‘De Europese Unie is een schijnvertoning’

Facebooktwittergoogle_plusmail

De Europese Unie is een schijnvertoning, een schaduwspel, een spook. Daar is de Franse filosoof en schrijver Régis Debray diep van overtuigd. Sommigen zullen beweren dat de Fransman Debray heimwee heeft naar de tijd dat Frankrijk een grootmacht was en het Frans de voertaal van de Europese diplomatie was en op alle Europese keizerlijke en koninklijke hoven werd gesproken. Maar zelfs als dat zo zou zijn, doet dit geen afbreuk aan de vlijmscherpe analyse die Debray maakt van het verenigde Europa, of beter gezegd van de pogingen om Europa te verenigen.

Régis Debray is geen tegenstander van een verenigd Europa. Hij onderschrijft de doelstellingen die althans officieel het verenigde Europa worden toegedicht: de vrede bevorderen, de armoede uitroeien en een Europa uitbouwen dat op voet van gelijkheid met de Verenigde Staten en China kan optreden. Hij wil een Europa dat de gang van zaken in de wereld daadwerkelijk kan beïnvloeden. Hij erkent dat landen de klimatologische, wetenschappelijke en technologische uitdagingen van vandaag niet op hun eentje aankunnen. Hij wenst dat de Europese macht van morgen, net als een wereldregering, een mensheid tot stand brengt die open, welvarend, inclusief, zonder grenzen en vreedzaam is.

Maar Debray onderstreept dat onze wensen en onze hoop niet per se overeenstemmen met de werkelijkheid. Hij citeert de Franse dichter Paul Valéry die beweerde dat onze daden ingegeven worden door mythes en dat we alleen maar kunnen handelen door ons naar een spook te begeven. Dat een verenigd Europa ‘de oplossing’ is, zou wel eens een van die mythes of spoken kunnen zijn. Als voorbeeld van dit geloof in de mythe Europa citeert Debray de voormalige voorzitter van de Europese Centrale Bank, Wim Duisenberg, die het bestond te verklaren dat ‘de invoering van eurobiljetten in de geschiedenisboeken van al onze landen en zelfs daarbuiten, als het begin van een nieuw tijdperk in Europa zal vermeld worden’.

Wil men tegenwoordig ernstig worden genomen, moet men een overtuigd Europeaan zijn, wat dat ook moge betekenen. Voor velen betekent dat dat men geen kritiek mag uitoefenen op de Europese Unie. Wie eurosceptisch is, wordt al vlug als een nationalist bestempeld die geen zier geeft om de vriendschap tussen de volkeren. Men moet zich als ‘goede Europeaan’ voordoen, zoals men zich vroeger als ‘goede christen’ voordeed.

De architecten van het verenigde Europa, zoals Richard Coudenhove-Kalergi die de Paneuropese Beweging lanceerde, beweerden dat de naties de oorzaak van de oorlog zijn. Als men zich van die naties kan ontdoen, zal er overal in de wereld vrede zijn. Daar moeten de nodige verdragen voor zorgen. Dit ‘juridisch mysticisme’, zoals Debray het noemt, leidde in 1925 tot de akkoorden van Locarno en in 1930 tot het plan-Briand voor een federale Europese unie. Een vreedzaam federalisme zou de oorlog onmogelijk maken.

Na de Tweede Wereldoorlog werd dit federalistische streven nieuw leven ingeblazen. In 1951 ontstond de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en in 1958 de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Nadien versmolten die drie gemeenschappen tot de Europese Gemeenschap die in 1992 (Verdrag van Maastricht) de Europese Unie werd. Debray geeft toe dat het in 1925 of in 1950 moelijk was om geen pro-Europeaan te zijn. De vraag is echter waarom het heden ten dage zo gemakkelijk is om het niet meer te zijn.

Europese vergissingen

Volgens Régis Debray zat de mislukking van het Europese integratieproject er van bij het begin ingebakken. Dat was de verantwoordelijkheid van de zogenaamde ‘vaders’ van Europa, zoals de Franse zakenman en bankier Jean Monnet, een grote vriend van de Verenigde Staten. Vanaf Monnet werd het Europese project in handen gegeven van ‘managers’. De ‘homo oeconomicus’ moest de touwtjes in handen nemen. Jean Monnet en de toenmalige Franse minister van Buitenlandse Zaken, Robert Schuman, lanceerden volgens Debray het economische Europa om langs die weg een politiek project, het federale Europa of de Verenigde Staten van Europa, te realiseren.

Daar is tot op heden niets van in huis gekomen. ‘Europa’ is op de eerste plaats een instantie geworden die de lidstaten verplicht een streng begrotingsbeleid te voeren. Het zogenaamde ‘sociale Europa’ heeft zich neergelegd bij de wetten van de markt: privatisering van de openbare diensten, ontmanteling van de welvaartstaat, deregulering van de economie en boven alles het dogma van de vrije concurrentie. De ‘belangen van de werknemers’ en de ‘nationale belangen’ werden opgegeven.

