Nauwkeurig taalgebruik versus Jodenhaat

Facebooktwittergoogle_plusmail

“Je bent nooit te oud om bij te leren” placht mijn moeder te zeggen. Gelijk had ze. En aangezien slechts weinig mensen zo grondig als Ludo Abicht vertrouwd zijn met de vele details en nuances van Jodenhaat in alle tijden, plaatsen en vormen valt uit zijn jongste boek weer veel bij te leren.

Abicht heeft in elk geval zijn boek zonder schroom opgevat als een leerboek, een cursus, waarin de ene vraag na de andere aan bod komt in 22 betrekkelijk korte (maar zoals altijd: rijkelijk gestoffeerde) hoofdstukken. Zelfs vragen waaraan we tot dusver niet eens hadden gedacht. Zo bijvoorbeeld: dat Jodenhaat in het Nabije Oosten al in de Oudheid bestond, eeuwen voor onze tijdrekening. Of dat in het ‘christelijke’ Europa joden/Joden enerzijds wel werden gebrandmerkt als ‘moordenaars van Christus’ maar anderzijds handig werden gebruikt als geldschieters.

De beide schrijfwijzen, met en zonder hoofdletter, staan in bovenstaande alinea niet toevallig. Ze hebben te maken met een van de fundamentele bekommernissen van Abicht, waarop hij geregeld hamert in zijn boeken en lezingen, en dus zeker in dit ‘leerboek’. In de vrijwel oeverloze thematiek van antisemitisme en van de diverse vormen waarin het opduikt – én misbruikt wordt – krijgen formuleringen vaak de draagwijdte van een wapen, en dus is uiterst zorgvuldig woordgebruik geboden voor wie streeft naar een zo objectief mogelijk beeld van waar het werkelijk over gaat.

Niet zonder reden zijn de eerste twee hoofdstukken dus gewijd aan ‘spelling’: de ene schrijfwijze is de andere niet, omdat het ene begrip het andere niet is. Een aanhanger van het joodse geloof is een jood-met-kleine-letter, zoals ook christenen of moslims niet op een hoofdletter aanspraak maken. Maar zoals Britten of Duitsers een hoofdletter krijgen om aan te duiden dat ze deel uitmaken van een bepaald volk, krijgen ook de Joden die hoofdletter. De hoofdletter heeft een etnische draagwijdte, de kleine letter een religieuze; Er is dus niets vreemds aan dat mensen die zich probleemloos als Jood beschouwen tegelijk helemaal niets met de joodse religie (willen) te maken hebben.

Dat alles mag op papier nog betrekkelijk eenvoudig lijken, maar is dat zelden in de reëel-bestaande wereld. Ook al omdat de joden al vrij vlug de bekeringsijver opgaven (die christenen en moslims wel kenmerkte of kenmerkt, met alle trieste gevolgen vandien) vormt de geloofsgemeenschap vrijwel in haar geheel een deel van de ethnie, terwijl die ethnie veel meer mensen omvat dan de (gelovige) joden. Dat betekent helaas niet dat Jodenhaters of hun uitroeiïngsprogramma’s zich aan dat onderscheid veel gelegen lieten, zoals in de jaren ‘40 van vorige eeuw op de meeste dramatische wijze werd aangetoond. aten.

In werkelijkheid ging het altijd om de etnische Joden, zo blijkt uit de historische terugblik die Abicht in een aantal hoofdstukken samenvat: Jodenvervolgingen waren door de eeuwen heen schering en inslag, zelfs al in de Egyptische Oudheid. Om aan die vervolgingen te ontkomen schoof de zionistische beweging vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw – toen trouwens overal in Europa kolonialisme en nationalisme hoogtij vierden – de eis naar voren dat de Joden een eigen staat moesten hebben. Die staat werd na Wereldoorlog II inderdaad gevestigd – na bloedige terreur tegen de Britten (die toen de voogdij uitoefenden over Palestina) en de uitdrijving van zowat 700 000 oorspronkelijke Palestijnse bewoners uit het gebied dat de Joden ingevolge Britse beloften voor zich opeisten. Dat verhaal is bekend, evenals de bepaald niet zo fraaie ontwikkeling van het Israëlisch-Palestijnse conflict in de zeventig jaren nadien.

Dit boek heeft niet de bedoeling die geschiedenis nog eens uit de doeken te doen; het wil vooral (zoals de ondertitel zegt) een ‘geschiedenis van het antisemitisme’ uittekenen. Alleen … kan je er onmogelijk om heen dat opeenvolgende Israëlische regeringen hun wederrechtelijke en vaak mensonterende expansionistische politiek ten koste van de Palestijnen steevast proberen te vergoelijken door elke kritiek daarop af te doen als ‘antisemitisme’. Dat perfide verdraaien van woorden is Abicht – en waarachtig niet alleen hem – al tientallen jaren een doorn in het oog. Dus wordt zeer terecht ook een hoofdstuk gewijd aan het onderscheid tussen antisemitisme en antizionisme. Allereerst dient er aan herinnerd dat het zionistische project niet zomaar door alle Joden werd verwelkomd, en dat het verzet daartegen zowel vanuit streng-religieuze als vanuit uitgesproken linkse hoek kwam.

