ook bij ISIS. Deze en overige informatie hadden Trouw en Nieuwsuur verkregen via WOB-verzoeken en ook door zelf contact op te nemen met strijdgroepen in Syrië.

Geschokte Kamer

De Tweede Kamer (in België: de Kamer van Volksvertegenwoordigers) reageerde zoals de Nederlanders die kennen: ‘geschokt’. De Kamerleden bestookten minister Blok met tien moties en maar liefst 382 vragen, maar daar bleef het bij. Er kwam geen parlementaire enquête, Blok kon blijven zitten waar hij zat en de namen van de 22 gesteunde strijdgroepen bleven staatsgeheim.

Volgens de Syrië-expert en oud-diplomaat Nikolaos van Dam heeft de bemoeienis van landen als Nederland de oorlog in Syrië alleen maar verergerd. “Het was beter geweest niets te doen dan het verkeerde doen, zoals wapens sturen”, aldus Van Dam.” Ik heb liever een Assad-regime met een paar duizend doden dan een Assad-regime met een half miljoen doden, miljoenen vluchtelingen en een land dat in puin ligt, zoals nu het geval is.”

Sommige partijen in de Kamer dachten daar echter anders over. Zo erkende GroenLinks-kamerlid Bram van Oijk weliswaar dat er fouten waren begaan “maar een algemene conclusie over het falen van dit programma deel ik niet.” VVD-kamerlid Sven Koopmans: “Nederland heeft een programma gehad waar risico’s aan zaten. Je kan niet zeggen, dat als het risico zich uiteindelijk materialiseert, het per definitie fout was om iets te proberen te doen.” D66-kamerlid Sjoerd Sjoerdsma vroeg zich zelfs af of het OM Jabhat al-Shamiya terecht als terreurgroep beschouwde. “Ik heb over de groep in kwestie ook iets genuanceerdere analyses voorbij zien komen.”

Deze milde reacties hoefden niet te verbazen. De Kamerleden voelden wel aan dat ze medeverantwoordelijk waren voor het debacle. In 2015 diende Joel Voordewind van de ChristenUnie een motie in waarin hij het kabinet opriep af te zien van het Syrische hulpprogramma. Dit omdat toen al duidelijk was dat er grote risico’s aan kleefden, onder meer vanwege verontrustende berichten over groepen die door de Amerikanen waren getraind en bevoorraad met wapens. De Kamer verwierp de motie. Deze kreeg alleen steun van CDA, SGP, SP, Partij voor de Dieren en 50Plus.

Geen strafrechtelijk onderzoek

Wat wel verbaast: het Openbaar Ministerie (OM) heeft tot op heden geen strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de direct verantwoordelijke personen: de voormalige ministers van Buitenlandse Zaken Bert Koenders (PvdA) en Halbe Zijlstra (VVD) – en de zittende minister Stef Blok (VVD). Dit terwijl Syriëgangers die er van verdacht worden aan de zijde te hebben gestreden van het door deze ministers gesteunde Jabhat al-Shamiya bij terugkomst in Nederland meteen worden gearresteerd en berecht, onder wie Driss M, die overigens uiteindelijk werd vrijgesproken omdat de rechter vond dat onvoldoende bewezen was dat hij deel had uitgemaakt van de terreurgroep.

Het OM leek aanvankelijk niet uit te sluiten dat het Koenders, Zijlstra en Blok strafrechtelijk zou vervolgen. Officier van Justitie Ferry van Veghel had namelijk in een interview verklaard dat niet alleen de actieve deelname aan terreurgroepen strafbaar is, maar ook het op enigerlei wijze faciliteren ervan.

Het OM heeft mij nu echter laten weten geen redenen te zien om een strafrechtelijk onderzoek in stellen. Dit omdat, zo verklaarde OM-woordvoerder De Bruin, “het kabinet de bevindingen van Trouw en Nieuwsuur nooit heeft bevestigd. En sowieso moet je niet alles geloven wat in de krant staat.”

Ik vind dat een bizarre uitleg. Dat het kabinet Jabhat al-Shamiya heeft gesteund is boven alle twijfel verheven. Het blijkt uit documenten van het ministerie van Buitenlandse Zaken, die dankzij de WOB-procedure van Trouw en Nieuwsuur naar voren zijn gekomen, en het blijkt uit interviews van deze media met een commandant van de strijdgroep en met vele andere betrokkenen.

