Hoe rebels wil je zijn?

Facebooktwittergoogle_plusmail

Een boek van Walter Lotens is altijd genieten. Vlot geschreven, leuke verhalen, goede inzichten. Ook dit keer. ‘Rebelse plekken’ is een tocht van Antwerpen naar Chiapas, via Cochabamba en Buenos Aires, Madrid en Barcelona. Met en pauze in de Larzac.

Lotens is op zoek naar plekken waar alternatieven voor het huidig economisch, sociaal en politiek systeem ontstaan. Hij vindt ‘in de kieren van de oude wereld’ een nieuwe solidariteit en een warme wederkerigheid. Mensen nemen het heft in eigen handen, beginnen met gemeenschappelijke moestuinen, co-housing, een nieuwe vorm van stadsbestuur of de bezetting van fabrieken.

Zijn verhaal begint in de Rupelstreek, meer bepaald Noeveren, waar mensen proberen het grote vastgoedoffensief tegen te gaan en het dorpse karakter van hun streek te behouden. Vandaar gaat het naar de Larzac en naar Notre Dame des Landes waar mensen, met succes, de militarisering van hun streek en de bouw van een nieuwe luchthaven hebben belet.

De verhalen zijn niet nieuw en passen in wat inderdaad een nieuwe trend is geworden om vaak tégen de overheid in initiatieven te nemen die het samenleven moeten bevorderen. Vandaag noemen we dat ‘municipalisme’ en ‘commons’. Het zijn de ‘kleine revoluties’ die de kiemen bevatten van een alternatief, van ‘warmere gemeenschapsgevoelens’. Mensen zijn dan niet enkel bezig met zorgen voor andere manieren om aan politiek te doen, maar ook met zorg voor elkaar.

De lezer laat zich makkelijk meeslepen met al deze enthousiaste verhalen over mensen die breken met de sleur van elke dag. En Walter Lotens moet warm worden bedankt om al deze verhalen, oud en nieuw, in één boek samen te brengen. Want het gaat inderdaad niet enkel om een paar progressievelingen die in een rijk land of rijke stad behoefte hebben aan iets anders. Het is een wereldwijde beweging van inderdaad rebellen, van mensen die in verzet gaan en aan iets nieuws willen bouwen.

Ja, maar …

Het zou verbazen mocht zo’n breed overzicht niet ook een aantal vragen oproepen. Ook die zijn niet nieuw. Ik wil er drie vermelden.

Wat altijd opnieuw wordt opgeworpen is dat al deze kleine revoluties niet noodzakelijk ook aan het systeem zelf iets veranderen. We hebben er in eigen land pas een goed voorbeeld van gezien. Baby Pia heeft dank zij een warme reactie van de Belgische bevolking haar medicijn gekregen, maar de farma-industrie draait lustig verder, met woekerwinsten en zonder belastingen. De auteur weet dat zeer goed, en wijst er zelf herhaaldelijk op.  Laagdrempelige en kleinschalige alternatieven zijn erg belangrijk, maar zonder band met initiatieven op andere niveaus blijven ze gewoon in de marge. Vooral in het erg actuele klimaatdossier is dit superbelangrijk.

Dit punt lijdt noodgedwongen tot een tweede vraag: wat is nu eigenlijk het alternatief waaraan wordt gewerkt? Men kan zich afvragen of de activisten van de Larzac in de jaren ’70, de neo-zapatisten in Chiapas vandaag of de mensen van Barcelona en Comú een zelfde nieuwe wereld voor ogen hebben? Ook hier geeft de auteur zelf aan hoe moeilijk het is met het voorbeeld van de gilets jaunes in Frankrijk (p. 67). Samen in verzet maar niet over moeilijke thema’s praten, niet links en niet rechts. Wat streef je dan na? De grote referentie voor Lotens blijkt steeds Ivan Illich te zijn, en het verlangen is vooral naar ‘warmte’. Maar was het leven ‘vroeger’ wel zo warm? Bestond er echt meer solidariteit? Men kan daaraan twijfelen. Blijkbaar hebben sommigen het neoliberalisme en zijn geloof in concurrentie zo sterk geïnterioriseerd dat er een behoefte ontstaat om te zeggen dat mensen ook ‘goed’ kunnen zijn, zie het recente boek van Bregman over ‘mensen die deugen’. Alsof we dat niet weten! En alsof we niet weten dat sommige mensen niet deugen!

Die twee vragen leiden me tot een derde vraag. Als niet aan het systeem zelf wordt geraakt, en als het alternatief niet echt duidelijk is, wat is dan het strategisch belang van deze enthousiaste verhalen? Helpt het als mensen gemotiveerd worden om te zorgen voor de ‘verandering van hun wereld’, zoals de auteur het schrijft, en niet aan de verandering van ‘de’ wereld? Kan het niet nuttig zijn om ook op de andere en verdergaande initiatieven te wijzen die wel verandering pogen te brengen? Die wél proberen om met al deze initiatieven echt aan politiek te doen? Het is opvallend dat het werk van Dardot & Laval dat een progressieve theoretisch basis geeft aan de commons-benadering, nauwelijks één kleine paragraaf verdient. De vele schrijfsels van uw dienares die eveneens probeert die commons wat hoger op te trekken, ontbreken volledig. Dat is erg jammer, want de auteur weet en stelt zelf dat die kleine revoluties ontoereikend zijn. En niet enkel ontoereikend, want zonder politisering en zonder te streven naar progressieve alternatieven kunnen deze initiatieven het neoliberalisme juist in de kaart spelen. Dat systeem heeft veel vrijwilligers en veel ‘warme solidariteit’ nodig om de verzorgingsstaten af te blouwen.

Maar goed, die rebelse plekken blijven boeiend. Ik kan het boek alleen maar warm aanbevelen, het leest vlot en toont aan dat er inderdaad, wereldwijd, dingen broeien. Dat er een groot verlangen is naar verandering, dat er energie te over is om wat te doen. Wie daarvan overtuigd wil raken en wie naar nieuwe ideeën zoekt, vindt bij Lotens zeker zijn gading.

Rebelse plekken Boek omslag Rebelse plekken
Walter Lotens
Gompel & Scacina
2019
Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.