Mijnen en ondermijnen: de Wereldbank in Mongolië

Facebooktwittergoogle_plusmail

Mongolië. Zo vaak komt het land niet in het nieuws. Dat is eigenlijk jammer, want het is een prachtig land waar ook politiek heel wat interessants gebeurt. Afijn, als het mag.

Want niet alles is positief. Het land heeft een progressieve regering en probeert met zijn wetgeving een economische ontwikkeling in dienst van de bevolking op gang te trekken.
Edoch, de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds kijken toe. Dat is hun taak. Wat niet hun taak is, is daarbij uitsluitend de belangen van de bedrijfswereld te behartigen. In dit geval: Rio Tinto en Turquoise Hill Resources. En de VS-ambassade, of wat had U verwacht, speelt het spel mee.

Waar het om draait is een grote kopermijn, Oyu Tolgoi, ’s werelds grootste. De onderhandelingen over een investeringsakkoord lopen al sinds 2003. In november 2019 keurde het Mongoolse Parlement een resolutie goed waarin de regering werd opgedragen om de nationale wetten te respecteren en ervoor te zorgen dat het project ten goede zou komen aan de bevolking.

Het mocht niet zijn. De bedrijfsbelangen hebben gewonnen, de druk was te groot. Mongolië wordt nu opgezadeld met een schuldenlast, milieuschade en een verlies van democratische controle op zijn natuurlijke hulpbronnen.
Mongolië wordt op die manier nagenoeg volledig afhankelijk van zijn extractieve industrie en ziet de macht van multinationals over het land toenemen. De regering deed enorme toegevingen zodat de ondernemingen er beslist niet op achteruit gaan.

Het is alweer een voorbeeld van hoe de internationale financiële instellingen in dienst staan van grote ondernemingen en hun mondiale plunderingen ondersteunen. Ze steunen niet, maar ondermijnen de ontwikkelingskansen.

Nauwelijks een paar jaar geleden waren het diezelfde instellingen die Mongolië er nagenoeg toe dwongen de ingevoerde universele kindertoeslag maar snel weer in te trekken. Alleen arme mensen hebben er volgens hen recht op.

Ondanks alle mooie verhalen over armoedebestrijding en sociale bescherming, blijven deze instellingen bijzonder negatief voor arme landen.

Deze gegevens komen uit een onderzoek van SOMO en OT Watch.

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.