Er zijn zeker ‘joden’ en ‘Joden’ die “vinden dat de idee van een Joodse staat en vooral de menselijke en morele prijs die deze vraagt alles negeren wat het Jodendom leert”, maar sinds de mythische overwinning in de Zesdaagse Oorlog (1967) wordt het bestaan van de staat Israël blijkbaar alleen nog door een kleine minderheid van principieel anti-kolonialistische Joden in vraag gesteld.

Maar het erkennen van het bestaansrecht van een Israëlische staat betekent in de verste verte niet dat geen kritiek mag worden geuit op het expansionistische zionisme dat door die staat aan de dag wordt gelegd. Dat is een bekende stelling van Abicht, én van vele anderen, ook in Israël zelf, die om een rechtvaardige vrede bekommerd zijn. Uit Abichts boek – maar toch vooral uit zijn uiteenzetting bij de voorstelling van het boek – heb ik dus geleerd dat je ook met die term ‘antizionisme’ moet uitkijken. Indien voor een meerderheid van kenners van deze thematiek de term ‘antizionist’ tegenwoordig betekent dat je het bestaansrecht van de staat Israël ontkent, moet dan ook de heftigste criticus van het reëel-bestaande Israëlische beleid tegenover de Palestijnen zich dan willens nillens ‘zionist’ noemen indien hij/zij wel het bestaansrecht van dat land erkent? Met eventueel de toevoeging van een relativerend bijvoeglijk naamwoord als ‘anti-kolonialistisch’ of ‘anti-expansionistisch’? Of kan je dat beleid gewoon omschrijven als wat het in feite is, en dan maar ‘anti-racistisch zionist’ worden??

Abicht noemt zichzelf “geen antizionist, zonder dat ik daarom zionist zou zijn”. Neen, simpel is het niet. En daarom zijn de vele citaten die hij aanhaalt van Joden die kritisch staan tegenover het Israëlische expansiebeleid zo leerrijk. Al bij al lijkt vredelievende mensen in en buiten Israël dus weinig anders meer te resten dan te erkennen dat voorlopig een twee-staten-oplossing – maar dan wel evenwichtig geconcipieerd en correct toegepast – de enige uitweg lijkt uit een tragische impasse.

In discussies met openlijke of versluierde verdedigers van de (kolonialistische / racistische ?) Israëlische expansiepolitiek is dat bepaald geen gemakkelijke positie. Dat ondervond ook Brigitte Herremans, die jaren lang voor Broederlijk Delen en Pax Christi het Israëlisch-Palestijnse dossier volgde. In een Nawoord bij Abichts boek haalt zij fel uit tegen de heroplevende Jodenhaat en/maar vooral tegen de breed verspreide onverschilligheid daartegenover. Doch ook zij ziet geen reden om daarom minder kritisch te staan tegenover het beleid van de regering-Netanyahu. Integendeel: zij wijst er op hoe die regering enerzijds wàt graag elke kritiek op haar beleid afdoet als antisemitisme, maar tegelijk zelf zoete broodjes bakt met (Poolse of Hongaarse) antisemitieten indien dat in haar kortzichtige politieke kraam past. Zij werd dus prompt persona non grata verklaard.

Met dat alles zou een mens haast de vele andere aspecten van de ‘geschiedenis van het antisemitisme’ uit het oog verliezen die in dit boek aan bod komen, en die niet alleen getuigen van Abichts indrukwekkende belezenheid maar ook van zijn niet-aflatende bekommernis om ook netelige vragen niet uit de weg te gaan. Als daar bijvoorbeeld zijn: waarom bestond binnen het Jodendom zelf verzet tegen de verlichting en emancipatie (hst 12)? en: bestond er antisemitisme binnen de vroege arbeidersbeweging (hst17)? Uiteraard wordt ook aandacht besteed aan het infame pamflet ‘De Protocollen van de Wijzen van Zion” en het succes daarvan in de islamitische wereld van vandaag (hst 15), aan de logische ongerijmdheid waarmee de IHRA (International Holocaust Remembrance Alliance) haar eigen (verdedigbare) definitie van ‘antisemitisme onderuit haalt door toch weer kritiek op Israël en antisemitisme door elkaar te haspelen (hst 22), en last but not least aan de betekenis van het Israëlisch-Palestijnse conflict voor de heropflakkering van het antisemitisme (hst 19).

Ook kenners van de thematiek zullen in dit boek her en der iets bijleren; voor een breder publiek is het een uitstekend overzicht. Zeer leesbaar, en vooral: zeer noodzakelijk. Daar doen enkele kleine maar storende fouten niets aan af; die zullen in de herdruk zeker verdwijnen.

De eeuwige kop van Jood. Een geschiedenis van het antisemitisme
Ludo Abicht
Antwerpen, Vrijdag
2019
248