In Hongarije en Polen steekt de oppositie de kop op

Facebooktwittergoogle_plusmail

De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van zondag 13 oktober in Hongarije zijn opmerkelijk. Het is voor het eerst in tien jaar dat Fidesz, de partij van premier Viktor Orbán, verslagen wordt in de hoofdstad Boedapest. Op dezelfde dag behaalde in Polen de conservatieve regeringspartij PiS (Recht en Rechtvaardigheid) van Jarosław Kaczyński wel een overwinning maar het was met de hakken over de sloot. Naar het er uitziet verliezen ze het Hogerhuis waar de gezamenlijke oppositie 51 van de 100 zetels zou veroverd hebben.

Na twee ambtstermijnen moet de burgemeester van Boedapest István Tarlós (Fidesz) de overwinning overlaten aan de groenliberale Gergely Karácsony (respectievelijk 44,1% en 50,9% van de stemmen). De overwinning was mogelijk doordat socialisten, groenen, liberalen en conservatieven hun meningsverschillen even vergaten om een gezamenlijke kandidaat te steunen. Het is de grootste electorale klap voor de partij van Orbán in tien jaar.

De conservatieve partij heerst over de enige kamer van het Hongaarse parlement en voert van daaruit een harde campagne tegen een onafhankelijke pers, het maatschappelijk middenveld, ngo’s en het rechtssysteem. De symbolische waarde van Boedapest is belangrijk maar ook in andere steden had de oppositie zich op coalitielijsten verzameld om regeringsgezinde kandidaten te verslaan. Ze zouden naar verwachting winnen in 10 van de 23 grootste steden van het land. Ter vergelijking: in 2014 won de oppositie slechts drie van die steden. Fidesz, dat sinds 2010 elke grote verkiezing heeft gewonnen, blijft wel dominant in kleinere steden en vooral op het platteland.

“Boedapest wordt groen en vrij, we brengen het terug naar Europa.” beloofde de nieuwe burgemeester van de stad. Men kan zich afvragen of Boedapest vooruitloopt op wat er in de rest van het land staat te gebeuren. Zal de kloof die de laatste jaren tussen de nationalistische regeringen van Midden- en Oost-Europa en Brussel versmallen? Of is er, als we de uitslagen van de Europese verkiezingen in Hongarije en de parlementsverkiezingen in Polen bekijken, niet eerder sprake van een kloof die aan het groeien is. Een kloof tussen ‘stad’ en ‘platteland’?

De afgelopen maanden zijn er wel enkele belangrijke zaken gebeurd in twee van de vier landen die deel uitmaken van de ‘Visegrád Groep’. Tsjechië kende deze zomer grote straatprotesten tegen de regering van premier Andrej Babiš. Het besluit van de premier om de minister van Justitie te vervangen terwijl er een onderzoek voor verduistering van Europese fondsen tegen hem liep, leidde tot de grootste mobilisatie die het land sinds de Fluwelen Revolutie van 1989 heeft gekend. In buurland Slowakije vonden er in de eerste helft van het jaar ook massale demonstraties plaats. Daar was de aanleiding de moord op de jonge journalist Ján Kuciak die een onderzoek voerde naar connecties tussen de georganiseerde misdaad en het politieke establishment. De golf van verontwaardiging in de publieke opinie bracht premier Robert Fico ertoe zijn ontslag in te dienen. Enkele maanden later werd een van de leiders van het protest, de liberale advocaat Zuzana Čaputová, verkozen tot president van de republiek, de eerste vrouwelijke president in de geschiedenis van Slowakije. In Polen heeft de regeringspartij Wet en Rechtvaardigheid (PiS) nog altijd een absolute meerderheid in het parlement maar de partij behaalt, ondanks de propaganda en de controle die ze uitoefent over belangrijke delen van de media, niet meer de resultaten van vijf jaar geleden.

Een meer pessimistische visie van de uitslagen in de Poolse parlementsverkiezingen en de lokale verkiezingen in Hongarije is echter ook mogelijk. Er lijkt een afstand te groeien tussen de kiezers van de grote stedelijke centra, die kritischer zijn ten opzichte van de regering, en de kiezers van de kleine steden en het platteland waar er minder toegang is tot alternatieve informatiebronnen en de oppositie minder kans heeft om gehoord te worden. In Polen was de stem van de steden niet voldoende om de buitensporige macht van de PiS van Jarosław Kaczyński op het platteland te compenseren. In Hongarije doet de overwinning van het anti-Fideszfront in drie van de vier grootste steden van Hongarije niets af aan de 52,1 procent die Viktor Orbán bij de Europese verkiezingen van mei behaalde, noch aan de 49,3 procent van de parlementsverkiezingen van vorig jaar. Zelfs wanneer Viktor Orbán Boedapest, het kiesdistrict waar de meeste parlementsleden worden verkozen, kwijt is, kan hij daar nog altijd een mouw aan passen voor de volgende verkiezingen. Zijn partij controleert immers twee derde van het parlement, genoeg stemmen dus om als het moet de grondwet aan te passen, genoeg macht om de kieswet te wijzigen.

De nieuw verkozen burgemeester van Boedapest, Karácsony, vergeleek zijn verkiezingsoverwinning met wat er eerder gebeurde in Warschau en Istanboel. Net als Boedapest zijn dat twee ‘liberale’ hoofdsteden van landen waar ‘sterke mannen’ de plak zwaaien. In Turkije, Polen en Hongarije zal de toekomst afhangen van de economische ontwikkeling die de landen zullen kennen maar ook van de culturele strijd tussen de ‘sterke mannen’ en de opposities. Om te weten wie het pleit in Hongarije wint zullen we moeten wachten tot in 2022 de volgende parlementsverkiezingen worden gehouden. Meer dan twee jaar, in politieke termen is dat een eeuwigheid.

Francis Jorissen woont in het midden van nergens ergens in Frankrijk, nieuwsgierig, schrijver en free-lance journalist, activist, would-be wereldreiziger en geïnteresseerd in Rusland, de landen die ooit behoorden tot wat men toen 'Het Oostblok' noemde en het Midden-Oosten