De voormalige voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, noemde de Europese constructie een ‘niet geïdentificeerd politiek voorwerp’. Voor Debray betekent dat dat het Europese project is mislukt. Hij maakt daarbij de vergelijking met de Verenigde Staten. In Europa zijn wel cinema’s, maar er bestaat geen Europese film. Er zijn Europese atleten, maar aan de Olympische Spelen neemt geen Europese ploeg deel, behalve voor het golf. Er bestaan Europese kranten, maar er is geen Europees dagblad. Nog een ander voorbeeld: Europa heeft als dusdanig geen zetel bij de Verenigde Naties. En Debray gaat nog een stapje verder: door een Europees Parlement op te richten dacht men dat er ook een Europees volk zou ontstaan en dat door de invoering van een eenheidsmunt (euro) een Europese economie het licht zou zien. Twee vergissingen.

Amerikaans overwicht

Debray gaat nog verder over het Amerikaanse overwicht. Vier vijfde van de vertoonde films zijn Amerikaans, twee derde van de muziekprogramma’s op radio en van de stripverhalen, zo goed als alle galerijen voor hedendaagse kunst, de faculteiten voor wetenschappen en filosofie, het speelgoed, de eetgewoonten en de magazines zijn Amerkaans. Europa is volgens Debray ondergeschikt geworden aan de VS. Het doet wat Washington beveelt en doet niet wat Uncle Sam verbiedt. De onderdanigheid van Europa is zo ver gegaan dat het zonder meer de extraterritorialiteit van de Amerikaanse wetten (bijvoorbeeld de Amerikaanse sancties tegen Iran) aanvaardt. Debray vat het cynisch samen: de droom van ieder Europees staatshoofd of eerste minister is de bevoorrechte gesprekspartner van de Amerikaanse president te worden. Of nog: toen Europa stierf werd het Westen geboren.

Het enige Verdrag dat er echt toe doet is dat van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), waarvan het Witte Huis het beslissingscentrum is. En een Europees leger, komt dat er ooit? Experts lachen daar eens mee. Voor hen bestaat dat Europese leger al: de NAVO. De NAVO-lidstaten verdelen wel de lasten, maar de beslissingen worden in Washington genomen. Een mooie illustratie van het Amerikaanse overwicht is de keuze van tal van Europese landen, zoals België, voor het Amerikaanse gevechtsvliegtuig F-35, waardoor de Europese Eurofighter en Rafale geen kans kregen.

Commedia dell’arte

Hoe moet het nu verder? Wordt het verenigde Europa nog steeds verder uitgebouwd? Debray citeert de essayist Emmanuel Berl die niet de indruk heeft dat het ‘Europees gevoel’ de voorbije vijftien jaar is toegenomen. Duitsers, Spanjaarden en Fransen voelen zich niet meer met elkaar verbonden dan in 1925. Het Europees-zijn is opgelost in het Westers-zijn. Europa is geen globaal project meer. De grote industriële en financiële groepen zijn globaal. Renault ging niet samen met Mercedes, maar met Nissan. De Europese cultuur, het Europees grondgebied en de Europese instelling (Europese Unie) vallen niet samen. Daarvoor zijn de verschillen tussen de Zuid-Europeanen, de Noord-Europeanen en de Balkanbewoners nog te groot. De Europese Unie, aldus Debray, zit niet in onze vezels. Ze oefent van buitenuit druk uit, zonder in ons binnenste te zitten.

De Europese Unie beoefent de ‘commedia dell’arte’ volgens de auteur. Het Europees Parlement mag geen wetgevende initiatieven nemen; de Frans-Duitse brigade dient alleen om defilés op te luisteren; de Europese verkiezingen slaan op binnenlandse aangelegenheden en doen steeds minder kiezers naar de stembus gaan; een zogenaamde Europese grondwet is er geen; de Europese diplomatie stelt niets voor. Zorgt de Europese Unie voor meer eenheid onder haar lidstaten en volkeren? Het tegendeel is waar. In tal van regio’s wordt voor onafhankelijkheid gepleit (Vlaanderen, Catalonië, Schotland). Telkens een nieuwe lidstaat toetreedt verbrokkelt de Unie nog meer. Dat merken we aan de houding van een aantal (Oost)-Europese lidstaten inzake migratie en eerbiediging van de rechtstaat.

Debray betreurt dat Europa, het grote avontuur van een generatie, een schaduwspel is geworden. Is hij een nationalist als hij ervoor pleit om het maar bij de huidige naties te houden? Zijn argument luidt: beter een vogel in de hand dan tien in de lucht

L'Europe fantôme
Régis Debray
Tracts Gallimard n° 1
€ 3,90