Niet-helpen bij problemen

Facebooktwittergoogle_plusmail

Volgens het Vlaams Instituut Gezond Leven kan vrijwilligerswerk het mentaal en sociaal welbevinden van de vrijwilligers bevorderen. Een ervaringsdeskundige getuigt op de website: “Vrijwilligerswerk is ongetwijfeld een pad van gezonde activering en van sociale contacten. Een gouden tip die een psycholoog me gaf na een zware periode was elke dag buiten komen en actief mensen opzoeken. Dat was absoluut zinvoller dan afhankelijk te worden van geneesmiddelen.”

Het is dus niet ongewoon mensen met – tijdelijke of langdurige – psychische problemen in het vrijwilligerswerk te vinden.

Dat die het eens over hun problemen kunnen hebben, hoeft daarbij niet te verwonderen. Meer nog sommige andere vrijwilligers willen niet liever dan een luisterend oor bieden en een oplossing aanbrengen. “Die ambitie, namelijk de wil om een mens in nood bij te staan, is mooi en siert de hulpverlener.”, schrijft Jeffrey Wijnberg in zijn boek “Niet-helpen voor hulpverleners.”

Maar dit model van hulpverlening heeft beperkingen, benadrukt de schrijver. Het kan op de eerste plaats negatieve gevolgen voor de hulpverlener zelf hebben: hij kan opbranden. De auteur wijst daarbij op de eigen ervaring uit zijn beginjaren als therapeut: “Langzaam werd ik emotioneel uitgeput van luisteren naar de persoonlijke ellende van al die cliënten die dagelijks bij mij op het spreekuur verschenen.”

Voor de duidelijkheid: een hulpverlener is voor de schrijver niet noodzakelijk een psycholoog. Voor hem kunnen personen, werkzaam in een waaier van beroepen, de rol van (geestelijke) hulpverlener opnemen. Naast de psychologen, vermeldt hij maatschappelijk werkers, psychiaters, levenscoaches, bemiddelaars, sociaal verpleegkundigen, creatieve therapeuten en pastoors.

Vrijwilligers vooral in groepen met maatschappelijk kwetsbare individuen, vrienden, familie, enz. kunnen volgens mij ook aan die lijst worden toegevoegd. Allen lopen in dit model hetzelfde risico van opbranden. Dit terwijl de toegevoegde waarde van hulpverlening volgens de auteur uiteindelijk niet zo groot is als veel hulpverleners zouden willen geloven.

De tweede beperking van dit model is de veronderstelde intentie van de hulpvrager. Het is volgens Wijnberg zeer de vraag of de betrokkene – zelf spreekt hij systematisch over cliënt – echt wel geholpen wil worden. “Als de cliënt helemaal niet in beweging komt, kan wel gezegd worden dat de hulpverlener wellicht iets verkeerds doet.”, merkt hij op. Meer nog: volgens hem maakt dit model de hulpvrager lui. “Hoe actiever de hulpverlener is, hoe passiever de cliënt wordt. Het zou precies andersom moeten zijn, namelijk dat de hulpverlener achteroverleunt om zodoende de cliënt te activeren”, voegt de auteur toe.

“In het ideale scenario presenteert de cliënt een probleem waar de hulpverlener een oplossing voor heeft, en eenmaal gegeven verlaat de cliënt heel dankbaar de spreekkamer.”, vervolgt Wijnberg. Wijzend op de praktijk zegt hij: “Menig hulpverlener zal beamen dat deze gang van zaken zelden voorkomt. Een belangrijke reden waarom dit niet gebeurt, is dat de cliënt helemaal geen oplossing wil.”

Redenen hiervoor zijn: 1. De cliënt zoekt enkel een luisterend oor. 2 Hij wil de moeite niet doen om de oplossing uit te voeren. 3. De oplossing moet hem bevallen. 4. De cliënt bezoekt de hulpverlener als (symbolisch) gebaar voor het thuisfront. Hij probeert bijvoorbeeld een dringende scheiding of ontslag af te wimpelen door aan te tonen dat hij wil veranderen.

Om de minpunten van dit soort van hulpverlening op te vangen is de “actieve methodiek van het niet-helpen” ontwikkeld, ook bekend als de provocatieve stijl. De kern ervan is dat de hulpverlener de cliënt test op zijn motivatie en voortdurend in het oog houdt dat de verantwoordelijkheid van het probleem bij de hulpvrager blijft.

Wijnberg legt bijvoorbeeld uit dat met het stellen van vervolgvragen het gepresenteerde probleem ”zo zonder meer” als probleem wordt erkend. Hier, al zo vroeg in het hulpverleningsproces, gaan hulpverleners volgens hem volledig de mist in. “Wil de hulpverlener niet al in de eerste minuten van het contact, aan de leiband lopen van de cliënt, dan zal hij eerst de geldigheid van het gestelde probleem dienen te onderzoeken.”, adviseert de auteur met klem.

Om de motivatie van de hulpvrager te testen gebruikt Wijnberg etiketten als “vakantie-ongeschikt”, “relatie-ongeschikt”, “plezier – ongeschikt” of “therapie-ongeschikt”, … Dit verhoogt de kans op heftig protest bij de hulpvrager en dwingt hem na te denken over zijn situatie.

Aan de hand van voorbeelden wordt het gebruik van de provocatieve stijl in het boek aanschouwelijk gemaakt. En als we de auteur mogen geloven wordt er tijdens een provocatieve therapiesessie veel gelachen en dit niet alleen door de hulpverlener. Afgaande op de voorbeelden van “niet-helpende” gesprekken lijkt dit ook wel zo te zijn.

Het boek “Niet-helpen voor hulpverleners” is vlot en toegankelijk geschreven. Het zet aan tot kritische zelfreflectie en is voor mij een aanrader voor allen op wie vaak een beroep als hulpverlener wordt gedaan. Vooral zij die vrijwillig die rol opnemen in een vereniging zouden het boek volgens mij op hun nachtkastje moeten hebben.

De tips zijn voldoende praktisch om die zelf te kunnen gebruiken. Mogelijks zal de provocatieve gespreksstijl van Wijnberg niet iedereen verleiden. Maar ook zij, die geen fan zijn, kunnen er volgens mij hun voordeel uithalen door hen meer vat op gesprekken te geven. Dat kan zeer handig zijn, bijvoorbeeld in een uitzichtloze en vervelende babbel.

Niet-helpen voor hulpverleners. Waarom het leven al therapeutisch genoeg is
Jeffrey Wijnberg en Peter de Wit
Uitgeverij Scriptum
2019
160
9789463191876