Een humanistische hemelbestormer

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het eerste deel van ‘Een stralende toekomst’ is een boeiende en eigenzinnige analyse van een erudiete auteur die gewapend met een goed formulerende pen een sterk pleidooi houdt voor een radicaal humanisme en die daardoor bij mij hoge verwachtingen opriep voor het tweede deel waarin de ‘Wat te doen?- vraag gesteld wordt. Jammer genoeg kan hij die verwachtingen niet inlossen – wie ter linkerzijde trouwens wel op dit ogenblik? –  en daardoor blijft ‘Een stralende toekomst’ te zeer een boek met een hoog utopisch gehalte, maar met te korte beentjes.

 De bijna zestiger Paul Mason is Britse free lance journalist o.a. voor The Guardian, economisch commentator, graag geziene gast in praatprogramma’s, ook behorend tot de intellectuele omgeving van Jeremy Corbyn, én auteur van de internationale bestseller ‘Postkapitalisme’ die ook in het Nederlands vertaald werd. In de nieuwe forse klepper, vertaald als ‘Een stralende toekomst’, waarin hij een sterk onderbouwd ‘radicaal pleidooi voor menselijkheid’ houdt, komen de thema’s die in ‘Postkapitalisme’ al werden geïntroduceerd aan bod: een falend neoliberaal systeem en de opkomst van machines die, naast zeer gevaarlijke uitwassen, de wereld ook kunnen verlossen van klassenverschillen, hiërarchieën, armoede, onderdrukking en ongelijkheid.

Radicale humanist

‘Nu, op de drempel van de jaren twintig van de eenentwintigste eeuw, is een alliantie van etnische nationalisten, vrouwenhaters en autoritaire politieke leiders bezig de wereldorde aan flarden te scheuren.’ (p. 13) Vanaf de eerste regels van dit vuistdikke boek bekent Mason kleur. In zeer duidelijke taal verklaart de journalist de oorlog aan de vrijemarkteconomie en aan de machineverering. Voor hem is het neoliberale project in de praktijk een aanslag op het humanisme. Het systeem reduceerde de menselijke aard met harde hand tot economische concurrentie en het onderdrukte alle pogingen om te experimenteren met alternatieven. Paul Mason werpt zich in de traditie van Erich Fromm en de filosofen en sociologen van de Frankfurter Schule op tot een radicale humanist. Dat humanisme is geïnspireerd door de werken van de jonge Marx die hij schreef voor ‘Het communistisch manifest’ en die, tot lang na zijn dood, onbekend bleven. Het communisme van Marx uit die begintijd was het streven naar vrijheid voor alle mensen. De leninistische, stalinistische en maoïstische en regimes die zich op Marx beriepen, moesten hier volgens Mason niets van hebben.

In vier delen, opgesplitst in twintig forse hoofdstukken, ontwikkelt de auteur een breed en erudiet discours waarin zowel Galileo Galilei als Donald Trump opduiken, maar ook Hannah Arendt, Aristoteles, Xi Jinping, Hegel, artificiële intelligentie – zeer uitvoerig – , ethische stelsels en waarin natuurlijk ook Karl Marx vermeld ( Wat blijft er over van het marxisme?)  en kritisch gefileerd wordt.

Ethisch raamwerk

Anders dan Marx barst Mason niet in lachen uit bij het woord ‘moraalfilosofie’, omdat de aard van de technologie die nodig is om overvloed te creëren inhoudt dat we een wereldwijd ethisch raamwerk nodig hebben om die technologie in de hand te houden. Daar gaat Mason  uitvoerig op in in het hoofdstuk ‘De denkende machine’. Hij schetst daarin vier ethische systemen. Een eerste systeem dat bekend staat als het utilitarisme van John Stuart Mill is de ethische keuze die leidt tot het meeste geluk voor het grootste aantal mensen. Een tweede ethisch systeem is gebaseerd op ‘sociale rechtvaardigheid’ en dat sluit aan bij ideeën van de Amerikaanse filosoof John Rawls van ‘maximale vrijheid en maximale eerlijkheid’. Een derde systeem van ethische waarden is gebaseerd op ideeën die aanleunen bij Friedrich Nietzsche en dat samengevat kan worden als de ‘fuck-you-ethiek’. Ten slotte, en daar gaat de voorkeur van Mason naar uit, is er de deugdenethiek, die volgens Aristoteles handelingen beoordeelt naar de mate waarin ze ertoe bijdragen dat mensen hun potentieel vervullen, niet alleen individueel, maar op een manier die ze ook in staat stelt ‘het goede leven’ te leiden. Voor Mason is het duidelijk: de deugdenethiek is de enige ethiek die geschikt is om collectief toezicht op denkende machines uit te oefenen.

