Levende lijken. Nu ook met smeuïge details!

Facebooktwittergoogle_plusmail

Morbide kan je het wel noemen. Jarenlang lezen over – en reizen naar – de lijken van drie al lang overleden dictators. In chronologische volgorde van overlijden: Mussolini, Pétain, Franco. Het is het soort morbide curiositeit die je eerder verwacht bij het lezerspubliek van ‘de boekskes’. Maar dit boek is het werk van hoogleraar-emeritus, en hij voert voor zijn ongewone belangstelling een goede reden aan.

De figuur van de dictator is namelijk ook de belichaming – letterlijk – van een regime. Het vege lijf incarneert een politiek concept. Dat geldt overigens niet alleen voor dictators, maar voor vele andere heersers. Of, zoals de opmerkelijke historicus Ernst Kantorowitz het (ruim zestig jaar geleden) formuleerde in zijn richtingwijzende studie over de dubbele betekenis van het lichaam van de vorst: “het sterfelijke van de persoon en het symbolische van het staatshoofd”. Er bestaat niet alleen een fysiek lichaam, maar ook een politiek lichaam. Het ene gaat vroeg of laat op een of andere manier dood; het andere gaat – met excuus voor de macabere beeldspraak – een eigen leven leiden. De omgang met het stoffelijk overschot reflecteert of beïnvloedt dan het al dan niet overleven van een idee. Wat op het spel staat is de strijd om de herinnering.

In die strijd worden lijken geschonden, plechtig of tersluiks begraven, weer opgegraven, ‘ontvoerd’ of verplaatst. De dictator vindt zelfs na zijn dood geen rust, moet nog een rol spelen in de politieke machinaties van zijn aanhangers. De uiteindelijke ‘laatste rustplaats’ wordt vaak een bedevaartsoord voor nostalgici, maar trekt als bezienswaardigheid ook andere en ‘onverdachte’ belangstellenden aan. Noem het de ultieme vorm van ramptoerisme. Dat de omgang met het lijk van de dictator uiterst actuele betekenis kan krijgen werd in de voorbije jaren nog maar ‘s duidelijk geïllustreerd door het touwtrekken rond het verwijderen van Franco’s stoffelijk overschot uit zijn praalgraf … dat een al even macabere geschiedenis heeft.

Maar er is inderdaad ook meer. Over de omgang met het lijk van de dictator kunnen heel wat boeiende politieke, filosofische en – niet het minst – psychologische beschouwingen worden ontwikkeld. Die beschouwingen maken het interessantste deel uit van Rassons boek; om niet te zeggen: het enige echt interessante deel. Helaas vullen ze slechts een klein aantal van de bijna vierhonderd bladzijden tekst.

Want Luc Rasson mag dan een hoogleraar-emeritus zijn, voor de enigszins beslagen lezer komt hij uit dit boek vooral te voorschijn als iemand die perfect weet hoe je in de eerste decennia van de 21ste eeuw succesrijke journalistiek beoefent. Of, milder uitgedrukt, populariserende geschiedschrijving.

Daarin wordt de historicus ondergeschikt aan de verteller, de geschiedenis aan het verhaal. In dat verhaal is weinig vraag naar diepgaande – laat staan maatschappijkritische – analyse, maar des te meer naar ‘smeuïge details’, zoals die tegenwoordig ook in zogenaamde kwaliteitskranten gegeerd zijn. En vooral het verhaal-in-het-verhaal mag niet worden verwaarloosd: op elk moment dient de verteller de lezer uitvoerig te berichten over wat hij (of zij) onderneemt, en welke gevoelens in hem (of haar) opborrelen bij bepaalde boeken, bezoeken of gesprekken. Dat geeft een auteur meteen de kans om desgewenst politiek correct afstand te nemen van de figuur die hem zo uitermate fascineert. Er hoeft dan ook niet te diep worden ingegaan op de vraag of je in geschiedschrijving over dictaturen of dictators over de persoon kan schrijven zonder aan het regime aandacht te besteden, of omgekeerd.

Wie een ernstige analyse wil maken van de aard en oorzaken van de regimes die door Mussolini, Pétain of Franco werden geïncarneerd, hoeft dit boek niet te lezen. Het is wel nuttig voor wie (een al dan niet morbide) belangstelling heeft voor de laatste maanden, dagen of uren van de dictator of voor de controverses daarrond, maar geen zin (of voldoende talenkennis) om de stapels boeken te doorworstelen die daarover in de voorbije decennia zijn verschenen. Dat omvangrijke ‘huiswerk’ heeft romanist Rasson ten behoeve van de lezer gemaakt.

