Wandelen naar Kongo

Facebooktwittergoogle_plusmail

Zo heette het boek, dat Lucas Catherine in 2006 geschreven heeft en dat als ondertitel “Langs koloniaal erfgoed in Brussel en België” droeg. EPO heeft wat je prima als een wandelgids kunt hanteren nu heruitgegeven met een nieuwe titel “Het dekoloniseringsparcours” en als ondertitel “Wandelen langs Congolees erfgoed in België”. Met die veranderingen geeft de auteur aan dat het hem niet meer in de eerste plaats te doen is om door middel van een historische wandeling de lezer kennis te laten maken met materiële elementen, zoals monumenten, standbeelden, gedenkplaten en straatnamen, die de erfenis van ’s lands enige kolonie, Kongo dus, ruim een eeuw na haar ontstaan in 1908 en bijna zestig jaar na het einde van de kolonisering nog altijd zichtbaar maken.

Met de opsomming van wat er in Brussel en Antwerpen maar ook in andere steden in Vlaanderen én Wallonië herinnert aan die periode, begint het boek nog altijd, zeker, maar ze is aangevuld en gelardeerd met kaderstukken, b.v. over de Koninklijke Schenking, in de oorspronkelijke uitgave een bijlage, en het AfricaMuseum in Tervuren. In een nieuwe bijlage doet de auteur een boekje open over de Brusselse familie Walckiers, in de 18e eeuw bedrijvig in de slavenhandel tussen het gebied aan de monding van de Kongo en de Caraïben. Het Walckierspark in Schaarbeek en het door een van hen gebouwde Belvédèrekasteel in het park van Laken zijn hedendaagse sporen van hun zakelijke imperium.

Verdieping

In plaats van 139 bevat de herwerkte uitgave 251 bladzijden. Zo voegt de auteur informatie toe, die hij in 2017 gepubliceerd heeft in “Kongo, een voorgeschiedenis”. Op die manier komt de gelegenheidswandelaar in contact met fascinerende figuren als Pieter van den Broecke, zoon van een Hobokense bakker, die voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie begin van de 17e eeuw drie keer op missie gaat naar het rijk van de Bakongo aan de monding van de Kongorivier, en de West-Vlaming Maurice Calmeyn, jager op groot wild, die na twee reizen, in 1907 en 1908, uitgroeit tot een scherp criticus van Leopold II, naast koning van België ook soeverein van Kongo Vrijstaat vanaf 1885 tot 1908, het jaar waarin hij die onafhankelijke staat in Centraal-Afrika aan België “schonk” als kolonie. De “naasting” van Kongo heette dat toen in het schoon Vlaams. Zo lezen we het op de Kongozuil, in 1911 ingewijd aan de rand van het Antwerpse stadspark om die historische gebeurtenis te vieren.

Ook mensen als Mushaidi Ngalengwa en Mutipula krijgen hun plaats in de vernieuwde uitgave. Bij ons staan ze bekend – in zoverre ze dat nog zijn, nu vrijwel alle verwijzingen naar de koloniale geschiedenis uit het onderwijs verdwenen zijn – als Msiri en Tippo Tip. Allebei zijn het plaatselijke gezagsdragers in Oost-Afrika, geheel of gedeeltelijk van Arabische afkomst, die respectievelijk de koperontginning en de handelsstromen in het oosten van wat nu Congo heet, ook de slavenhandel, controleerden. De Weermacht van de Vrijstaat, waarin ook, zij het niet uitsluitend, Belgische officieren fungeerden, leverde niet zomaar slag tegen naamloze inboorlingen maar tegen politieke machthebbers, die aan het hoofd stonden van gevestigde maatschappelijke instellingen, verschillend van wat wij staten plegen te noemen maar toch. M.a.w., Lucas Catherine recycleert in “Het dekoloniseringsparcours” gegevens die hij de voorbije jaren voor ander werk van hem opgedolven heeft en daarmee is er niets mis, integendeel.

Dekolonisering

Het gros van de nieuwe elementen die je in “Het dekoloniseringsparcours” aantreft, lees je in het tweede deel, “Beeldenstorm”. In dat laatste stuk draagt de auteur o.m. zijn inzichten bij voor het maatschappelijke debat dat de laatste jaren woedt, over dekolonisering, de plaats van koloniale monumenten en onze kijk op geschiedschrijving.