Als radicale humanist verzet hij zich ook tegen wat hij het antihumanistisch offensief noemt. Hij wijdt  een volledig hoofdstuk aan het zogenaamde transhumanisme. Wat als we een kunstmatige intelligentie creëren die slimmer is dan mensen en emoties kan voelen, moeten we daar dan zeggenschap over houden of moet die zeggenschap over ons krijgen? Mason wijst op het gevaar van dat transhumanistische denken: ‘Voor hen houdt ‘vrijheid’ niet impliciet de collectieve voltooiing van het streven naar ‘het goede leven’ voor iedereen in, maar het vermogen van individuen om zich een bionische arm of een verhoogd libido te kunnen veroorloven.’ (p. 227) Het radicaal humanisme daarentegen garandeert volgens hem dat de hele menselijke soort – gemodificeerd of  niet – evenveel gebruik kan maken van machines, werktuigen en  technologieën om het leven om ons heen te verbeteren.

Wake-up call

In het laatste deel van dit boek ‘Reflexen, even tussendoor’ somt Mason enkele belangrijke beleidspunten en principes op voor toekomstige ‘verzetsdaden’ met de bedoeling om reflexen aan te kweken voor mensen die bereid zijn om ‘in verzet te gaan’. Hij reikt daarvoor wat hij noemt vier ‘strategische projecten’ aan. Ik vat samen in zijn taal: breek de informatiemonopolies af en bevorder socialisering van een basale digitale infrastructuur, versnel automatisering door werk los te koppelen van loon en geef elke burger een basisinkomen betaald uit belastingopbrengsten, stel wetten op die data publiek bezit maken en verbied alle businessmodellen die gebaseerd zijn op asymmetrische toegang tot informatie. Voilà, dat zijn, zeer summier, Masons reflexen die hij ‘even tussendoor’ en nota bene in de gebiedende wijze formuleert. Tot wie hij zich richt is echter niet duidelijk en nog veel minder op welke manier die projecten moeten worden gerealiseerd, want dat moet je toch begrijpen onder het begrip ‘strategie’. Mason geraakt niet verder dan de aanbeveling om deze vierledige aanpak binnen partijen, vakbonden, gemeenschappen en sociale organisaties te brengen. Wie moet dat doen? Elk individu blijkbaar, want hij eindigt zijn boek door de lezer aan te spreken: ‘De radicale verdediging van de mens begint bij jou’.

Het eerste deel van ‘Een stralende toekomst’ is een boeiende en eigenzinnige analyse van een erudiete auteur die gewapend met een goed formulerende pen een sterk pleidooi houdt voor een radicaal humanisme en die daardoor bij mij hoge verwachtingen opriep voor het tweede deel waarin de ‘Wat te doen?- vraag gesteld wordt. Jammer genoeg kan hij die verwachtingen niet inlossen – wie ter linkerzijde trouwens wel op dit ogenblik? –  en daardoor blijft ‘Een stralende toekomst’ te zeer een boek met een hoog utopisch gehalte, maar met te korte beentjes. ‘Een stralende toekomst’ is daardoor een groot, maar toch eerder krachteloos verhaal geworden. Het is de wake-up call van een bezielde hemelbestormer die alleen ten strijde trekt en dan nog eentje die tot mijn verbazing zich optrekt aan een openingscitaat van Leon Trotski (‘Wat ik in mijn leven heb meegemaakt (…) heeft mijn geloof in de stralende toekomst van de mensheid niet aan het wankelen gebracht, maar het juist een onwankelbare basis gegeven.) die buiten veel geloof in een stralende toekomst toch ook geloofde in de noodzaak van een voorhoedepartij.

Een stralende toekomst, een radicaal pleidooi voor menselijkheid
Paul Mason
De Bezige Bij, Amsterdam
2019
416 blz.
9789403166506
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.