De vraag rijst dan of zijn keuze voor die drie Zuideuropese dictators bepaald is door zijn talenkennis, of wellicht ook enigszins door de overweging dat de regimes van Mussolini, Pétain of Franco al bij al niet zo onmenselijk waren als bijvoorbeeld die van Hitler of Stalin. Die overweging is onweerlegbaar juist: beide voornoemde regimes maakten onvergelijkelijk meer slachtoffers dan de eerste drie. Toch zou in een wetenschappelijke vergelijking ook Stalin moeten betrokken worden: ook zijn lichaam werd ‘her-begraven’, en ook nu nog zijn er Russen die zo naïef en onwetend en vooral gefrustreerd zijn dat ze Stalin idealiseren.

Maar wacht even: Stalin niet, Pétain wel? Kan je die krasse knar wel een dictator noemen ? Dat vraagt zich bijvoorbeeld (op de Doorbraak-webstek) Frankrijk-kenner Koen Dillen af … die de vraag vervolgens straal naast de kwestie beantwoordt door te argumenteren dat het Vichy-regime niet als ‘fascistisch’ kan worden gedefinieerd. Daarover kan men van mening verschillen. Maar juist het voorbeeld ‘Stalin’ maakt duidelijk dat het begrip’ fascistisch’ één ding is, en ‘dictator’ een heel ander. En dat een oude dictator tegelijk formeel alleenheerser kan zijn én het deksel boven allerlei rivaliserende strekkingen binnen het regime werd destijds ook overvloedig geïllustreerd in Spanje.

Is die opwerping van Dillen alleen maar een semantische detailkwestie met betrekking tot een “uitzonderlijk boek”? Ze vestigt in elk geval – allicht ongewild – de aandacht op de evidente – én zelfgekozen – beperking van dit boek, die trouwens door te titel zeer correct wordt weergegeven. Het gaat over de manier waarop met het lijk van de drie dictators werd omgegaan; en dus niet op de eerste plaats over hun ‘leven en werken’ of hun persoonlijkheid, en al helemaal niet over het hoe en waarom van de regimes die door hen werden (c’est le cas de la dire) belichaamd.

Het wordt allemaal uitvoerig en kleurrijk uit de doeken gedaan, met zin voor pittige details en zonder teveel schroom voor onsmakelijke elementen.

De wanordelijke vlucht van de duce, tot het bittere einde vergezeld door zijn minnares; de dubieuze en nog steeds niet geheel verduidelijkte terechtstelling van beiden, en hoe ze nadien werden overgeleverd aan de volkswoede. Hoe een handvol aanhangers later het lijk uit een anoniem graf ontvoerden, er letterlijk mee rondzeulden tot het bij een klooster een geheimgehouden graf kreeg en slechts vele jaren later mocht worden bijgezet in de familiegrafkelder in Mussolini’s geboorteplaats Predappio.

Hoe de toen 88-jarige Pétain niet op de vlucht sloeg maar tegen zijn wil door de Duitse ‘bondgenoten/bezetters’ naar het Duitse Sigmaringen werd weggevoerd, hoe hij er op stond zijn proces in Frankrijk niet bij verstek te ondergaan maar zelf bij te wonen, hoe ook zijn lijk in zijn ballingsoord op het eiland Yeu (waarheen hij was verbannen nadat de doodstraf was omgezet in levenslang) geen rust vond, want door aanhangers werd opgegraven en verstopt, maar tenslotte toch naar het eiland terugkeerde.

Over Franco tenslotte herinneren wat oudere lezers zich allicht hoe eind oktober 1975 elke dag het einde werd verwacht, maar de dagen zich eindeloos aaneenregen terwijl de caudillo kunstmatig in leven werd gehouden met een zogenaamde therapeutische hardnekkigheid die eerder een foltering was, hoe zijn lijk vervolgens in een opgeschroefd melodramatische ‘processie’ naar het praalgraf werd overgebracht dat hij (onder meer door dwangarbeiders) had laten bouwen, en waaruit hij pas recent werd verwijderd.

Het leven van elk van die dictators, hun psyche, hun ideeën of de regimes die zij vestigden, komen hooguit her en der in flardjes aan bod. Maar goed: als een onderzoek A belooft, mag je het niet kwalijk nemen dat het niet over B of C gaat. Maar het blijft jammer dat een onderlegd man als Rasson zich die beperking heeft opgelegd.

Wie een iets of wat behoorlijke kennis heeft van de drie besproken dictaturen zal met dit boek die kennis hooguit wat kunnen aandikken met ‘smeuïge feiten’. Wie wat historische kennis over de betrokken personen en regimes wil opdoen via een levendige reportage, op smaak gebracht met flink wat ‘chronique scandaleuse’ komt hier zeker aan zijn (of haar) trekken.

Tot slot nu eens geen gezeur over minieme foutjes, maar zowaar een compliment: het omslagontwerp is bijzonder geslaagd, en moet zeker meedingen naar een prijs.

 

Het lijk van de dictator. Franco. Mussolini. Pétain
Luc Rasson
Vrijdag, Antwerpen
2020
414