Die discussie is nog maar pas op gang gekomen en gaat vele kanten uit. In Oostende hebben actievoerders in 2004 de hand afgehakt van een van de figuren van een beeldengroep op de dijk, opgericht als ode aan Leopold. In Ekeren staat er sinds de zomer van 2018 een bord met tekst en uitleg bij het standbeeld van de koning op de markt. In 2018 heeft de stad Brussel een plein genoemd naar Patrice Lumumba, Congo’s eerste premier na de onafhankelijkheid en een half jaar later standrechtelijk terechtgesteld, een executie waarvoor België verantwoordelijkheid draagt.

In november heeft het stadsbestuur van Kortrijk besloten om de Koning Leopold II-laan te herdopen. Een week geleden heeft de Congolese president Tshisekedi n.a.v. de opening van het nieuwe nationale museum in de hoofdstad Kinshasa België opgeroepen om Kongolees erfgoed terug te geven. Sommige beelden en kunstvoorwerpen die de Belgische militair Emile Storms in Kongo buitmaakte, zijn in Tervuren beland. Het waren regelrechte rooftochten, je kunt het relaas bij Lucas Catherine erop nalezen. In de herfst van 2018 heeft een aantal militanten en wetenschappers ervoor gepleit dat het vernieuwde AfricaMuseum zijn deuren niet opent vooraleer geroofde kunstschatten teruggeven zijn. Een en ander geeft aan hoe soms verregaand en soms cosmetisch de voorgestelde ingrepen zijn. Lucas Catherine laat zijn stem horen in het debat. Het is absoluut nodig om het diepgaand te voeren zonder er nog eens jaren overheen te laten gaan.

Abondance en miserie

Een grote troef van de auteur is zijn doorwrochte kennis van de Arabische wereld. Dat geeft hem toegang tot een schat van kennis die relevant is om de ontstaansgeschiedenis van Kongo Vrijstaat te duiden. Lucas Catherine strooit kwistig namen en verhalen rond, die afkomstig zijn uit die bronnen en die voor de meeste lezers ontoegankelijk en onbekend zijn. Het geeft de kolonisatie van Kongo een plaats in een stuk wereldgeschiedenis, of minstens Afrikaanse geschiedenis, dat we vaak veronachtzamen.

Er is ook een nadeel verbonden aan die Arabische dimensie in “Het dekoloniseringsparcours”. De auteur laat weliswaar niet na om de vraag te stellen of de verovering van een flink deel van Centraal-Afrika een kruistocht was, beschavingswerk met kerstening als ultieme doelstelling, dan wel een doodgewone oorlog die economische controle voor ogen had. Het antwoord is evident, het ging erom greep te krijgen op handelsstromen en daarvoor schuwden de Europese veroveraars geen enkel middel, o.m. een niets ontziende exploitatie op de rubberplantages. Maar dat maakt van hun vijanden geen doetjes. De te verslane concurrenten, onder wie de Arabieren vermeld in het boek, waren lang geen engelen en dat lezen we niet.

De oorspronkelijke uitgave van het boek bevatte nog al wat foutjes en onvolkomenheden (data, namen, functies). Dat is storend en maakt van de auteur een schietschijf voor wie er zijn stellingen wil ondermijnen. Aangezien ik me ertoe beperkt had om de bladzijden over Antwerpen in detail te bekijken, vroeg ik me toen af of de auteur even nonchalant omgesprongen had met zijn informatie over andere steden. Die tekortkomingen zijn grotendeels weggewerkt maar niet allemaal.

Merkwaardig genoeg staat er in de vernieuwde uitgave onder de foto van de Entrepot du Congo aan de voetgangerstunnel deze keer dat het om het gelijknamige café aan de Vlaamse Kaai gaat. En zeggen dat het onderschrift dertien jaar geleden correct was! Camille Coquilhat blijft als gouverneur-generaal betiteld, ook al was hij maar even vlak voor zijn dood vice-gouverneur-generaal. Hij is overigens in Boma gestorven, niet in Antwerpen.

Het Museum voor Schone Kunsten op het Zuid als voormalig Koloniënpaleis bestempelen, ook daarop valt er wat te zeggen. Op de wereldtentoonstelling van 1894 stond er haaks op het museum een oosters aandoend gebouw, waarin tropische waren en ivoren beeldjes te kijk gezet waren en een etnografische zaal met rituele en gebruiksvoorwerpen te bezoeken was. Aan de voet van dat Kongopaleis was er voor de duur van de wereldtentoonstelling een Afrikaans dorp gevestigd, waarin 144 Kongolezen een onderkomen vonden. Drie onder hen overleefden hun verblijf niet. Jammer genoeg is er van dat geheel geen spoor meer te vinden. Nergens staat er al was het maar een bord om daaraan te herinneren. Overigens slaat de benaming Vivi aan de Schelde op de nederzetting van twaalf Kongolezen, allemaal afkomstig uit Vivi in Kongo, opgericht voor de wereldtentoonstelling van 1885, en niet op het dorp van 1894.