Gewaarschuwd man

Het verweer van minister Blok aan de Tweede Kamer was dat de Nederlandse regering Jabhat al-Shamiya niet als terreurgroep beschouwt omdat deze niet voorkomt op de sanctielijsten van de Europese Unie (EU) en de Verenigde Naties (VN). Dat mag zo zijn, maar het OM denkt daar dus anders over. En met goede redenen. Zo publiceerde Amnesty International in juli 2016 een rapport getiteld Torture was my punishment , waarin geconstateerd wordt dat Jabhat al-Shamiya martelt, mensen ontvoert, standrechtelijke executies uitvoert en sharia-rechtbanken leidt, waar de doodstraf staat op afvalligheid.

Het kan minister Blok en zijn voorganger Zijlstra mogelijk niet verweten worden dat zij niet wisten van de mensenrechtenschendingen van Jabhat al-Shamiya en de wens van deze groep een kalifaat te stichten. En bovendien was het Blok, die, een maand na zijn aantreden, alle steun aan gewapende groepen stopzette. Maar Koenders, die het Syrische steunprogramma in gang zette, was een gewaarschuwd man. Amnesty had het rapport Torture was my punishment persoonlijk onder zijn aandacht gebracht. De mensenrechtenorganisatie verzocht hem zijn invloed aan te wenden om landen die Jabhat al-Shamiya op dat moment steunden te vragen de hulp direct te staken. Amnesty wees daarbij niet alleen op steun in de vorm van wapens, maar ook op logistieke steun. Koenders gaf geen gehoor aan dit verzoek. Een jaar later, in 2017, begon hij zelf met het leveren van logistieke hulp aan Jabhat al-Shamiya.

Het was niet alleen de steun van het kabinet aan een terroristische organisatie die Amnesty onaangenaam verraste. Uit onderzoek van Trouw en Nieuwsuur bleek bovendien dat de Sultan Murad Brigade tot de ontvangers van Nederlandse hulpgoederen had behoord. Deze groepering werkte nauw samen met Al Qaida en was betrokken bij diverse mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden, waaronder het ongericht raketten afvuren op een woonwijk in Aleppo, waarbij 83 burgers omkwamen, waaronder dertig kinderen. Verder bleek het kabinet tenminste drie groepen te hebben gesteund die nauw samenwerkten met het door het OM als ‘terroristisch’ bestempelde Ahrar al-Sham.

De Nederlandse regering was tot in detail op de hoogte over de wandaden van de Sultan Murad Brigade en Ahrar al-Sham, stelt Carla del Ponte, die namens de Verenigde Naties (VN) rapporteerde over oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen in Syrië. Nederland had van 2015 tot 2017 een zetel in de VN-mensenrechtenraad waar de commissie van Del Ponte onderdeel van uitmaakte. Over de Nederlandse VN-ambassadeur Karel van Oosterom zegt Del Ponte: “Hij wist precies wat er in onze rapporten stond, hij kende zelfs de details van de onderzoeken.” Van Oosterom twitterde de rapporten van Del Ponte, waaronder een rapport waarin de wandaden van de Sultan Murad Brigade expliciet genoemd werden. Nederland zette haar steun aan de Sultan Murad-brigade niettemin voort tot begin 2018.

Anders dan in het geval van groepen die zij als ‘terroristisch’ beschouwt, lijkt het OM geen bewindslieden te kunnen vervolgen vanwege steun aan groepen die zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Er is de Wet Internationale Misdrijven, maar die stelt het OM alleen in staat verdachten te vervolgen die het militaire commando voerden of het burgerlijke gezag uitoefenden over strijdende partijen.

In strijd met volkenrecht

Niettemin lijkt de steun van Nederland aan gewapende groepen in Syrië in strijd te zijn met het volkenrecht. Nederland heeft deze groepen goederen geleverd, niet alleen om ISIS te bestrijden, maar ook om de Syrische regering omver te werpen. Dit is in strijd met het beginsel van ‘non-interventie’ uit het Handvest van de Verenigde Naties. Landen mogen geen inbreuk plegen op de soevereiniteit van andere landen, en al helemaal niet door middel van militair geweld. “Het is één ding om gematigde groepen te steunen die deel zijn van een politiek proces”, zegt volkenrechtelijk adviseur André Nollkaemper hierover. “Het is wat anders om goederen te leveren die deel uitmaken van gewapende actie tegen Assad. Het internationaal recht maakt daar een heel scherp onderscheid, en met goede gronden.” Het maakt daarbij niet uit dat Nederland geen wapens leverde maar alleen niet-dodelijke goederen zoals pickup-trucks en nachtkijkers. “Als die non-letale middelen gebruikt worden, direct of indirect in militaire operaties gericht op de omverwerping van een vreemde regering dan is dat volkenrechtelijk evenzeer problematisch”, aldus Nollkaemper.