In aanpalende paviljoenen was er een panoramisch zicht op Centraal-Afrika geïnstalleerd en gaven het Rode Kruis en het Anti-Slavernij Genootschap tekst en uitleg bij hun activiteiten. In het museum zelf, dat al in 1890 zijn deuren geopend had, waren voor de gelegenheid naast de permanente tentoonstelling een verzameling ivoren beeldjes en een aquarium met subtropische vissen te bekijken. Maar het museum een Koloniënpaleis noemen? Neen, dat is sterk overdreven.

Het Antwerpse netwerk

Grosso modo tussen 1885 en 1914 bestaat er in Antwerpen een netwerk van zakenlui, die vaak ook politiek actief zijn als volksvertegenwoordiger, senator, provincieraadslid of schepen. Sommigen onder hen zijn edellieden of zijn later in de adelstand verheven. Onder impuls van Leopold richten ze in allerlei sectoren ondernemingen op voor activiteiten in Kongo. Familiebanden verstevigen de contacten tussen die leden van de Antwerpse hogere burgerij. Lucas Catherine geeft flink wat informatie over enkelen onder hen, zoals Alexandre de Browne de Tiège (niét Arthur, Lucas) , Eduard Bunge, Alexis Mols en de Osterrieths, maar hij belicht naar mijn smaak iets te weinig het uitzonderlijke karakter van hun samenwerking.

Zo schrijft historicus Guy Vanthemsche dat die Antwerpse kapitalisten de eersten zijn die profiteren van de mogelijkheden in Kongo, o.m. met de Kongoboten. De eerste, de Léopoldville, op stapel gezet door de Britse rederij Elder Dempster, nota bene alweer op verzoek van de koning, vaart af in 1895. De Antwerpse rederij, die we nu als CMB (Compagnie Maritime Belge) kennen en die de exploitatie op zich neemt, ziet dat jaar het levenslicht. In 1914 komen de eerste diamanten uit Kasaï in Antwerpen aan. Antwerpen groeit uit tot hét centrum van de wereld voor de handel in ruwe diamant (in 2018 komt 44,5 % van wat ze in Congo aan ruwe diamant delven in Antwerpen terecht). Vanthemsche vermeldt ook de wereldtentoonstellingen in Antwerpen, in 1885, vrijwel meteen na de oprichting van Kongo Vrijstaat, en 1894, als mee van de eerste gelegenheden voor dat Antwerpse netwerk om in de verf te zetten dat er in Kongo zaken te doen zijn.

Vanthemsche wijst ook erop hoe de Société Métallurgique de Hoboken, lang door het leven gegaan als Métallurgie en nu omgedoopt tot Umicore, dankzij het vanuit Kongo ingevoerde koper, kobalt, tin e.a. mineralen uiteindelijk in de jaren vijftig tot de grootste exporteur ter wereld van non-ferro metalen uitgroeit. De Congolese economie, gestoeld op de uitvoer van grondstoffen met nauwelijks enige verwerking in eigen land, verraadt nog altijd, diep in de 21e eeuw, hoe het meer dan een eeuw geleden eraan toe ging. Wat meer diepgang en een betere structuur hadden gemogen voor het hoofdstuk Antwerpen in “Het dekoloniseringsparcours”.

Slotopmerking

Ten slotte nog dit. Verscheidene keren verwijst Lucas Catherine naar de praktijk van afgekapte handen. Hij laat daarbij in het midden hoe dat precies in zijn werk ging. Na afloop van een strafexpeditie van de Weermacht, b.v. tegen een dorpsgemeenschap die de rubbermaatschappijen de afgesproken hoeveelheid niet geleverd had, moesten de soldaten bewijzen dat ze elke kogel goed gebruikt hadden. Eén kogel per lijk moest volstaan en dus kapten de soldaten een hand af om dat te bewijzen. Maar ze gingen soms op jacht naar broussewild en om het gebruik van die kogels te verantwoorden kapten ze her en der iemand een hand af. Het verklaart de iconische foto’s van levende Kongolezen die een hand missen. Misdaden tegen de menselijkheid? Ongetwijfeld. Maar het verdient aanbeveling om het precieze verhaal van de handafkappingen te vertellen, er gaan teveel apocriefe versies de wereld rond.

Guy Poppe (°1946) is gewezen radiojournalist bij de openbare omroep VRT. Bij het brede publiek is hij vooral bekend als Afrikaspecialist.