Strafrechtadvocaat Geert-Jan Knoops wijst erop dat in de Grondwet staat dat de regering de plicht heeft de internationale rechtsorde te bevorderen. En aangezien het erop lijkt dat het kabinet Rutte in strijd hiermee heeft gehandeld, hebben de verantwoordelijke bewindslieden mogelijk een ‘ambtsmisdrijf’ gepleegd. De vervolging voor een ambtsmisdrijf kan alleen in gang worden gezet bij koninklijk besluit of op verzoek van de Tweede Kamer. Maar van die mogelijkheid is noch van koninklijke zijde, noch vanuit de Tweede Kamer gebruik gemaakt. Er was alleen een motie van fractievoorzitter Thierry Baudet van Forum voor Democratie, waarin de regering werd opgeroepen het OM te verzoeken een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar minister Blok en diens voorgangers op Buitenlandse Zaken. Die motie werd uiteraard ontraden door Blok, en de Kamer handelde overeenkomstig door in meerderheid tegen de motie stemmen. En ook was er nog een oproep van Tunahan Kuzu van DENK aan de Kamer om aangifte te doen tegen de verantwoordelijke minister vanwege het begaan van een ambtsmisdrijf. Hij zei hiervoor vijf handtekeningen nodig te hebben van Kamerleden, maar die kreeg hij niet.

Internationale berechting

Hoe nu verder? Wat als het rechtsstelsel van een land tekortschiet bij de vervolging van eigen burgers die zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan terrorismefinanciering, schending van de internationale rechtsorde en betrokkenheid bij oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid?

“Syrië kan hypothetisch gezien bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag aankloppen, waar staten kunnen procederen”, zegt advocaat Geert-Jan Knoops. “Daar kan het land naar voren brengen dat Nederland en andere Europese landen het internationaal recht schonden door te interveniëren in de interne strijd in Syrië. Het zou niet de eerste keer zijn dat een land met succes zo’n zaak voert.”

Slachtoffers of nabestaanden van oorlogsmisdaden die begaan zijn door strijdgroepen die Nederlandse steun kregen, hebben een zaak als ze Nederland aansprakelijk stellen, zegt Göran Sluiter, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Dat kan volgens hem via het civiele recht. “Slachtoffers kunnen via die weg proberen schade te verhalen op de staat als die behulpzaam is geweest bij het begaan van misdrijven.” Sluiter doet grootschalig onderzoek naar deze vorm van secundaire aansprakelijkheid: “Er ligt veel jurisprudentie voor een dergelijke zaak.”

De voormalig hoofdaanklaagster van het Joegoslavië-tribunaal Carla Del Ponte pleit voor een internationaal tribunaal dat oorlogsmisdaden in Syrië onderzoekt en daarbij ook de inmenging van landen als Nederland onder de loep moet nemen. Del Ponte lijkt echter te vergeten dat internationale tribunalen uit de tijd zijn sinds de oprichting van het Internationaal Strafhof in Den Haag. Dat vervolgt sinds 2002 verdachten van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, genocide en – sinds 2018 – ‘agressiemisdrijven’ (aanvalsoorlogen), voor zover het eigen land deze verdachten niet kan of wil vervolgen.

Voormalig minister Koenders heeft gezegd dat president Bashar al-Assad van Syrië zou moeten worden berecht bij het Strafhof in Den Haag. Hoewel het inmiddels niet langer ondenkbeeldig is dat hij daar zelf voor het hekje geleid zal worden, heeft het College van Bestuur van Universiteit Leiden in haar wijsheid besloten Koenders te benoemen tot hoogleraar Vrede, Recht en Veiligheid. Dit is het bestuur komen te staan op de aanbieding van een petitie waarin wordt opgeroepen dit hoogleraarschap voortijdig te beëindigen. Vice-decaan Koen Caminada van de Faculty of Governance and Global Affairs, waar Koenders is aangesteld, heeft de petitie in ontvangst genomen en heeft beloofd met een verklaring te zullen komen.

 

Eric van de Beek was al journalist voordat hij kon lezen en schrijven. Dagelijks tekende hij na wat hij in het kinderprogramma De Fabeltjeskrant had gezien. Als student journalist vroeg hij zich af waar het nieuws toe dient, aangezien het zelden gaat over aangename zaken en het het individu vaak een gevoel van machteloosheid bezorgt. Hij wijdde er zijn afstudeerscriptie aan getiteld 'Genoeg van het nieuws'. Jarenlang werkte hij in vaste dienst voor achtereenvolgens het sociaal-economische maandblad MUG en opinieweekblad Elsevier. Sindsdien is hij freelance journalist. De laatste jaren schrijft hij voornamelijk over geopolitiek en de rol van de media daarin. Van de Beek neigt naar het sociaal-liberalisme, maar is sowieso pleitbezorger van de internationale rechtsorde en dus kritisch over unilateralisme en militaire interventies.